Either scripts and active content are not permitted to run or Adobe Flash Player version 10.0.0 or greater is not installed.

Get Adobe Flash Player

israel

musik

Japanisch

CATHOLICA

shmaisradio.com Radio Judaïca Lyon New York Jewish Radio New York Jewish Radio New York Jewish Radio New York Jewish Radio New York Jewish Radio New York Jewish Radio New York Jewish Radio New York Jewish Radio Sadurama http://tunein.com/

links

link
"crocetteinrete-mrita"
"Il Blog della Simo"...
"Ilmondofatatodicricristrella"
*annarose.over-blog*
*auxpetitsriens*
*Bienvenue chez Marinette*
*charlottechiffon*
*chezgrisouille*
*chezlila*
*cococoeurs*
*derevesenemotions*
*fleurdelinetboutondor il sito*
*fleurdelinetboutondor-blog*
*framboisechocola*
*grenier2farfalle*
*latabledemanuela*
*le bazar de sophie/picoteuse*
*Le grenier de Jocelyne*
*leblogdecathy*
*lesbonheursdenina*
*lespetitesmainsdevivi*
*mariereinedesanges*
*mesptitsbonheurs*
*ouhlalacademenag*
*petitemercerie*
*ptitefanchon*
*quilt-ranch*
*riennesertdecour*
*secretsdefees.blog4ever*
*tousmesjours*
*un fil sur la toile*
- Il blog di Lola... -
- ilmioangolodicielo -
acountrywhisper
Aldina's Corner
aldinashop
animacreativa
appevehdg
armoniedimo
°°atmosferadicasa°°
blonddamage
cannellaecioccolato
carmen-crociedelizie
casacuoricolori08
catascraft
coccoglam
coccolefantasia
comeunincantesimobis
Country painting fantasia
countrydesires
countrykittyland
countrypainting
creativandocrea
decostation
diamoci-la-zampa
Diario Amanita
dietrolangolo
donidiambrosia
effetiblog
erremax
espritbroderie
fiordimela
Gatti&crocette
Il blog di Marco...
ilavorimanualidimarina
ilblogdibrigitte
ilblogdigermana
ilboscodicamelot
ilmercoledi
ilmioangolocreativo
ilmondodistoffadisimona
ilneuronediviolaallavoro
isacountry
L'angolo creativo di DolphinA
la soffitta
lacasalingaassassina
lamartinarte
lamartinarteblog
lanaefilo.spaces.live
langolodisilva
latartarugafolle
laura-handmad
lecrocettedimanu
loscrigno.myblog
loscrignodiapaola
manumanu64
mariaerba
merybicountry
miladyfiloeacapo
mommy57
monpetiteatelier
mysweetcountryhome
nellacucinadiely
ositodetrapo-carmen
pensierianimali
pensieridistoffa
pezzedimondo
Profumo di casa
profumodiiris
puntieperline
raccoltodautunno
ricevere-guja.blogspot
stashmania
stitchandmore
straccipertopi
unmondoacolori...
verderameblu
vivi5sentidos
xszemkozt
^ brocante-antique ^
^vetrinasulmondo^

Links

Inspiration

Organisaties
Art de la Dentelle en Bourgogne
Australian Lace Guild
Belgische Kant Organisatie
BLEN
Deutscher Klцppelverband
English Laceguild
Frans Megens
Gentse Kant Academie
Kant in Vlaanderen vzw
Ieder voor Allen Wijdenes
Irish Lace Organisation
Kant Docenten Nederland
Kantcentrum Brugge
Kanteljй
Kantschool Artofil
Kunstfactor
La Dentelle - Le Puy en Velay
Lone Star Lacers USA
Merkwaardig (merklappen)
Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen/Vrouwen van Nu
Nederlands Centrum voor Handwerken
Nederlandse Kant Opleiding
New Zealand Lace Society
NVKKMS
OIDFA
Ordinaaltje
Quiltersgilde
Spitzengilde
Textiel Plus
Turnhoutse Kantschool
Verein Klцppeln und Textile Spitzenkunst in Цsterreich
Weefnetwerk
Zwitserse kantvereniging VSS-FDS

 

- r

 

Musea
Cowper & Newton Museum
Europese Musea
Fries Museum
Hermitage St. Petersburg
Irish Lace Museum
Kantmuseum Olsene
Kantmuseum van Rauma, Finland
Landgoed Borg Verhildersum
Musйe des Manufactures de Dentelle
Musйe du Patrimoine & de la Dentelle Chantilly
Museu Marиs de la Punta
Museum de Kantfabriek
Rijksmuseum Amsterdam
Rijksmuseum Amsterdam Accessorize
Stedelijk Museum Vianen
Stedelijk Museum Zwolle
Victoria en Albert Museum, Londen
Zeeuws Museum met streekdrachtenzalen
Zwitserse Musea

 

[Home] - r Leveranciers
Atelier MB
Barbara Fay (leverancier boeken)
Bart en Francis
Belgische Kant
Biggins Bobbins
Bob-in
Boixet
Brief und Buch
Brugse Boekhandel
Claeys Antique Lace
Copper Wire Lace
Easy Cross software
Eurocraft een online shop
Glazen kantklosjes
Heikina de Ruijter
Honiton Lace Shop
Ines Schwotzer Schmuck
Kant CD 2000
Kantklosje
Kenn van Dieren
Kleinhout
Klцppelbuch
Kloeppelkiste
Kloeppelstube
Klцppelwerkstatt
Larkholme lace
Lierse Kant
LTC Leiden (o.a. Modinetje garen)
Madeira
Metaaldraad leverancier
Nordic Needle Lace Equipment
Petra Pцnisch - ontwerpprogramma
Pipers Silks Homepage
Scharlaeken Handwerk
Sixpenny Bobbins
Spannrahmen
Tatting & Designs (met veel links)
the Lacemaker
Trillium lace
Vansciver Bobbinlace
Venne - Colcoton
Waaierbladen
  [Home] - r

 

Kantsites
Amazing Lace
Annelies de Kort's homepage
Barbara Corbet
Betonac Wedstrijd
Carolina Gallego
Cecil Higgins Art Gallery
Cipka (Slowaakse kantsite)
Dentelle (franstalige site met mooie foto's)
Dentelle aux Fuseaux
Dentelles et blondes Caen
Dentellieres - Expositions/Calendrier
Digital Archive of Documents Related to Lace
Duitse kantagenda
European Textile Network (textiel - geen kant)
Forum Alte Spitze
Franstalige kantsite
Frywolitka (Tsjechische frivolitй site)
Gathering the Jewels
Gloria Valli lace jewellery
Hek van kant
Hongaarse kantsite
Jitka Kaљkovб
Jo Edkins' Lace School
Kantgeschiedenis
Kant in Braziliл
Kantklosatelier Elisabeth
Kantkring Hamont
Kantstreken in Frankrijk
Klцppeln am Meer
Klцppelshop (D)
Klцppeln-Sachsen
Kostuumsite
Kreuzen-drehen
Lace CZ
Lace design
Lace Ladies of India
La Dentelle - kaarten en schilderijen
Lenka Suchanek's Silverpinstudio
Lepoglava
Margaretenspitze
Maria Bissacco
Marla Mallet
Mme Claire Dentelliere
Retournac
Rosemary Shepherd
Sharon's Tatting (frivolitй)
Spelden - alles over het maken van spelden
Structures of Antique Lace
Tsjechische Kantsite
Vlasblomme - Aarschotse kantclub
 
[Home] - r Websites van LOKK kringen/leden
Anita's kantklospagina
Anneke Reijs
Cosy Corners
De Kantklospagina
Dinie Bakker
Experikant
Joke Falkink-Pol
Marjan Groenveld
Kantklosschool 'Ieder voor Allen Wijdenes'
Kantkring De Baenje
Kantkring De Kantkriebel
Kantkring De Waaier
Kantkring Het Groene Hart
Kantkring Het Hunebed
Kantkring Het Molenwiekje
Kantkring Mariage
Kantkring Potkant
Kantkring 't Aemstelkant
Kantkring 't Klцske
Klцppel-werkstatt
Lilians kantklossite
MarGorsson Design
Marleen Lievens (Turnhoutse Kant)
Marlie Schouten
Mayken Geersing
Paragon (Yvonne Scheele-Kerkhof)
Rina Wijnen
TeHaTex-Atelier
 

[Home] - r Patronen op internet
Antique Pattern Library
Creativ Klöppeln
DMC U.S.A.
Frivolitй patronen
Jean Leader
Laceguild (young lacemakers)
LOKK gratis patroon
Nyt i knipling
Patterns for needlework lace
Poole Bobbin Lace Circle
Steffi Reinhardt
Tombolo (italiaans met veel patronen)

 

[Home] - r

 

Tijdschriften
Canadian Lacemaker Gazette
Fuselliamo
Handwerken zonder Grenzen
Lace Express
Lace Magazine International

 

[Home] - r Portaalpagina's Kantklos.pagina.nl
Lace Fairy

 

[Home] - r Computergroepen Arachne Homepage (mailinglist)
Yahoo group kantklossen (NL)
Yahoo group bobbinlacemaking (UK)
Yahoo group bobbin lace UK
Yahoo group continental lace
Yahoo group frivolitй
Yahoo group lacemaking UK
[Home] - r

weaving3

ChinaTown

LIMILE JAPONEZA chineza

literatura

Weaving 1

Weaving 2

IUDAICA

Iudaica Minor

readable 7

READable

Embroidery

Knitting and Crochet and Design

Followers

Wednesday, May 9, 2012

Misleid - Pieter Aspe


PIETER ASPE

Misleid





De wijze heeft geen onwrikbare beginselen.

Hij past zich aan anderen aan.

Lao-Tse

Iedere overeenkomst met bestaande personen of toestanden is louter fictief.


© 2009 Uitgeverij Manteau / Standaard Uitgeverij nv en Pieter Aspe

Standaard Uitgeverij nv, Mechelsesteenweg 203, B-2018 Antwerpen

www.manteau.be

info@manteau. be


Vertegenwoordiging in Nederland: Uitgeverij Unieboek BV,

Houten – www.unieboek.nl


isbn 978 90 223 2354 0

d 2009/0034/135

nur330

Dit elektronische boek is gemaakt voor uitsluitend persoonlijk gebruik.

Het is niet bestemd voor commerciële doeleinden!





1


Frederik Bombé bekeek zichzelf in de spiegel terwijl hij zelfvoldaan glimlachte. Hij droeg een gebloemde boxershort en hij had slippers aan zijn voeten. Zijn kale kop glansde zacht in het diffuse ochtendlicht dat door de vitrage naar binnen viel. Op het plankje boven de wastafel stond een dozijn flesjes en flacons met parfum, toiletwater en aftershave in het gezelschap van een batterij potjes met hydraterende crèmes en lotions die zijn huid strakker maakten. Hij deed het allemaal voor de meisjes. De grijns op zijn gezicht werd breder. Welke man van middelbare leeftijd droomde er niet van een groot deel van het jaar door te brengen in het gezelschap van een selecte groep knappe jonge vrouwen? Frederik Bombé hoefde er niet van te dromen. Hij had meiden zat. Zijn activiteiten leverden echter nog een niet te onderschatten voordeel op: de missverkiezingen die hij organiseerde, brachten flink wat geld op. Choose Or Lose, het bedrijf dat hij vijf jaar geleden uit de grond had gestampt, was financieel gezond en hij had ondertussen een aardig spaarpotje aangelegd. Op seksueel gebied kwam hij evenmin iets tekort. Als hij met de finalistes op tournee ging, waren er altijd een paar bij die naar zijn gunsten dongen. Hij keek over zijn schouder naar het grietje in het grote hemelbed dat zich vannacht voor hem had uitgesloofd. Ze heette Kira. Een gretig ding. Hij had een extra pilletje moeten slikken om haar tempo bij te kunnen houden. Normaal maakte ze geen kans om Miss Flanders te worden. Daarvoor waren haar intellectuele capaciteiten te beperkt. De jury zou haar afmaken. Gelukkig kon hij daar iets aan veranderen. Dat wisten sommige meisjes maar al te goed en als ze hun best deden, hield hij ook woord. Kira had het vannacht uitstekend gedaan. Bombé was tevreden. Voor hem kon de dag niet meer stuk. Straks zou hij met een argeloze stem zijn vrouw bellen en zeggen dat hij van haar hield. Dat deed hij iedere ochtend als hij niet thuis sliep. De stomme trut koesterde gelukkig geen argwaan. Daarom was het ook een stomme trut. Ja. Frederik Bombé was met de helm geboren. Hij nam, nog steeds glimlachend, afscheid van de spiegel, liet zijn boxershort zakken, stapte uit zijn slippers en ging onder de douche staan. Het kletterende water maakte Kira wakker. Ze trok het dekbed tot onder haar kin en keek met een verdwaasde blik naar het met stucwerk versierde plafond. Toen wist ze weer wat er gebeurd was. Ze hadden eerst champagne gedronken. Hij om haar gewillig te maken, zij om haar afkeer voor hem af te zwakken. Ze had immers geweten wat haar te wachten stond toen ze op zijn uitnodiging om samen iets te gaan eten was ingegaan. En ze wist wat ze zou moeten presteren om het meisje te overtreffen dat haar was voorgegaan. Daarom had ze alles gedaan wat hij had gevraagd, zelfs de dingen die hij niet had gevraagd. Geen inspanning was haar te zwaar, geen vernedering te diep. Kira Konings moest en zou de volgende Miss Flanders worden.

‘Mannen’, zuchtte Saskia toen ze kamer 204 binnenkwam.

‘Wat hebben we nu weer verkeerd gedaan, meisje?’

Van In deed zijn krant dicht, vouwde ze in vieren en wreef zijn ogen uit. Hij kon niet verstoppen dat hij moe was. Hannelore sliep de laatste tijd slecht en ze was vaker misselijk dan tijdens haar eerste zwangerschap. De gynaecoloog had gezegd dat ze zich daarover geen zorgen hoefde te maken, maar hij had evengoed kunnen verklaren dat er aan de Noordpool geen ijs te vinden was. Hannelore maakte zich wel zorgen. De verhaaltjes die ze van haar vriendinnen te horen kreeg over spontane abortussen en genetische defecten bij baby’s van oudere vrouwen maakten haar bijna gek van onrust.

‘Er heeft zich net een kerel aangemeld die beweert dat hij Frederik Bombé is.’

‘De Bombé?’

Saskia knikte. Hoewel ze zelden of nooit het societynieuws las, kende ze de naam en ze wist waarmee hij de kost verdiende. Ze kon het alleen niet hebben dat ‘de missmaker’ weigerde zijn identiteitskaart te laten zien voor hij ‘de commissaris’ had gesproken.

‘Ik hou niet van dat soort mannen.’

‘Ik ook niet’, glimlachte Versavel.

Hij stond op, wierp een blik naar Van In, die ongegeneerd zat te geeuwen en knipoogde naar Saskia, die hem dankbaar aankeek.

‘Zal ik dat varkentje voor je wassen?’

‘Ja, doe maar.’

Ze liepen samen naar beneden. Versavel hield de deur voor haar open. Ze ving de geur op van dure aftershave toen ze hem voorbijliep. Saskia kon goed opschieten met Van In, maar als ze haar baas had mogen kiezen had ze Versavel genomen. Hij was altijd piekfijn gekleed, zijn schoenen glommen als nieuw en ze had hem zelden zenuwachtig gezien. Iedere vrouw smolt voor zijn ogen. Het was alleen jammer dat hij niet smolt voor de vrouwen.

‘Daar staat je varkentje’, zei ze toen ze in de gang op de eerste verdieping waren waar Bombé met kleine pasjes liep te ijsberen.

De missmaker droeg een lichtbeige maatpak en om zijn rechterwijsvinger zat een knoert van een zegelring. Hij had brede schouders, een dikke buik en korte kabouterbeentjes. Zijn kale knikker blonk als gepolijst marmer. De norse uitdrukking op zijn gezicht sprak voor zich, maar daar wist Versavel wel raad mee.

‘Ik ben de assistent van commissaris Van In’, stelde hij zich breed glimlachend voor. ‘Excuseer dat u zo lang moest wachten. Wat kunnen wij voor u doen?’

Mensen die een paar keer met hun bakkes op de televisie waren gekomen, dachten algauw dat ze bekend waren. Dat was op zich niet erg, zolang ze zich niet geprivilegieerd gingen voelen en zich sterallures begonnen aan te meten. De manier waarop Versavel Bombé had begroet was een mooie toepassing van de uitdrukking: de lont uit het kruitvat halen. Ook daarom bewonderde ze hem. Wat zij niet voor elkaar had gekregen, lukte hem. Bombé liet de hooghartige toon varen die hij zo-even tegen haar had aangeslagen.

‘Er heeft zich vannacht een ernstig incident voorgedaan’, zei hij bezorgd. ‘Een van onze meisjes is het slachtoffer geworden van een gewelddadige aanslag.’

‘Hebt u de politie gebeld?’

‘Natuurlijk heb ik de politie gebeld.’

‘Maar u bent niet tevreden?’

‘Nee. Daarom ben ik zelf naar hier gekomen.’

Bombé legde de nadruk op ‘zelf’. Versavel keek mistroostig, maar hij maakte zich geen zorgen. Ze kregen geregeld mensen over de vloer die zich kwamen beklagen over het optreden van de politie. Het had geen zin om hen tegen te spreken, je kon dat soort mensen beter laten uitrazen.

‘Zegt u het maar, meneer Bombé.’

‘Volgens mij schatten uw collega’s de situatie totaal verkeerd in. Kira mag dan ongedeerd zijn, het scheelde niet veel of ze was gewond geraakt. Of erger nog. U begrijpt toch dat ik in mijn positie geen risico mag nemen. De verkiezing van Miss Flanders staat voor de deur. Sponsors houden nu eenmaal niet van dit soort reclame. Als u begrijpt wat ik bedoel.’

Versavel schudde zijn hoofd. Hij begreep er inderdaad niet veel van. Dus draaide hij zich om naar Saskia, die achter hem was blijven staan.

‘Een van de meisjes die deelnemen aan de missverkiezing heeft ons vannacht gebeld omdat ze zich bedreigd voelde’, zei ze.

‘Bedreigd voelde’, herhaalde Versavel. ‘Ik dacht dat het om een gewelddadige aanslag ging.’

Bombé liet Saskia niet de tijd om te reageren. Hij haalde een envelop uit zijn binnenzak en begon ermee te zwaaien.

‘Dat is het ook, meneer de adjunct-commissaris. Lees het verslag van de dokter maar.’

Saskia haalde haar schouders op. De collega’s hadden een kopie van het medisch verslag bij het pv gevoegd. De arts had op de schouder van juffrouw Kira Konings een hematoom aangetroffen met een diameter van ongeveer vier centimeter. Een flinke blauwe plek dus. Daarom hadden ze niet veel aandacht besteed aan haar verhaal. Het gebeurde wel vaker dat een jonge meid die ’s avonds alleen in het Astridpark wandelde een kerel met minder goede bedoelingen achter zich aan kreeg. De belager, die ze zich niet meer kon herinneren, had haar bij de schouder vastgepakt maar ze had zich los weten te rukken en ze was erin geslaagd hem van zich af te schudden. De collega’s hadden haar verklaring genoteerd en gedacht dat de kous daarmee af was. Maar dat was zonder meneer Bombé gerekend. De missmaker tilde bijzonder zwaar aan het incident. Hij had er vanochtend aan de telefoon al mee gedreigd een politieke vriend in te schakelen, maar die had zich tot dusver niet gemeld.

‘Ik denk dat meneer Bombé gelijk heeft’, zei ze. ‘We doen er beter aan de onderzoeksrechter onmiddellijk van deze zaak op de hoogte te brengen.’

Versavel merkte dat Saskia het moeilijk had om niet in lachen uit te barsten. Hij zette een bezorgd gezicht op om de schijn hoog te houden en wendde zich tot de verongelijkte missmaker.

‘Ik wist niet dat het zo ernstig was’, zei hij met gefronste wenkbrauwen. ‘We doen onmiddellijk het nodige.’

De missmaker glimlachte. Zo hoorde het.

Toen de telefoon overging, kon Van In niet anders dan zelf opnemen. Er was niemand om het voor hem te doen.

‘Hallo. Met Van In.’

Het klonk niet bepaald vriendelijk. Hij had er immers een hekel aan dat mensen hem rechtstreeks belden. Zijn toon veranderde echter toen hij hoorde wie hij aan de lijn had.

‘Goedemorgen, meneer de procureur. Wat kan ik voor u doen?’

Het gebeurde niet vaak dat Beekman hem belde. Toch niet op dit uur. Hij wierp een vermoeide blik op de klok boven de deur. Het was amper kwart voor tien. De procureur was geen ochtendmens. Hij werkte liever laat door als de meeste magistraten al naar huis waren. Sommigen twijfelden eraan dat hij alleen bleef om te werken, anderen wisten het zeker maar iedereen hield wijselijk zijn mond. Het was een publiek geheim dat Beekman niet vies was van een jong blaadje en dat hij zich graag liet omringen door jonge stagiaires, jonge vrouwelijke stagiaires.

‘Ik bel je in verband met Hannelore. Alles gaat toch goed met haar?’

‘Ze is vandaag weer een beetje misselijk’, zei Van In terwijl hij nadenkend aan de onderkant van zijn neus krabde.

Beekman en Hannelore konden goed met elkaar opschieten en het was best mogelijk dat hij zich zorgen maakte over haar, maar het was nooit eerder gebeurd dat hij de moeite had genomen om hem persoonlijk te bellen en naar haar toestand te informeren.

‘Ze zou meer rust moeten nemen, Pieter. Ze is tenslotte geen vijfentwintig meer.’

Gelukkig maar, dacht Van In. Beekman had haar ooit proberen te versieren toen ze nog veel jonger was, op de nieuwjaarsreceptie van de jonge balie. Ze had hem kordaat afgewezen. Sindsdien waren ze gewoon vrienden.

‘Ik zal zeggen dat jij het gezegd hebt, Jozef’, lachte Van In.

Als Beekman hem bij zijn voornaam noemde, deed hij dat ook. Zo was de afspraak.

‘Als ik jou was zou ik haar een weekeindje meenemen naar een kuuroord. Vrouwen appreciëren zoiets. Dat weet je toch.’

Van In zag zichzelf niet een heel weekeinde rondlopen met alleen een badhanddoek om. Daar had hij het lijf niet voor. Massages bezorgden hem de kriebels en in een sauna kreeg hij het benauwd. Wat bezielde Beekman in godsnaam? Dat hij naar de toestand van Hannelore informeerde, tot daar nog aan toe, maar het kon toch niet dat hij alleen daarvoor belde?

‘We gaan volgende maand op vakantie en daar kijkt ze erg naar uit.’

‘Volgende maand is volgende maand. Volgens mij moet je nu iets ondernemen.’

Ik verdien niet zoveel als jij, wilde Van In zeggen. Het geleuter over de toestand van Hannelore begon hem stilaan de keel uit te hangen, maar hij durfde het gesprek niet te beëindigen.

‘A propos’, zei Beekman plotseling, nadat Van In hem uitvoerig had uitgelegd dat hij zich over Hannelore geen zorgen hoefde te maken. ‘Ken jij die kerel die missverkiezingen organiseert?’

Dat was het dus.

‘Frederik Bombé?’

‘Je kent hem dus.’

‘Nee. Ik weet alleen dat hij me wil spreken. Hij is net gearriveerd.’

‘En?’

‘Versavel probeert me uit de brand te redden.’

Het bleef even stil. Het was een bijzonder veelzeggende stilte. Beekman liet duidelijk aanvoelen dat hij het liever anders had gezien.

‘Ik kan die kerel natuurlijk ook zelf te woord staan’, zei Van In.

Hij kon de glimlach van Beekman bijna horen toen hij zei: Dat zou ik zeer waarderen, beste vriend.

‘Doe Hannelore de groeten en zorg goed voor haar.’

Het klonk oprecht. Van In hing op en wreef met zijn hand over zijn kin. Beekman had hem niet rechtstreeks om een gunst gevraagd. Integendeel, hij had er alles aan gedaan om zijn verzoek te camoufleren en dat verontrustte hem. Frederik Bombé was niet het soort man met wie een procureur zich doorgaans inliet, tenzij ze een gemeenschappelijk belang hadden.

‘We zitten met een probleempje’, zei Versavel, die net binnenkwam.

‘Bombé heeft machtige vrienden.’

‘Hoe kun je het raden.’

Versavel keek zijn vriend verbaasd aan. Hij geloofde in intuïtie en hij was de eerste om toe te geven dat Van In over die bijzondere gave beschikte, maar dit was een stapje te ver.

‘Beekman heeft net gebeld.’

‘Nu begrijp ik het. En?’

‘Stuur Bombé maar naar boven.’

Het was mooi weer. De zon scheen, de hemel was strak en diepblauw. Het harde licht deed Van In met zijn ogen knipperen. Versavel zette met een nonchalant gebaar zijn zonnebril op, een Porsche die hij van Luk cadeau had gekregen. Mooi weer heeft een weldoend effect op het humeur van de mensen. Vrouwen kleden zich sexy en mannen zeuren minder over hun werk. Zelfs Van In glimlachte toen een collega die hij niet kon luchten vriendelijk goedemorgen zei. Ze liepen over het Zand langs de grote fontein, waar toeristen verkoeling zochten in de fijne waternevel die zichtbaar naar beneden dwarrelde. Op zo’n moment deed Brugge een beetje denken aan Sevilla.

‘We mogen Bombé eigenlijk dankbaar zijn’, zei Versavel. ‘Anders hadden we de hele dag binnen moeten blijven.’

Van In knikte. De terrasjes aan de overkant van het Zand zaten al overvol, ondanks het vroege uur. De meeste mensen dronken bier of koffie. Hij had best trek in een Duvel, maar daar hadden ze nu geen tijd voor. De finalistes die meedongen naar de titel van Miss Flanders 2009 logeerden in een knus hotel aan de Lange Rei, en ze hadden Kira Konings beloofd dat ze nog voor de middag zouden langskomen. Daarna had ze geen tijd meer omdat ze samen met de andere meisjes de choreografie voor de finale moest inoefenen. Saskia had gelijk, zo erg was ze niet geblesseerd.

‘Het is gelukkig nog niet al te druk.’

Ze sloegen de Noordzandstraat in, waar het veel rustiger was dan in Zuidzandstraat, de parallelle winkelstraat waar het altijd koppen lopen was.

‘Hoe staat het met de voorbereidingen van het feest?’

‘Tot nu toe loopt alles perfect.’

‘Hebben jullie de ringen al gekocht?’

‘Nee’, zei Versavel.

‘Als ik jou was zou ik daar niet te lang mee wachten. Of ben je vergeten wat wij hebben meegemaakt?’

Van In was zijn ringen destijds veel te laat gaan kiezen, waardoor hun huwelijk bijna in het honderd was gelopen.

‘Maak je maar geen zorgen.’

Ze sloegen de Kuipersstraat in en liepen langs de stadsbibliotheek naar de achterkant van het theater waar ze rechts afsloegen.

‘Ik vraag me af wat die jonge meiden bezielt om zich als vee te laten keuren door een handvol macho’s die te oud en te lelijk zijn om nog een vrouw te versieren.’

‘Spreek je over jezelf?’

‘Ik heb al een mooie vrouw versierd, Guido.’

‘Weet je wel zeker dat jij haar hebt versierd?’

Ze lachten. Van In hield even halt om een sigaret op te steken. Hij had de verklaring die Kira had afgelegd nog eens grondig doorgenomen voor ze vertrokken en hij had zich daarbij twee vragen gesteld: wat deed een meisje dat Brugge niet kende om halfeen in het Astridpark en waarom had ze pas om halfvier de politie gebeld?

‘Is Luk niet te zenuwachtig?’

‘Dat valt best mee.’

‘En jij?’

‘Waarom zou ik zenuwachtig zijn? Luk en ik houden van elkaar. Volgend jaar verschijnt mijn eerste boek en het boerderijtje waar we straks gaan wonen, is bijna volledig gerenoveerd. Wat kan een mens zich meer wensen?’

‘Kinderen?’

Versavel draaide zich met een ruk om. Zijn ogen glansden zacht.

‘Heb ik dat nog niet verteld?’

‘Je bent toch ook niet zwanger?’ grinnikte Van In.

‘Nee, maar het scheelt niet veel.’

Luk had een goede vriendin, een actrice met wie hij vaak samenwerkte, die zich voorlopig niet meer aan een man wilde binden, toch niet aan een man die haar alleen wilde penetreren als hij gedronken had. Ze wilde weer alleen zijn. Toen Luk haar had gevraagd of zij hun kind wilde dragen, had ze onmiddellijk ja gezegd. Het was natuurlijk de vraag of ze dat nu nog meende, want toen ze die belofte maakte had ze flink wat alcohol op.

‘In dat geval worden we binnenkort allebei vader’, lachte Van In.

‘Vertel het alsjeblieft nog aan niemand. We weten bij lange nog niet zeker of ze het ook zal doen.’

‘Doen’, herhaalde Van In. ‘Bedoel je daarmee dat een van jullie het ook met haar zal moeten doen?’

‘Onnozelaar.’

Het hotel was ondergebracht in een oud pand. De rijk gemeubileerde hal ademde rust en luxe uit. De receptionist, een magere slungel met een metalen brilletje en een scherpe kaaklijn, begroette hen met een zuinig knikje.

‘Wat kan ik voor u doen, heren?’

Versavel droeg een uniform en ze hadden vooraf gebeld. De snaak wist heel goed wat ze kwamen doen, maar Van In bleef hoffelijk.

‘We hebben een afspraak met Kira Konings. Wilt u haar zeggen dat we er zijn?’

De receptionist probeerde niet te laten blijken dat hij niet veel ophad met de Brugse politie. Een nachtpatrouille had hem vorige week opgepakt wegens openbare dronkenschap en hem een nachtje in de cel gestopt. Het had geen haar gescheeld of het incident had hem zijn werk gekost. Kloteflikken.

Hij knikte, pakte de telefoon en tikte het kamernummer van Kira in. Het meisje liet amper twee minuten op zich wachten. Haar gezicht was bleek en haar ogen waren gezwollen van het huilen. Ze was niet echt knap, maar ze had een mooi figuur en gespierde, sportieve kuiten. Versavel wist van Luk dat een beetje make-up wonderen kon doen en dat meisjes die op de televisie kwamen vooral fotogeniek moesten zijn. Kira had ook iets onschuldigs en ook dat was een voordeel. Nogal wat oudere mannen, zeker het slag dat in de jury van missverkiezingen zetelde, hielden van kindvrouwtjes.

‘Goedemorgen, mevrouw Konings.’

Ze glimlachte verlegen toen Van In haar de hand drukte. Haar hand voelde ijskoud aan en benig. Ze was te mager, op het randje van anorexia, maar haar volle borsten maakten veel goed. Hormonen of siliconen. Het maakte niet uit. Ze had mooie borsten.

‘Ik ben commissaris Van In en dit is Guido Versavel, mijn assistent. We hadden u graag nog eens gesproken over het incident in het Astridpark.’

Hij wendde zich tot de receptionist, die deed alsof hij met de computer bezig was.

‘Kunnen we hier ergens rustig spreken?’ vroeg hij.

Dat kon. De receptionist leidde hen naar een kleine salon met verguld meubilair en een kristallen luchter die veel te groot was voor de kleine ruimte. Er stonden ook een paar knusse fauteuils en in een grote vitrine kon je een kleine collectie middeleeuwse kruiken bewonderen die arbeiders hadden opgegraven bij verbouwingswerken aan het hotel enkelejaren geleden.

‘Wensen jullie koffie?’ vroeg de receptionist.

Kira maakte een afwerend gebaar. Van In had net koffie gedronken, hij had alleen trek in een sigaret.

‘Ik wil wel een kopje’, zei Versavel.

Ze gingen bij het raam zitten. Kira sloeg haar benen over elkaar en legde haar handen in haar schoot. Waaraan zou ze nu denken? vroeg Van In zich af. Slachtoffers van geweldpleging realiseerden zich pas na een tijdje wat hen overkomen was of wat hen had kunnen overkomen als de overvaller zijn zin had gekregen. Het laatste leidde vaak tot meer frustratie dan het eerste.

‘Hebt u nog pijn?’ vroeg Van In.

Kira keek hem verbaasd aan. Voor zover ze zich herinnerde had ze nergens verklaard dat ze pijn had. Bezorgde mannen maakten haar meestal achterdochtig. De mannen die zij kende waren maar in één ding geïnteresseerd.

‘Mijn schouder doet nog een beetje pijn’, zei ze.

Van In glimlachte. Meisjes deden tegenwoordig stoer, maar het bleven meisjes. Zelfs Hannelore, die toch wel tegen een stootje kon, apprecieerde het dat hij iedere ochtend vroeg hoe ze zich voelde. En ze zei nooit nee als hij voorstelde om haar voeten te masseren. Hij had in de loop van de jaren geleerd dat de meeste vrouwen niet veel nodig hebben om zich gelukkig te voelen. Kira was geen uitzondering.

‘Het komt wel goed’, zei hij. ‘Blijft u nog lang in Brugge?’

Ze had een dergelijke vraag niet verwacht. Versavel evenmin. Ze fronsten allebei hun wenkbrauwen.

‘Tot na de verkiezing. Waarom vraagt u dat?’

‘Omdat ik van plan ben een oogje in het zeil te houden. Je weet maar nooit of uw belager u niet opnieuw probeert te benaderen. Er zijn gekken die het nooit opgeven.’

‘U denkt toch niet dat…’

‘We kunnen beter voorzichtig zijn, mevrouw Konings.’

Ze haalde haar handen uit haar schoot, plaatste ze op de rand van de fauteuil en boog lichtjes naar voren.

‘Ik heet Kira’, zei ze met een hese stem. ‘“Mevrouw” klinkt zo ouderwets.’

Het ijs was gebroken. Ze leunde ontspannen achterover en strekte haar benen waardoor haar bloes naar boven schoof en een streepje blote gebruinde buik liet zien. Van In had in een tijdschrift gelezen dat de finalistes twee weken in Jordanië hadden verbleven, waar een ploeg van specialisten hen had klaargestoomd voor de grote dag in Brugge. Ze hadden er leren lopen als mannequins, voor de camera poseren, dansen, interviews geven en spreken in het openbaar. Tussendoor hadden ze ook Petra bezocht en een cursus archeologie gevolgd. De missverkiezingen waarbij een meisje alleen met haar billen en haar borsten moest paraderen en onnozel voor de camera glimlachen, waren definitief achter de rug. Tegenwoordig moest een potentiële miss verschillende vreemde talen beheersen, hogere studies volgen en een of andere extreme sport beoefenen.

‘Brugge is een veilige stad, maar er zijn plekken die je ’s avonds toch beter mijdt, Kira. Het Astridpark bijvoorbeeld. Wat deed je daar eigenlijk zo laat? Ik dacht dat meisjes die deelnamen aan een missverkiezing vroeg naar bed moesten.’

Ze bloosde. Haar grote, donkerblauwe ogen glansden als lazuur, zodat je bijna niet meer merkte dat ze gezwollen waren.

‘De Romeinen dachten vroeger ook dat de Vestaalse maagden als nonnen leefden’, giechelde ze.

Meisjes die deelnamen aan missverkiezingen waren dus inderdaad niet meer zo dom. Vroeger moest je een klassieke opleiding hebben gehad om te weten wie of wat Vestaalse maagden waren. Hij ging er niet dieper op in. Wie weet keek ze gewoon vaak naar historische series op de televisie of naar films zoals Caligula.

‘Je bent dus uit geweest?’

‘Dat hebt u goed geraden, commissaris.’

Haar verklaring klonk logisch. Van In had zelf nooit geloofd dat al die meisjes die deelnamen aan een missverkiezing zich zomaar in een keurslijf lieten proppen.

‘Dan kwam je van L’Estaminet?’

L’Estaminet was de enige kroeg in de buurt die laat openbleef en die ook bij niet-Bruggelingen bekend was. Het lag voor de hand dat ze daar de avond had doorgebracht. Haar antwoord klonk echter niet overtuigend. Ze zei: Dat zal wel. En ze sloeg haar ogen neer.

‘Een bruin café’, verduidelijkte Van In. ‘Met houten tafels en stoelen, verweerde spiegels aan de muur en een groot biljart in het midden.’

‘U hebt gelijk’, zei ze.

Versavel draaide zijn hoofd in de andere richting. Hij wist evengoed als Van In dat er in L’Estaminet geen biljart stond. Kira loog. Waarom? Ze had niets te verbergen. Of toch? Als ze niet in L’Estaminet geweest was, waar was ze dan wel geweest? Van In dacht net hetzelfde als hij, maar hij deed voorlopig alsof hij haar geloofde.

‘Toen je wegging ben je door het park gelopen. Vond je dat niet een beetje riskant?’

‘Ik zou niet weten waarom ik dat riskant zou vinden’, reageerde ze luchtig. ‘Het park is behoorlijk goed verlicht en u zei net zelf dat Brugge een veilige stad is.’

‘Kira was misschien niet alleen’, suggereerde Versavel. ‘Mooie meisjes zie je zelden alleen.’

‘U vergist zich, hoofdinspecteur. Toch dit keer’, voegde ze er met een monkellachje aan toe.

‘Heb je eigenlijk een vriendje?’

‘Niet meer.’

Nico, haar vriendje met wie ze twee jaar was opgetrokken, kon het niet hebben dat ze meedeed aan de verkiezing van Miss Flanders. Daar lopen alleen profiteurs rond, had hij gezegd. Hij had gelijk gekregen, maar het was nu te laat om daarover nog te zeuren. Nico had haar de bons gegeven en troost gezocht bij haar beste vriendin. Ze had de breuk nog altijd niet verwerkt.

‘Mag ik ook weten waarom je de politie pas meer dan twee uur na de feiten hebt gebeld?’

‘Ik was in de war. Eigenlijk was er niets gebeurd. De kerel heeft me vastgegrepen en ik ben erin geslaagd om me los te rukken. Wie weet wilde hij me gewoon bestelen?’

Van In wilde haar niet tegen zich in het harnas jagen, maar het werd stilaan duidelijk dat een aantal dingen niet klopten. Kerels die ’s nachts een knappe meid aanvielen, waren meestal niet op geld uit.

‘Waarom ben je niet meteen naar het hotel teruggekomen?’

‘Ik heb eerst een paar sigaretten gerookt en daarna ben ik nog een café binnengestapt.’

‘Welk café?’

‘Dat weet ik niet meer.’

Het had geen zin om haar nog meer onder druk te zetten. Als ze er nu onderdoor ging, was al hun moeite tevergeefs.

‘We willen je alleen helpen, Kira. Dat geloof je toch?’

Het kon best dat ze niet loog over haar tijdsgebruik. Mensen die belaagd worden, weten vaak niet meer goed wat ze de uren erna hebben gedaan. Als Kira niet had gelogen over L’Estaminet, had hij haar waarschijnlijk met rust gelaten.

‘Zullen we samen buiten een sigaretje gaan roken?’ stelde hij op een vaderlijke toon voor.

Ze sloeg haar grote ogen op en keek hem onderzoekend aan, terwijl ze zich afvroeg of er mannen waren die ze echt kon vertrouwen. De commissaris had iets nonchalants wat haar aantrok en hij straalde een zekere rust uit. Voor zijn assistent hoefde ze helemaal niet bang te zijn. Die zou haar met geen vinger aanraken.

‘Waarom ook niet.’

Het was aangenaam buiten. Ze gingen op de kaaimuur zitten waar de zon scheen en ze ongestoord konden praten.

Van In bood haar een van zijn sigaretten aan. Zij glimlachte toen hij niet onmiddellijk een aansteker vond. Gelukkig had zij er een bij zich. Ze bediende hem eerst en nam daarna zelf vuur.

‘Ik heb eerst Frederik op de hoogte gebracht’, zei ze na de eerste trek. ‘Hij heeft me aangeraden de politie te bellen.’

‘Bombé?’

Ze knikte.

‘Hij wil niet dat we iets doen wat hij niet weet. Het staat zelfs letterlijk in ons contract.’

Kira begon nu honderduit te vertellen. De flik boezemde haar op een of andere manier vertrouwen in. Hij deed haar een beetje aan haar vader denken. Die kon ook urenlang onbewogen naar haar luisteren.

‘Ik wist niet dat jullie zelf ook moesten investeren’, zei Van In, nadat ze hem had uitgelegd hoe Frederik Bombé te werk ging.

Ze lachte. De meeste mensen wisten niet hoe missverkiezingen werden georganiseerd en zeker niet hoeveel geld ermee gemoeid was. In het begin werd aan de kandidates een kleine bijdrage gevraagd, maar dat bedrag werd stilaan groter naarmate ze dichter bij de finale kwamen.

‘Het draait allemaal om geld’, zei ze. ‘En Frederik is een gehaaide zakenman. Hij onderhandelt bikkelhard met de sponsors en hij legt zijn medewerkers een ijzeren discipline op. Wie hem een strobreed in de weg legt, kan opstappen. Op dat punt is hij onverbiddelijk.’

‘Maar hij is rechtvaardig.’

Ze lachte weer.

‘Dat zeggen ze toch.’

Van In stak een nieuwe sigaret op en bood haar er ook een aan. Het meisje charmeerde hem. Ze had een aanstekelijke glimlach en een uitstraling die hij moeilijk kon definiëren, tenzij als een combinatie van jeugdige overmoed en naïeve onschuld. Als hij twintig jaar jonger was geweest, was hij zeker voor haar charmes gevallen of hij had zich zeer zeker door haar laten inpalmen, maar hij was gelukkig geen twintig jaar jonger. Hij beschouwde de combinatie van jeugdige overmoed en naïeve onschuld als een gevaarlijke cocktail. Kira Konings was een meisje dat iedere man om haar vinger kon winden. Ze was zich daarvan bewust en toch vond hij haar sympathiek.

‘Ben je nog bang?’

Ze keek hem met grote ogen aan. Van In probeerde haar blik te peilen. Hij rook de angst.

‘Het is niet de eerste keer dat zoiets je overkomt?’

Ze schudde haar mooie hoofdje. Haar blik werd troebel. Er kwam een waas voor haar ogen dat oplichtte als een televisiescherm. Ze zag het allemaal weer opnieuw.

‘Ik ben ooit verkracht door mijn oom’, zei ze.

‘Hoe oud was je toen?’

‘Dertien.’

Van In schoof dichter bij haar en legde zijn arm om haar schouder. Hij voelde haar ranke schouders trillen.

‘Het was op een zondag. Mijn ouders waren niet thuis. Oom Jan kwam toevallig langs. Hij had dorst en vroeg of hij een glas water mocht drinken. Ik kwam net uit het bad. Ik had snel een jurkje aangetrokken, een katoenen niemendalletje waarmee je best niet in het licht gaat staan. Hij bekeek me. Ik was me van geen kwaad bewust. Ook niet toen hij zijn vingers door mijn natte haar haalde. Het was best gezellig, tot hij zijn hand op mijn dij legde. Ik versteende. Mijn stem stokte in mijn keel. Hij legde zijn andere hand op mijn schouder en duwde me achterover op de grond.’

Haar knappe gezichtje was verwrongen van de pijn, waarvan ze dacht dat ze die al jaren had verdrongen, maar ze herstelde zich snel.

‘Meisjes worden nu eenmaal ontmaagd’, reageerde ze luchtig toen Van In vroeg of ze nog last had van het trauma dat ze toen had opgelopen.

‘Heb je het ooit aan je ouders verteld?’

‘Nee. Oom Jan is de jongste broer van mijn vader. Mijn vader verafgoodde hem.’

‘Tja.’

De ervaring had geleerd dat ooms zich vaker aan hun nichtje vergrepen en dat zoiets meestal met de mantel der liefde werd bedekt. Het verhaal van Kira verbaasde hem niet, hij vond het alleen vreemd dat niemand er zwaar aan tilde. Een meisje van dertien verkrachten was geen fait divers. Volwassen mannen moesten meisjes van dertien met rust laten en naar de hoeren gaan als ze hun lusten niet onder controle konden houden.

‘Je hebt verklaard dat je niet meer weet hoe je belager eruitzag, maar dat geloof ik niet. Toch niet na wat je me nu verteld hebt.’

Ze sloeg haar ogen op en keek hem dankbaar aan.

‘U hebt gelijk, commissaris’, zei ze. ‘Het was een Chinees. Ik schat hem een jaar of dertig.’

‘Een Chinees’, herhaalde Van In. ‘Ben je daar wel zeker van?’

‘Heel zeker’, zei ze beslist.





2


‘Hoeveel Chinezen wonen er eigenlijk in Brugge?’

Na het gesprek met Kira had Van In voorgesteld een snack te gaan eten op het terras van café Vlissinghe. Het was er behoorlijk druk. Het grootste deel van de klanten waren toeristen, maar er zaten ook een paar Bruggelingen die gretig meeluisterden, want zo zijn Bruggelingen nu eenmaal.

‘Ik laat het Saskia onmiddellijk uitzoeken’, zei Versavel terwijl hij Van In met zijn wijsvinger duidelijk probeerde te maken dat hij wat stiller moest spreken, maar daar trok Van In zich natuurlijk niets van aan.

‘Voor zover ik het me kan herinneren heb ik zoiets nog nooit meegemaakt. Chinezen gokken en smokkelen, maar ze verkrachten geen westerse meisjes.’

‘Niemand zegt dat hij haar wilde verkrachten.’

‘Iemand beroven doen ze ook niet, Guido. Dat weet jij toch ook.’

‘Vermoorden wel.’

Drie hoofden draaiden in de richting van hun tafel. Een gepensioneerde man met een schrale snor en waterige oogjes fluisterde zijn partner, een oudere dame met een keurig blauw kapsel en een protserige armband, toe dat de kranten gelijk hadden. De Chinezen stonden op het punt om de beschaafde wereld te veroveren, niet alleen met goedkope namaakproducten, ze maakten zich eveneens klaar om de democratie omver te werpen. Dat ik daarom nog tegen den Duits heb gevochten, hoorde Versavel hem nog zeggen.

‘Waarom zou een Chinees een deelneemster aan de Miss Flanders verkiezing vermoorden?’

‘Geen idee.’

Van In nam een slok Duvel en stak een sigaret op. Procureur Beekman had hem gevraagd de zaak grondig uit te spitten en dat was op zich ook een beetje verdacht. Welke banden had Beekman met Bombé? De procureur mocht dan wel graag jonge vrouwen versieren, Van In kon zich niet voorstellen dat hij zich met toekomstige missen bezighield.

‘We zoeken het misschien te ver’, zei hij.

Grietje, de uitbaatster van café Vlissinghe, zette hen twee kommen spaghetti bolognese voor.

‘China is inderdaad heel ver’, lachte ze. ‘Nog een Duveltje, Pieter?’

Ze kende haar pappenheimers. De zon scheen en de zaak waarmee ze bezig waren, leek niet dringend. De kans was groot dat Van In de rest van de middag op het terras bleef rondhangen. Zo wist ze weer waarom ze belastingen betaalde.

‘Waarom ook niet? Wat neem jij nog, Guido? Perrier of water?’

Het was een flauw grapje. Versavel haalde zijn schouders op. Hij was de flauwe grapjes van zijn vriend gewoon. Bovendien had hij andere dingen aan zijn hoofd. Over exact tien dagen zouden hij en Luk trouwen en er was nog zoveel te regelen. De bloemen waren nog niet besteld en het was niet zeker of ze op huwelijksreis konden. De productie van de film waarvoor Luk de make-up verzorgde, had vertraging opgelopen en dat had al hun plannen in de war gestuurd. Dan maar een last minute, dacht hij. Van In haalde hem uit zijn overpeinzingen.

‘Weet jij of er op missverkiezingen geld wordt ingezet?’

‘Tegenwoordig kun je op alles gokken, Pieter.’

‘Misschien moeten we het in die richting zoeken. Chinezen zijn verslaafd aan weddenschappen.’

‘Misschien.’

‘Je klinkt niet erg overtuigd.’

‘Je had Kira kunnen zeggen dat er in L’Estaminet geen biljart staat.’

‘Dat had ik inderdaad kunnen doen’, gaf Van in toe.

‘Ik vraag me af waarom ze liegt.’

‘Ik ook, Guido. Ik ook.’

‘Denk je dat ze iemand probeert te beschermen?’

‘Daar heb ik aan gedacht.’

‘Bombé?’

‘Dat denk ik niet. Als Bombé er iets mee te maken zou hebben, zou hij niet aangedrongen hebben op een diepgaand onderzoek.’

‘Maar je vertrouwt hem niet.’

‘Nee. Er doen trouwens heel wat geruchten de ronde over zijn relatie met de meisjes.’

‘Een jaloerse concurrente? Ik dacht dat we een Chinees zochten.’

‘Wie zegt dat Kira de waarheid spreekt?’

‘Zo heb ik het nog niet bekeken. Waar logeert die kerel eigenlijk?’

‘In het Kempinski Hotel Dukes’ Palace.’

‘Die hebben vijf sterren’, floot Versavel.

‘Wat denk je?’ vroeg Van In.

Versavel haalde zijn schouders op. Hij had geen zin om de hele middag op het terras te blijven zitten.

‘We hebben toch niets anders te doen.’

‘Vooruit dan maar.’

Van In dronk zijn Duvel op en wenkte Grietje, die een eindje verderop stond te kletsen.

Zakenlui spenderen graag geld aan dure hotels. Aan de ene kant omdat zakenlui verwende kereltjes zijn, maar ook omdat ze over een ruime onkostenvergoeding beschikken die dan nog eens fiscaal aftrekbaar is. Sommige mensen vinden zoiets decadent, andere beweren dat de meeste luxehotels hun deuren wel kunnen sluiten als dergelijke onkosten niet meer fiscaal aftrekbaar zouden zijn. Ze hebben waarschijnlijk gelijk.

Toen Van In de hal van het Kempinski-hotel binnenstapte, stonden er twee heren voor hem aan de receptie. Ze droegen allebei een maatpak en de koffers die ze meezeulden waren van eerste keus kalfsleer. De ene sprak Frans, de andere Engels. Ze hadden het over de slechte kwartaalcijfers en de ongunstige winstprognoses van hun bedrijf, een probleem dat ze vanavond waarschijnlijk met een flesje chablis zouden doorspoelen. Als dat niet hielp, konden ze nog altijd troost zoeken bij een luisterbereide callgirl. Het leven kon hard zijn, zelfs voor de mensen die op het hoogste niveau beslissingen moesten nemen. Gelukkig hadden de sukkels die echt hard moesten werken om de tanende economie draaiende te houden geen tijd om zich daaraan te ergeren.

‘Wat kan ik voor jullie doen?’

De receptioniste, een meisje van een jaar of vijfentwintig met kort blond haar en een licht Noord-Nederlands accent, keek hen met een ingeoefende glimlach aan. Van In stelde zich voor en vroeg of ze de manager konden spreken. Het meisje knikte, nam de huistelefoon, toetste een nummer in en deed wat Van In haar gevraagd had. Ze kreeg onmiddellijk antwoord. De ingeoefende glimlach die tijdens het korte gesprek even was verdwenen, verscheen weer op haar niet onknappe gezicht.

‘Meneer Versyck komt eraan. U kunt ondertussen in de lounge plaatsnemen’, zei ze terwijl ze met uitgestoken hand naar de openstaande deur rechts van haar wees.

De lounge was, hoe kon het anders, chic gemeubileerd en bijzonder smaakvol aangekleed. In de hoek bij het raam zat een ouder paar een reisbrochure in te kijken.

‘Ze hebben er wel iets moois van gemaakt’, zei Versavel.

Het Kempinski Hotel Dukes’ Palace was zoals de naam deed vermoeden ondergebracht in een voormalig paleis, het paleis van de hertogen van Bourgondië, dat uit de veertiende eeuw dateerde. Het gebouw had ook geruime tijd als klooster gefungeerd, maar werd uiteindelijk in de jaren tachtig verkocht aan een rijke Oostendse vishandelaar. De man had er een tijdje gewoond met een veel jongere Vietnamese vriendin, die hem na een paar jaar in de steek liet. Het pand was toen zodanig in verval geraakt dat niemand nog wist wat ermee te doen, tot de prestigieuze hotelketen het wist te verwerven en weer in zijn oude glorie liet herstellen.

‘Ben je hier vroeger dan nog geweest?’ vroeg Van In.

‘Ik heb hier ooit nog een concert bijgewoond. Een benefietvoorstelling voor Artsen zonder Grenzen, als ik me niet vergis. Ik kan je verzekeren dat het er toen niet zo mooi uitzag. De renovatie moet een fortuin hebben gekost.’

‘Tja’, zuchtte Van In. ‘Het ziet er in ieder geval niet goedkoop uit.’

Een standaardkamer kostte al gauw vierhonderd euro, wat eigenlijk nog niet zo duur was voor een hotel met een dergelijke allure. In Parijs betaalde je minstens het dubbele van die prijs voor een vergelijkbare kamer.

‘Ik vraag me af of ze hier ook een bruidssuite hebben.’

Versavel keek dromerig voor zich uit. Luk hield van luxe en ze hadden nog geen idee waar ze hun eerste huwelijksnacht zouden doorbrengen.

‘Gewone stervelingen overnachten hier niet.’

‘Luk is geen gewone sterveling.’

‘Waarom maakt liefde een mens blind?’ sakkerde Van In.

‘Het is mijn portemonnee, Pieter.’

Versavel had zijn hele leven spaarzaam geleefd, tot hij Luk had leren kennen. Sindsdien profiteerde hij met volle teugen van het leven en daar kon Van In hem geen ongelijk in geven. Het leven was te kort om het door een futiliteit als ‘hoeveel kost onze bruidssuite’ te laten vergallen.

‘Ik denk dat meneer Versyck er aankomt.’

Bedrijfsleiders en managers dragen doorgaans grijze of donkerblauwe pakken. Albert Versyck vormde een uitzondering op die regel. Hij droeg een beige pak met een gestreepte das. Van In schatte hem een jaar of vijfenveertig en het was duidelijk aan zijn buikje te merken dat de manager van het Kempinski-hotel vaker in een restaurant at dan thuis. Hij had kort grijzend haar en kraaienpootjes rond zijn ogen, maar zijn stem was warm en hartelijk. Net als de glimlach waarmee hij hen begroette.

‘Kan ik u iets te drinken aanbieden?’ vroeg hij nadat ze elkaar de hand hadden gedrukt.

‘Graag’, zei Van In, die benieuwd was hoe de rest van het hotel eruitzag.

Ze liepen door de lounge naar de bar, die in het nieuw gebouwde gedeelte van het hotel was ondergebracht en vanwaar je een mooi uitzicht had op de keurig aangelegde tuin, die door enkele peperdure moderne sculpturen werd opgefleurd.

‘Ik weet dat zoiets delicaat is’, zei Van In toen de koffie werd geserveerd. ‘Maar u zou me een groot genoegen doen als u aan het onderzoek zou willen meewerken.’

Hij had Versyck net gevraagd of hij het personeel mocht verhoren dat de vorige nacht dienst had. Bij een moordzaak had hij zoiets kunnen eisen, maar gezien de omstandigheden – Kira had aan haar avontuur alleen een blauwe plek overgehouden – mocht hij al blij zijn als de hotelmanager de vragen wilde beantwoorden. Hij kreeg het antwoord dat hij had verwacht.

‘U moet begrijpen dat ik de privacy van mijn klanten niet mag schenden’, zei Versyck voorzichtig. ‘Maar dat belet niet dat ik zelf kan proberen een en ander voor u uit te vissen.’

‘Daar kan ik in komen.’

‘Fijn. Wat wilt u weten?’

‘Hoe lang logeert meneer Bombé hier al?’

‘Drie dagen.’

Versyck keek verbaasd op. Hij had een andere vraag verwacht.

‘Betaalt hij zelf voor zijn kamer?’

Bombé bazuinde geregeld zelf in interviews uit welke bedrijven zijn initiatief sponsorden. De directie van het Kempinski-hotel had om die reden beslist hem tijdens de campagne van Miss Flanders 2009 een gratis kamer aan te bieden. Ze waren niet ingegaan op de vraag of ze dat voor de twintig finalistes ook wilden doen. Dus zei Versyck hoe de vork in de steel zat.

‘Heeft meneer Bombé de voorbije dagen of nachten vrouwelijk bezoek op zijn kamer ontvangen?’

Die vraag had Versyck wel verwacht. Hij kende het antwoord niet, maar het was best mogelijk dat het positief was. De meeste mannen die alleen in luxehotels verbleven, hadden behoefte aan vrouwelijk gezelschap. Prostitutie mocht dan nog altijd bij wet verboden zijn, het was niet de taak van het hotelpersoneel om erop toe te zien dat de wet ook gerespecteerd werd.

‘Dat weet ik niet.’

‘Daarom heb ik gevraagd of ik het personeel mocht verhoren.’

Van In nam een slokje van de voortreffelijke koffie en pakte een pistachenootje van het zilveren schaaltje. Hij bestudeerde het eerst even voor hij het in zijn mond stopte.

‘U hoeft alleen ja of nee te zeggen’, voegde hij er fijntjes aan toe. ‘De rest zoek ik zelf wel uit.’

‘Ik ga ervan uit dat ik op uw discretie mag rekenen, commissaris Van In.’

‘Dat spreekt voor zich. Een goede flik geeft zijn bronnen nooit prijs.’

‘Dan zal ik zien wat ik voor u kan doen’, zei Versyck.

Hij kon zich niet permitteren om Van In met lege handen weg te sturen. Het hotel was amper een jaar open. Ze hadden er alle belang bij hun relatie met de politie niet te laten vertroebelen door een fait divers.

‘Dan neem ik later contact met u op’, zei Van In.

‘Ik geef u het nummer van mijn mobieltje.’

Versyck haalde een kaartje uit zijn binnenzak en overhandigde het aan Van In, die het op zijn beurt aan Versavel gaf.

‘Eigenlijk kan ik u evengoed zelf bellen’, zei hij.

‘Geen probleem.’

‘Dat is dan afgesproken.’

‘Het is in ieder geval een mooi hotel’, zei Van In toen ze vijf minuten later afscheid van elkaar namen. ‘Ik neem aan dat u ook over een bruidssuite beschikt?’

‘We beschikken niet alleen over een bruidssuite, we hebben ook een kapel. Zal ik u die laten zien?’

‘Misschien later’, glimlachte Van In met een knipoog naar Versavel.

Toen ze weer buiten waren nam Van In Versavel bij de arm.

‘Weet je wat?’ zei hij. ‘Ik doe jullie de bruidssuite cadeau. Dan moet jij me achteraf maar vertellen of het de moeite loont er onze huwelijksverjaardag te gaan vieren.’

Het gebeurde niet vaak dat het in september nog zo warm was dat de airco moest aanstaan. Hij stond op tweeëntwintig graden en toch had Johan Cosyns het gevoel dat de hitte hem verschroeide. Zijn keel was droog en er parelde zweet op zijn voorhoofd. Hij had zich vorige week medisch laten keuren, dat deed hij ieder jaar, maar de dokter had gezegd dat hij niets mankeerde. Zijn hart en zijn longen functioneerden meer dan behoorlijk, de bloedtests gaven geen abnormale waarden aan en hij had geen maagklachten. Dat hoorde ook zo op zijn leeftijd, hij was amper veertig, maar een mens wist maar nooit hoeveel stress een lichaam kon verdragen. Johan Cosyns werkte meer dan honderd uur per week, hij sliep slecht en hij at ongezond. Hij was het gewend om onder extreme druk te staan, een grote haven beheren was geen klein bier, de omzet van een grote haven met twintig procent laten stijgen was gekkenwerk. Toch had hij de uitdaging aangenomen. Als hij het contract binnenhaalde waarover hij meer dan twee jaar had onderhandeld, zou het containervervoer in Zeebrugge verdubbelen en met een miljoen stuks per jaar toenemen. Hij had alle mogelijke tegenslagen proberen in te calculeren en op alles wat kon mislopen proberen te anticiperen. En nu het doel binnen handbereik lag, wilde meneer Wulong Zhang de ondertekening van het contract met een week uitstellen. Om persoonlijke redenen, verdomme. Alleen een Chinees was in staat een miljoenencontract op de helling te zetten om persoonlijke redenen. De gedachte dat het hele project op de valreep dreigde te mislukken joeg de adrenaline van zijn bijnieren naar de fijnste vezels van zijn lichaam. Hij ging aan zijn bureau zitten, veegde het zweet van zijn voorhoofd en drukte op de knop van de intercom. De stem van zijn secretaresse klonk helder en beschaafd.

‘Wat kan ik voor u doen, meneer Cosyns?’

‘De minister bellen.’

Ze vroeg niet welke minister ze moest bellen. Als Cosyns dé minister zei, wist ze welk nummer ze moest kiezen.

‘Komt in orde’, zei ze.

Cosyns rookte zelden of nooit, maar als de druk hem dreigde te verpletteren rookte hij soms tien sigaretten na elkaar. Hij trok de bovenste lade van zijn bureau open, pakte een fraai houten kistje, dat zijn zoontje van twaalf hem voor vaderdag cadeau had gedaan, klapte het deksel open en koos een sigaret uit het assortiment dat zijn secretaresse af en toe aanvulde. Zij wist immers als geen ander wanneer hij het moeilijk had. Na twee trekken zoemde de intercom.

‘De minister is voorlopig onbereikbaar, maar zijn secretaris heeft me verzekerd dat hij u zo snel mogelijk terugbelt.’

Cosyns vloekte in het plat Brugs, drukte zijn sigaret uit en stak onmiddellijk een nieuwe op. Hij inhaleerde diep en blies de rook langzaam door zijn neus uit. ‘Festina lente.’ Zijn leraar Latijn had hem de oude jezuïetenwijsheid ingepompt. Je bent een briljante student, Johan, maar je mag je niet laten leiden door overhaaste beslissingen. Hij was de woorden van zijn leraar nooit vergeten. Festina lente, haast je langzaam. Hij had pijlsnel carrière gemaakt. Zijn gezin leek perfect en hij genoot aanzien tot in de hoogste kringen. Zelfs de koning sprak hem aan met zijn voornaam, hoewel hij wat last had met de ‘h’. Wat zou jij doen in mijn plaats, papa, vroeg hij zich af. Zijn vader was vijf jaar geleden onverwacht gestorven. Zijn hart had het begeven. Hartaandoeningen zaten in de familie. Zijn grootvader en zijn oudste oom waren eraan bezweken. Hij drukte zijn sigaret uit, ging voor het raam staan en haalde diep adem. Het leek of hij zuivere zuurstof inademde. Zijn hoofd begon te tollen. Hoe lang was het ook al weer geleden dat hij nog gerookt had? Zes maanden? En hij had zoals gewoonlijk het ontbijt overgeslagen. Was het wel verstandig om de minister te bellen? Veel problemen lossen zich vanzelf op. Festina lente, en als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Ook hij ontsnapte niet aan de eeuwige clichés. Wat was het leven anders dan een cliché, een doordruk van alles wat geweest was en alles wat nog komen moest? Hij ging weer aan zijn bureau zitten en drukte op de knop van de intercom.

‘Je hoeft geen moeite meer te doen. Ik bel de minister zelf wel.’

Johan Cosyns borg het sigarettenkistje weer op in de lade. Chinezen waren lichtgeraakt en je hoefde niet veel verkeerd te doen om hen te krenken. Hij kon meneer Wulong Zhang beter nog wat tijd gunnen en hopen dat het probleem zichzelf oploste.

Saskia droeg een zijden jurkje dat soepel om haar lichaam viel en modieuze schoenen van Replay. Van In had veel zin om haar een complimentje te maken, maar tegenwoordig kon je daar beter voorzichtig mee zijn. Er waren vrouwen die voor minder een klacht wegens ongewenste seksuele intimiteiten indienden. Niet dat Saskia zoiets zou doen. Ze hield van complimentjes, maar hij deed het toch maar niet. Hij vroeg haar alleen hoe het met het onderzoek naar de Chinezen ging. Ze glimlachte, pakte een mapje van haar bureau en kwam spontaan bij hem staan.

‘Er wonen zesenveertig Chinezen tussen vijfentwintig en vijfendertig jaar in Brugge en omgeving’, zei ze.

‘Wat bedoel je met Brugge en omgeving?’

Ze somde een aantal randgemeenten op. De meeste Chinezen werkten in Chinese restaurants, maar er waren ook een paar studenten bij en twee gidsen die toeristen rondleidden en Nederlands spraken.

‘Wat denk je, Guido?’

Versavel haalde zijn schouders op. Het was een belachelijke kwestie. Het slachtoffer was ongedeerd. Geen redelijk mens mocht verwachten dat ze aan een dergelijk onderzoek evenveel tijd en mankracht besteedden als aan een moordonderzoek. Zelfs de procureur niet.

‘Met al de Chinezen, maar niet met den dezen’, reageerde hij laconiek.

‘We moeten iets doen, Guido. Je kent Beekman toch.’

Procureur Beekman was geen man die zich tevreden stelde met een pv dat in vage bewoordingen was opgesteld of te mager was gedocumenteerd. En hij had zich persoonlijk met de zaak bemoeid. Van In had er met Hannelore over gesproken en zij had net als Versavel haar schouders opgehaald. Ze kende de reputatie van Beekman. Slapende honden maak je maar beter niet wakker, had ze gezegd.

‘Ik kan er een paar namen uitpikken’, stelde Saskia voor.

Van In trok zijn wenkbrauwen op. En ook Versavel keek verbaasd. Ze begrepen allebei niet goed wat ze bedoelde.

‘Dan zal ik het maar uitleggen’, zuchtte Saskia toen ze hen verbaasd zag kijken. ‘Jullie verhoren een paar willekeurige Chinezen, ik tik alles uit en daarna maken we het hele zootje over aan het parket. Hoe meer papier, hoe beter.’

‘En dan?’

‘Dan wachten we gewoon af’, zei ze kordaat. ‘Als de procureur geen bijkomende onderzoeksdaden beveelt, is de zaak rond en kunnen jullie weer rustig van het mooie weer genieten.’

‘Hoe lang werk je hier eigenlijk al?’ vroeg Van In met een zekere bewondering.

‘Vijf maanden en achttien dagen.’

‘Geef toe dat ze in die tijd veel heeft geleerd’, zei Van In met een knipoog naar Versavel. ‘Sommige collega’s doen er tien jaar over voor ze erachter komen hoe ze die kerels bij het parket moeten sussen.’

‘Is dat een compliment?’

‘Ik denk het wel’, zei Van In. ‘En voor ik het vergeet, je hebt een leuk jurkje aan.’

De twintig finalistes stonden keurig in het gelid. In twee rijen van tien. Frederik Bombé schouwde zijn troepen met de ernst van een oud-generaal. De vleesbrigade, dacht hij met een monkellachje. Ze trokken hun buik in en hielden hun adem op toen hij voorbijliep en ze durfden hem amper aan te kijken. Frederik was God.

‘Ik ben heel tevreden met deze lichting’, zei hij met een stentorstem. ‘Jullie beschikken allemaal over de kwaliteiten om de nieuwe Miss Flanders te worden. De tijd dat mensen op jullie neerkeken is definitief voorbij.’

Vier van de meisjes hadden een universitair diploma, vijftien studeerden nog aan een of andere hogeschool. Alleen Kira was een buitenbeentje. Zij had er na de middelbare school de brui aan gegeven en het als model proberen waar te maken. Ze had een opdracht weten te versieren bij een bekende fabrikant van lingerie, maar om internationaal door te breken schoot ze tekort. Letterlijk. Om het als model te maken moest je minstens een meter vijfenzeventig groot zijn en hoewel ze amper twee centimeter kleiner was, ving ze overal bot. Wie kleiner was dan een meter vijfenzeventig mocht een carrière als professioneel model vergeten. De Miss Flandersverkiezing was de enige manier om voor de schijnwerpers te treden en die kans had ze met beide handen gegrepen.

‘Het is precies daarom dat we – Bombé bediende zich graag van de pluralis majestatis – jullie intellectuele capaciteiten evenzeer in de verf willen zetten als de fysieke schoonheid waarmee jullie allemaal van nature begiftigd zijn.’

Niemand van de meisjes nam hem zijn archaïsche taalgebruik kwalijk. Integendeel, hij had op die manier al menige meid zijn bed in gepraat.

‘De jury is zich daarvan terdege bewust. Ze zullen jullie het vuur aan de schenen leggen. En dat bedoel ik natuurlijk niet letterlijk’, voegde hij er met een zelfvoldane glimlach aan toe. ‘Het is allemaal een kwestie van voorbereiding. Lees de kranten en volg de actualiteit op de televisie. Probeer nooit harde standpunten in te nemen als je die niet kunt motiveren. Laat je niet meeslepen door je gevoelens, ga niet in op gevlei, wees jezelf maar word nooit overmoedig. Humor mag. Vermijd gespeelde emotie en wees nooit arrogant. Een glimlach zegt meer dan tien moeilijke woorden.’

Hij ratelde zijn preek af als een geboren dominee. Zelfs Mozes had hem benijd. De raadgevingen van Bombé klonken authentieker dan de tien geboden. Tenminste, dat vond hij zelf.

‘Het is natuurlijk ook van het allergrootste belang dat jullie mooi bewegen. Lompheid is de ergste doodzonde die je kunt bedrijven.’

De meisjes glimlachten. Dat deden ze al de hele tijd. Zo had God het voorgeschreven. En God zag dat het goed was. Hij rondde zijn toespraak af met een boutade die hij zelf bedacht had: ‘Een echte miss is een Bombé-miss.’

De meisjes applaudisseerden lang en enthousiast. Ook dat was voorgeschreven. Bombé nam het applaus welwillend in ontvangst. Daarna mochten ze eindelijk naar de kleedkamer.

‘Ik dacht dat we dansles zouden krijgen’, zei een van de meisjes terwijl ze met een luchtig gebaar haar beha afdeed en over de leuning van een stoel hing.

‘Ik heb gehoord dat de leraar ziek is’, zei een ander.

‘Of Bombé heeft hem niet betaald.’

Die opmerking werd met een langgerekt ‘ssst’ gesmoord. Het zou niet de eerste keer zijn dat Bombé hun gesprekken in een aangrenzende kamer afluisterde. Er waren zelfs meisjes die beweerden dat hij hen af en toe begluurde.

‘Ik vind dat meneer Bombé voortreffelijk werk doet’, zei Kira. ‘Zonder hem waren we allemaal in het kermiscircuit blijven steken. Ik ben hem in ieder geval dankbaar dat hij me de kans heeft gegeven om straks voor een groot publiek op te treden.’

‘Ja, dat zal wel’, klonk het cynisch.

‘Wat bedoel je daar nu mee, Lotte?’

Lotte was tweeëntwintig. Ze had moderne talen gestudeerd en nam naar eigen zeggen alleen voor de lol deel aan de missverkiezing. Zij had op alles en iedereen kritiek.

‘Dat je Bombés reet zou kussen, als hij het je vroeg.’

Kira voelde het bloed naar haar slapen stuwen. Ze had het nooit onder stoelen of banken gestoken dat ze er alles voor overhad om Miss Flanders 2009 te worden. Sommige meisjes vermoedden dan ook dat ze hem al op zijn wenken had bediend, maar dat was geen reden om haar in het openbaar te beledigen.

‘Ik kus liever zijn reet dan die van jou’, siste ze. ‘Hoewel iedereen weet dat jij dat best leuk vindt. Nietwaar, Cynthia? Of zijn jullie vergeten wat er in Jordanië is gebeurd?’

‘Kreng.’

Het gegniffel van de andere meisjes bewees dat ze gelijk had. Ze wisten allemaal wat er in Jordanië gebeurd was. Samen een bad nemen was één ding, elkaar een tong draaien was moeilijk voor een andere interpretatie vatbaar.

‘Kreng klinkt beter in het meervoud’, riep Kira. ‘Pot ook’, voegde ze er honend aan toe.

Cynthia viel aan als een hongerig roofdier. Snel en genadeloos. Ze haalde uit met haar lange nagels. Kira kon ze op het nippertje ontwijken, voor ze onherstelbare schade aanrichtten. Dit was geen schermutseling. Het was menens. De twee meisjes stonden nu oog in oog, met hun handen beschermend voor hun gezicht. Ze wisten allebei dat één schram op een zichtbare plek hen fataal kon zijn. De spanning steeg.

‘Zijn lul hangt nog in je kut, trut’, schreeuwde Cynthia schor.

Ze sperde haar ogen wijd open en stak haar onderlip dreigend naar voren. Kira bekeek haar tegenstandster met een minachtende blik.

‘Vuil tettenwijf.’

Ze kreeg onmiddellijk lik op stuk, maar iedereen besefte dat het niet bij een verbaal duel zou blijven.

‘Bombéslet.’

‘Vuile Flapdeur.’

Ze bewogen in een cirkel als gieren om een prooi. De andere meisjes, de meeste waren ondertussen volledig aangekleed, vormden een grote kring om het vuilbekkende paar. Het kon hun eigenlijk niet schelen wie de krachtmeting won. Ze hoopten alleen dat ze elkaar schade toebrachten, want zowel Kira als Cynthia maakte behoorlijk veel kans om het kroontje in de wacht te slepen. Een gevecht tussen twee gedoodverfde winnaressen was een gedroomde kans om een belangrijke concurrente uit te schakelen.

‘Krab de vellen van haar smoel’, klonk het.

‘Sla haar neus plat.’

‘Bijt haar tepels af.’

Kira hield haar tegenstandster scherp in de gaten. In haar cv stond dat ze van discodansen en skiën hield. Dat maakte haar misschien lenig en snel, maar om te vechten moest je koelbloedig blijven. De razernij in haar ogen was een slecht teken. Ze hijgde en haar mond was verwrongen van haat. Kira had op haar veertiende, zes maanden nadat oom Jan haar verkracht had, karateles genomen. Ze had het niet echt lang volgehouden omdat de leraar haar ook niet met rust kon laten, maar ze had toch een en ander van hem opgestoken.

‘Je liefje is je nu al ontrouw’, siste ze.

Het was een oude truc, maar hij werkte. Cynthia’s ogen flitsten naar haar vriendin, die een beetje beteuterd stond toe te kijken. Ze besefte te laat dat ze erin was getrapt. Kira trof haar met haar vuist op de linkerslaap. Het was een doffe klap die haar eerst niet leek te deren. Ze schudde met haar hoofd. Kira aarzelde niet. Ze haalde uit met haar voet en trof haar tegenstandster vol op borst.

‘Maak haar af’, riepen de meisjes in koor.

Cynthia stond te wankelen op haar benen en ze keek als een dronkenman om zich heen, maar ze mankeerde zichtbaar niets. Haar hoofd zat vol ballast en ze had moeite om te ademen. Ze zette nog een stap naar voren, zakte door haar knieën. Niemand kwam haar helpen, zelfs haar vriendin niet. Toen viel ze op haar zij. Bewusteloos.

Nu kwam er wel reactie. Een van de meisjes, die verpleegkunde studeerde, probeerde Cynthia met een natte handdoek weer bij bewustzijn te brengen. Toen dat niet onmiddellijk lukte, riep ze wanhopig dat iemand een ambulance moest bellen.

‘Ik weet iets beters.’

Een van de meisjes kwam met een plastic fles aangelopen die ze in het bezemhok had gevonden.

‘Ammoniak’, zei ze. ‘Daar krijg je zelfs een nijlpaard mee wakker.’

Ze kreeg gelijk. Een snuifje was voldoende. Cynthia kwam armwiekend en stampvoetend weer tot leven.

De zon scheen nog volop toen Kira naar buiten liep. Het incident was gelukkig met een sisser afgelopen. Behalve een blauwe plek op haar borstbeen had Cynthia aan het gevecht geen zichtbaar letsel overgehouden. Ze was knarsetandend afgedropen en daarmee was de kous af. Zelfs Bombé, die de meisjes anders scherp in de gaten hield, had blijkbaar niets gemerkt, want toen ze hem was voorbijgelopen, had hij vriendelijk geknikt. De geile bok.

‘Je kunt in ieder geval je mannetje staan.’

Ze draaide zich om en keek in de ogen van het meisje dat voor de ammoniak had gezorgd.

‘Jij bent Louise. Of vergis ik mij?’

‘Nee, je vergist je niet.’

Louise was bijna even groot als zij. Ze had bijna hetzelfde kapsel, alleen de kleur van haar ogen was anders. Kira had blauwe ogen. Louises ogen waren grijsgroen.

‘Die Cynthia is een tuttebel’, zei ze.

Zijn we dat niet allemaal, wilde Kira zeggen. Ze glimlachte in de plaats. De twintig finalistes die meedongen naar de titel van Miss Flanders trokken al drie maanden met elkaar op. Ze sliepen in dezelfde hotels, ze aten aan dezelfde tafel en in hun schaarse vrije tijd kwebbelden ze aan één stuk door. Het was bijna beangstigend dat ze elkaar niet beter kenden.

‘Ik had me moeten beheersen’, zei Kira.

Het gevecht had haar duur te staan kunnen komen. De kans was weliswaar klein dat Bombé haar uit de competitie zette, maar zijn stem woog zwaar bij het eindverdict. Ze had beter moeten weten.

‘De rest zal je nu in ieder geval met rust laten.’

De concurrentie tussen de meisjes was moordend. Ze schuwden geen enkel middel om elkaar te dwarsbomen. Wie voor het voetlicht wilde treden moest de anderen in een slecht daglicht plaatsen. Dat wisten ze allebei. Toch voelde Kira een zekere sympathie voor Louise.

‘Zin om iets te gaan drinken?’

Louise knipperde met haar wimpers alsof ze nadacht, maar ze antwoordde spontaan.

‘Graag’, zei ze.

Een mooie meid kon er doorgaans donder op zeggen dat ze bekeken en gekeurd werd. Twee mooie meiden deden het verkeer vertragen. Ze liepen langs de Lange Rei naar het centrum, maar toen ze café In de Reisduif passeerden, bleef Kira staan.

‘We kunnen evengoed hier iets drinken’, zei ze.

Café In de Reisduif was een bruin café waar hoofdzakelijk mannen over de vloer kwamen. Alle hoofden draaiden bijgevolg synchroon naar de voordeur toen ze binnenkwamen. Ze gingen aan de ouderwetse tapkast zitten en bestelden koffie. De mannelijke klanten namen de draad van het gesprek weer op, maar in plaats van over de levensduurte en over voetbal te lullen, hadden ze het nu over de prijs van een doodzonde.

‘Het gerucht doet de ronde dat je bent aangerand in het park’, zei Louise. ‘En dat je aan je belager wist te ontsnappen. We weten nu allemaal waarom’, voegde ze er glimlachend aan toe. ‘De kerel die jou zou kunnen verkrachten moet waarschijnlijk nog geboren worden.’

‘Ik denk niet dat hij me wilde verkrachten.’

‘Wat wilde hij dan wel?’

Kira liet haar stem zakken en kwam met haar lippen tot vlak bij Louise.

‘Ik denk dat hij me wilde vermoorden.’

‘Dat meen je niet.’

‘Toch wel. Hij probeerde mijn keel dicht te knijpen. Ik kon niets doen. Het was pas toen hij in mijn ogen keek dat zijn greep verslapte en ik kon ontsnappen.’

‘Wie zou jou willen vermoorden?’

Kira haalde haar schouders op.

‘Geen idee’, zei ze.

‘Je hebt de politie toch alles verteld?’

‘Ik heb alleen verklaard dat hij me heeft vastgegrepen en dat ik me heb weten los te rukken.’

‘Waarom heb je dat in godsnaam gedaan? Straks probeert hij het opnieuw.’

Kira nipte van haar koffie.

‘Als ik Miss Flanders 2009 wil worden, kan ik dat soort negatieve pers best missen’, zei ze.

Louise reageerde niet. Ze was even vergeten dat ze concurrenten waren.





3


Liu Xin was tweeëndertig. Hij woonde al meer dan twee jaar in Brugge en sprak goed Nederlands. Het was dus normaal dat hij als eerste aan de beurt kwam. Van In hoefde geen tolk te vorderen en dat was meegenomen, zeker in dit stadium van het onderzoek.

‘Als ik het goed begrijp, geeft u Chinese toeristen een rondleiding door de stad. Ik wist niet dat er ook Chinese toeristen Brugge kwamen bezoeken. Wist jij dat, Guido?’

Ze zaten in een kale kamer van amper twaalf vierkante meter, een studio zoals dat heette. De eigenaar van het pand had in de kamer ook een hok laten timmeren dat als badkamer en wc dienstdeed. Hoewel het stadsbestuur de oorlog had verklaard aan huisjesmelkers, was het nog altijd vrij eenvoudig om zo’n studio te huren, zeker in de randgemeenten, waar de controles minder strikt waren. Liu Xin deed niet moeilijk over zijn huisvesting. In zijn land, dat toch een snelle economische groei kende, was een leefruimte met een oppervlakte van twaalf vierkante meter per persoon nog altijd een ongelooflijke luxe. Niemand zou hem horen klagen. Hij betaalde zonder morren de huur, die vergeleken bij de prijzen in de binnenstad bijzonder laag was.

‘Je ziet ze nog niet vaak, maar ik denk wel dat ze er aankomen’, zei Versavel.

Liu Xin beaamde de stelling van Versavel met een knikje. De toeristische industrie in zijn land stond nog in de kinderschoenen, maar daar zou gauw verandering in komen. De middenklasse die over voldoende geld beschikte om op reis te gaan, groeide gestadig aan en het regime was niet langer afkerig van het idee dat Chinezen naar het buitenland op vakantie gingen. In tegenstelling tot vroeger, toen zijn land gebukt ging onder een communistische dictatuur, keerden de reizigers tegenwoordig naar huis terug en ze deden in het buitenland nuttige kennis op.

‘Maar jij bent geen toerist.’

In China is het onbeleefd om een vraag botweg met nee te beantwoorden. Daarom zei Liu Xin: Ik ben student.

‘Ik studeer economie aan het Vlerick-instituut in Gent.’

De manier waarop hij Vlerick zei, deed Van In glimlachen. Het cliché klopte dus toch, Chinezen hadden moeite met het uitspreken van de r.

‘Dat is niet mis, meneer Liu Xin.’

Het Vlerick-instituut genoot wereldfaam en liet alleen de knapste koppen toe.

‘Dank u, commissaris.’

Hij boog lichtjes het hoofd. Een ander cliché is dat Chinezen bijzonder gevoelig zijn voor complimentjes.

‘Ik beschik over een beurs, maar die is jammer genoeg ontoereikend om in al mijn levensbehoeften te voorzien’, zei hij. ‘Daarom probeer ik een centje bij te verdienen. Ik laat mijn landgenoten kennismaken met uw prachtige stad. En ik kan u verzekeren dat ze dat bijzonder waarderen.’

Midden in de kamer stond een tafeltje van Ikea dat Liu Xin voor een prikje in de kringloopwinkel had gekocht, daarop een kannetje groene thee en drie kopjes. Daar moesten ze nu van drinken. Van In glimlachte alvast toen Liu Xin hem een kopje aanreikte. Het leven van een speurder kon hard zijn, maar tot zijn verbazing smaakte het brouwsel lekkerder dan hij had verwacht.

‘Er is eergisterennacht een meisje aangerand in het Astridpark’, zei hij nog altijd met een glimlach op zijn gezicht. ‘Volgens haar was de dader een Chinees.’

‘Dan kan ik u geruststellen, commissaris. Ik ben eergisteravond niet buiten geweest.’

Van In wist niet goed hoe hij Liu Xin moest uitleggen dat een dergelijk alibi waardeloos was, maar de Chinees was hem voor.

‘Ik was niet alleen.’

Hij veerde op, haalde zijn portefeuille uit zijn achterzak en liet Van In een foto zien van een westers meisje met lang zwart haar en dunne, donkerrode lippen.

‘Mijn vriendin’, zei hij niet zonder enige trots. ‘We hebben samen de nacht doorgebracht. Het was haar verjaardag, moet u weten.’

De Chinezen overspoelen onze markt niet alleen met goedkope spullen, ze halen ook onze kostbare grondstoffen weg en als ze hier twee jaar wonen, palmen ze onze meiden in, hoewel ze zelf met een overschot aan vrouwen kampen. Het klonk een beetje als een slogan voor een extreem-rechtse partij, maar zo bedoelde Van In het niet. De relatie tussen Liu Xin en het zwartharige meisje haalde zijn hypothese onderuit dat Chinezen niet op westerse meisjes vielen.

‘Ik neem aan dat uw vriendin dit ook zal bevestigen.’

Hij vroeg voor alle zekerheid haar naam en haar adres. De kans was klein dat Liu Xin loog, maar hij was de wijze raad van Saskia indachtig. Hoe meer papier ze produceerden, hoe sneller ze bij het parket tevreden waren.

‘Hebben jullie ook contact met elkaar?’

Liu Xin deed zijn best om niet verbaasd te kijken. Als je een meisje beter leerde kennen, was het toch normaal dat je contact met haar had. België stond toch bekend om een grote seksuele vrijheid. Of hadden ze daar bij de politie een andere mening over?

‘De commissaris wil weten of u ook nog contact hebt met andere landgenoten die hier in de buurt wonen’, zei Versavel, die aanvoelde dat Liu Xin Van In verkeerd had begrepen. Hij had gelijk. De Chinees glimlachte fijntjes.

‘Er wordt af en toe wel iets georganiseerd. Met Nieuwjaar bijvoorbeeld.’

‘Zo bedoelde ik het inderdaad’, knikte Van In met een scheve blik naar zijn vriend.

‘Om meer daarover te weten moet u bij meneer Deng zijn’, zei Liu Xin. ‘Hij heeft een restaurant in de binnenstad.’

Versavel noteerde de naam van het restaurant en de naam van de eigenaar. Hij kende het adres. Hij en Luk gingen er minstens één keer per maand eten.

‘Weet je wat we doen’, zei Versavel toen ze vijf minuten later weer op straat stonden. ‘We gaan er vanavond samen eten. Ik nodig jullie allebei uit. Dan kunnen we rustig met meneer Deng praten en valt het niet op dat we met een onderzoek bezig zijn. Bovendien worden Chinezen veel spraakzamer als je hun eerst iets gunt.

Van In stak een sigaret op. Hij hield niet echt van Chinees eten, maar Hannelore wel. En het was al een poosje geleden dat hij haar nog had verwend.

‘Om hoe laat spreken we af?’

‘Wat denk je van zeven uur?’

‘Bij mij of bij jou?’

‘Jij woont dichterbij’, zei Versavel.

Ze stapten in de auto. Versavel klikte zijn veiligheidsgordel vast en draaide de contactsleutel om. De motor van de oude Golf kwam met een dof gegrom tot leven. Hij manoeuvreerde de wagen uit de krappe parkeerplaats en leunde daarna ontspannen achterover in zijn stoel. Van In deed het raampje open en gooide zijn sigaret naar buiten. Een voetganger die de peuk net voor zijn voeten kreeg, keek boos op. In normale omstandigheden had hij de onverlaat in de Golf de huid vol gescholden. De blauwe streep die overlangs over het dak liep deed hem daarvan afzien. Hij had een paar jaar geleden een boete gekregen wegens smaad aan de politie en dat was hem zuur opgebroken.

‘En dat allemaal om Beekman een genoegen te doen’, zuchtte Van In.

‘Je denkt toch niet dat hij er iets mee te maken heeft?’

‘Waarom neemt hij het dan op voor Bombé?’

‘Je gaat toch weer niet beginnen zeker.’

‘Het is de eerste keer niet dat Beekman zijn kont verbrandt’, snoof Van In.

De procureur werd wel eens in een bar gesignaleerd, maar Versavel kon zich moeilijk voorstellen dat Bombé hem in de tang had omdat hij met een van de toekomstige missen had gerotzooid.

‘Hij heeft je toch niet onder druk gezet.’

‘Nee. Maar hij heeft me niet veel keus gelaten.’

Versavel haalde zijn schouders op. Het was evengoed mogelijk dat Bombé een oude klasgenoot was en dat de procureur hem alleen daarom een dienst had willen bewijzen.

‘Je zoekt het veel te ver, Pieter.’

‘Misschien heb je gelijk’, zei Van In. ‘We moeten die Chinees proberen op te sporen.’

Versavel keek zijn vriend ongelovig aan. Ze kenden elkaar nu al bijna twintig jaar en ze hadden samen al door vele watertjes gezwommen. Van In was milder geworden naarmate hij ouder werd, maar hij bleef onvoorspelbaar.

‘Eerst heb je geen zin om de zaak te onderzoeken en nu wil je die Chinees zeker zien te vinden. Ik begrijp er niets meer van.’

‘Ik denk dat het verhaal van Kira niet klopt.’

‘Je denkt het of je bent ervan overtuigd.’

Van In glimlachte, draaide het raampje weer open en stak een sigaret op. Tot groot ongenoegen van Versavel.

‘Ik wist dat ik op jou kon rekenen, Guido.’

‘We gaan dus nog niet terug naar kantoor.’

‘Nee’, zei Van In.

Er stonden twee gasten bij de receptie van het Kempinski Dukes’ Palacehotel. Ze spraken Duits en het was te horen dat ze niet tevreden waren. Het meisje achter de balie bleef echter glimlachen en deed haar uiterste best om de geëxalteerde Teutonen te kalmeren. Van In begreep voldoende Duits om haar te verstaan. Het ging over een spin in de badkuip. Als hij het goed begreep, hadden twee medewerkers van het hotel het beest proberen te doden, maar het was hun niet gelukt. Nu wilden de Duitsers een andere kamer en ze eisten dat de nieuwe kamer eerst gedesinfecteerd werd.

‘Mit Gaz’, grapte Van In luid genoeg dat iedereen het kon horen.

Het meisje keek hem met een smekende blik aan. De Duitser besteedde geen aandacht aan haar. Hij draaide zich om en wendde zich met een brede grijns tot Van In.

‘Sie haben recht.’

‘Ich bin Kommissar Van In, we zijn zo snel mogelijk gekomen. Een speciaal team doorzoekt momenteel uw kamer. Ik weet zeker dat ze het verdammte beest zullen vinden.’

De receptioniste haalde opgelucht adem toen de Duitser Van In ongevraagd de hand drukte en hem in lovende bewoordingen feliciteerde met het doortastende optreden van de Brugse politie. Van In deed er nog een schepje bovenop.

‘Dit is mijn assistent, Oberst Versavel. Hij coördineert de operatie. Nietwaar, Guido?’

De Duitser sloeg nu zijn arm om de schouder van zijn vrouw, die zich ondertussen ook had omgedraaid en Van In aankeek met een blik waarmee ze lang geleden de Führer had aanbeden. Het roemrijke wapenfeit werd dan ook gevierd. De Duitser nodigde Van In, die hij met ‘Von’ aansprak, uit voor een drankje in de bar. Versavel verdween, met het excuus dat hij de operatie Spinnenweb moest gaan coördineren. Hij kwam een halfuur later terug met de mededeling dat de spin vernietigd was. Hij liet het Duitse paar een propje keukenrol zien met daarin het geplette kadaver van een spin die ze in de tuin hadden weten te verschalken.

‘Dat heb je goed gedaan, Guido’, zei Van In toen de Duitsers zich op de gedesinfecteerde kamer hadden teruggetrokken.

‘Ik moet uw collega bijtreden’, knikte de directeur van het Kempinski die er ondertussen ook bij was komen staan. ‘Kan ik jullie nog iets aanbieden?’

‘We waren eigenlijk naar hier gekomen om u te spreken’, zei Van In.

‘In verband met meneer Bombé.’

‘Inderdaad. U had beloofd dat u ons zou bellen, maar u hebt het waarschijnlijk heel druk. Sommige klanten kunnen behoorlijk veeleisend zijn.’

Albert Versyck, de manager van het hotel, reageerde niet op het prikje. Hij had de kamermeisjes aan de tand gevoeld die de kamer van meneer Bombé hadden schoongemaakt, en ook de nachtportier. Ze hadden alledrie verklaard dat Bombé de nacht had doorgebracht met een jonge vrouw – eigenlijk nog een meisje, had de nachtportier eraan toegevoegd. Versyck had lang getwijfeld over wat hij met die informatie zou doen. Hij had uiteindelijk beslist dat hij zou toegeven dat Bombé nachtelijk bezoek had gekregen, maar met geen woord zou reppen over haar leeftijd. Hij was ook niet van plan om te verklappen dat hij over een persoonsbeschrijving van het meisje beschikte.

‘Er is iemand bij hem blijven slapen’, gaf hij met een zekere schroom toe.

‘Wanneer?’

‘De eerste nacht dat hij hier logeerde.’

‘Hoe zag ze eruit?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Iemand moet haar toch gezien hebben.’

‘Het was al laat’, zei Versyck met een schuwe blik, omdat hij wist dat hij de leugen niet lang zou kunnen volhouden.

‘Gaat het licht dan uit in de hal?’

‘Nee, maar…’

‘Nee, waar wat?’

De hoteldirecteur had aan diverse opleidingen deelgenomen waar hij geleerd had met mensen om te gaan. In zijn vak was het immers belangrijk te weten hoe hij zijn gasten moest geruststellen, zelfs als hij daarvoor de waarheid een beetje geweld moest aandoen. Met Van In lag het anders. De commissaris had ervaring met leugenaars. De manier waarop hij het probleem met de Duitsers had opgelost, bewees dat hij over heel wat mensenkennis beschikte.

‘Het was een jonge vrouw’, zei hij. ‘De nachtportier schat haar een jaar of twintig. Ongeveer een meter zeventig groot, hoge jukbeenderen en halflang donkerblond haar.’

‘Ik neem aan dat de nachtportier nu niet aanwezig is?’

Versavel haalde zijn notitieboekje en zijn balpen uit zijn binnenzak. Hij wist wat de volgende vraag zou zijn. De hoteldirecteur verontschuldigde zich toen Van In hem vroeg waar de nachtportier woonde, liep naar de balie en vroeg een van de receptionistes het adres op te zoeken.

‘À propos,’ zei Van In, terwijl Versavel het adres van de nachtportier noteerde, ‘logeren hier ook Chinezen?’

De hoteldirecteur keek verbaasd op en ook een beetje ongerust. Hij was zijn boekje al een keer te buiten gegaan. Een tweede indiscretie kon hem duur te staan komen.

‘Waarom wilt u dat weten?’ vroeg hij een beetje onbeholpen.

Van In rook bloed.

‘Zal ik de gastenlijst laten opvorderen?’

Hij liet de vraag vergezeld gaan van een gemeen glimlachje. Door de reactie van de hoteldirecteur was hij zo goed als zeker dat er minstens één Chinees in het hotel logeerde. En hij kreeg gelijk. De hoteldirecteur verdween opnieuw naar de balie en kwam even later terug met een papiertje. Er stond één naam op: Wulong Zhang.

‘Meneer Wulong Zhang heeft hier vroeger nog gelogeerd’, zei de hoteldirecteur. ‘Hij is een gerespecteerd zakenman.’

‘Weet u ook wat hij verhandelt?’

‘Hij doet iets met containers.’

‘Ach zo’, zei Van In. ‘Mag ik ook weten hoe oud meneer Wulong Zhang is?’

Het was nu te laat om over privacy te beginnen. Het kwaad was geschied. De hoteldirecteur liep terug naar de balie, dit keer met gebogen schouders.

Het restaurant van meneer Deng heette De Blauwe Lotus en in de vitrine stond een ingelijste kopie van de beroemde tekening van Kuifje in een levensgrote Chinese vaas. Meneer Deng woonde immers al meer dan veertig jaar in Brugge. Hij wist hoe trots de Belgen op hun nationale held waren. Sommigen dachten zelfs dat hij echt bestaan had.

Ze gingen bij het raam zitten. Versavel had voor de gelegenheid een pak van Boss aangetrokken. Luk droeg een dure vintage spijkerbroek en een zijden jasje van een onbekende Italiaanse ontwerper. Hannelore straalde in een fuchsia jurk met een redelijk gewaagd decolleté. Het was een loshangende jurk, waardoor je amper kon zien dat ze zwanger was. Van In had de moeite niet gedaan om andere kleren aan te trekken. Hij droeg zijn gewone plunje. Meneer Deng – de man leek een beetje op Mao Zedong – kwam hoogstpersoonlijk de bestelling opnemen. Ze kozen voor een uitgebreide rijsttafel. Zo kon iedereen van alles een beetje proeven.

‘Je ziet er ongelooflijk goed uit’, zei Versavel.

‘Zo voel ik me ook, Guido.’

Hannelore was vanochtend fris opgestaan. Ze was zelfs niet misselijk geweest. In de loop van de dag was het alleen beter geworden. Ze voelde zich kiplekker.

‘Het is hier in ieder geval rustig’, zei Van In.

Ze waren de enige klanten, hoewel De Blauwe Lotus plaats bood aan minstens zestig mensen. Hij wierp een blik op zijn horloge. Het was kwart over zeven. Het was best mogelijk dat de meeste klanten pas om een uur of acht arriveerden.

‘Het is hier meestal rustig’, zei Versavel.

‘Laten we dan hopen dat het lekker is.’

‘Dat is het zeer zeker’, knikte Luk overtuigd.

‘Andere restaurants hebben het ook niet zo druk’, zei Hannelore.

Ze vielen haar alle drie bij. De economische recessie, het rookverbod en de talrijke alcoholcontroles hadden een vernietigende impact op de omzet van de meeste horecabedrijven.

‘En het is hier een stuk duurder dan in andere Chinese restaurants’, zei Luk.

Meneer Deng had blijkbaar geen last van de economische recessie. Hij droeg dure merkkledij en er hing een Breitling om zijn pols.

De rijsttafel was copieus en ongelooflijk lekker, zoals Luk had voorspeld. Zelfs Van In, die geen liefhebber was van de Chinese keuken, proefde van alle gerechten. Het scheelde niet veel of ze hadden alles op gekregen. Na de maaltijd brachten twee keurig geklede kelners warme doekjes en een glaasje sake. Op de bodem van elk glaasje stond een wulpse naakte vrouw afgebeeld, de figuur verdween als je de sake opdronk.

‘Zal ik nog een glaasje bestellen?’ vroeg Luk.

‘Waarom niet’, antwoordde Van In luid genoeg zodat meneer hem kon horen. ‘En geef meneer Deng er ook een.’

Chinezen hechtten ongelooflijk veel belang aan beleefde omgangsvormen. Het was bijgevolg zeker dat meneer Deng met hen zou komen klinken.

‘Komt u toch even bij ons zitten’, zei Van In toen de Chinese uitbater aan hun tafel kwam staan.

De man glimlachte en deed wat van hem gevraagd werd, terwijl hij zich in zijn binnenste afvroeg wat ze van hem wilden. Hij kreeg het na drie glaasjes te horen.

‘Liu Xin heeft er goed aan gedaan u naar mij te sturen’, zei hij toen Van In had verteld waarover het ging. ‘Ik zal mijn uiterste best doen om u te helpen.’

Ze spraken af dat meneer Deng zijn licht zou opsteken bij een aantal collega’s en daarover verslag zou uitbrengen bij Van In. De Chinezen vormden van oudsher een hechte gemeenschap, waar weinig verborgen bleef.

‘Ik ga ervan uit dat uw landgenoten u eerder in vertrouwen zullen nemen dan een vreemde politieman als ik. En het bespaart ons een hoop tolkkosten.’

De twee kelners die hen zo-even bediend hadden, kwamen ongevraagd met thee en koekjes aanzetten en nog drie glaasjes sake. Hannelore en Versavel hadden na het tweede glaasje al afgehaakt.

‘Mag ik u nog iets vragen, meneer Deng?’

Van Ins stem begon een beetje onzeker te klinken en hij voelde zijn hoofd tollen. Sake mocht dan straf spul zijn, hij kon tegen een stootje. Hij werd niet dronken van vier drankjes.

‘Natuurlijk.’

Meneer Deng boog onderdanig het hoofd. Lang zou het gesprek niet meer duren. Het laatste glaasje bevatte immers een krachtig slaapmiddel, dat bijna niet te traceren viel. Hij had het recept van zijn vader gekregen en die van zijn vader. Het was waarschijnlijk al eeuwen oud.

‘Weet u soms of er onlangs…’

Van In moest steeds meer moeite doen om zich te concentreren. Zijn oogleden wogen loodzwaar.

‘De commissaris wil weten of er onlangs nieuwe landgenoten in Brugge zijn gearriveerd die door omstandigheden nog nergens geregistreerd staan. Dergelijke dingen gebeuren nu eenmaal’, voegde Versavel er met een knipoog aan toe.

Meneer Deng fronste zijn voorhoofd en kneep zijn ogen dicht. Yang Yunxiang logeerde op een onderduikadres in Zeebrugge. De kans was bijzonder klein dat de politie hem daar vond, maar wat zou er gebeuren als ze een opsporingsbericht verspreidden? Dan moest Yang Yunxiang een tijdje binnen blijven. Hij kon beter wat tijd proberen te winnen.

‘Ik weet natuurlijk niet alles wat er in onze gemeenschap leeft’, zei hij. ‘Het zou best kunnen dat er iemand aan mijn aandacht ontsnapt, maar voor zover ik weet zijn er in de voorbije drie maanden geen landgenoten op bezoek geweest.’

Van In hoorde alleen nog een soort gegons. Hannelore, die zag wat er aan het gebeuren was, sprong van haar stoel en schudde hem bij de schouder.

‘Scheelt er iets?’

Hij trok even zijn ogen open en schudde zachtjes met zijn hoofd. Toen niks meer. Zijn kin zakte op zijn borst en hij begon te snurken. Versavel kwam Hannelore te hulp. Samen sleurden ze Van In overeind.

‘Niet doen’, riep Luk. ‘Toch niet in jouw toestand.’

Hij nam Van In van haar over. Het kostte hen erg veel moeite om hem door de smalle deuropening naar buiten te sleuren.

‘Verman je, Pieter.’

‘Zal ik een ambulance bellen?’ vroeg Hannelore bezorgd.

Meneer Deng, die ondertussen ook buiten stond, reikte haar zijn mobieltje aan, maar Versavel hield haar tegen.

‘Volgens mij is hij gewoon dronken’, zei hij.

‘U hoeft niets te betalen’, haastte meneer Deng zich.

‘Maakt u zich geen zorgen, meneer Deng’, reageerde Luk kordaat. ‘Het ligt in ieder geval niet aan het voedsel. Anders waren wij ook ziek geworden.’

Het kostte ruim vijf minuten om Van In tot bij de auto te krijgen, die nochtans op amper vijftig meter van het restaurant stond geparkeerd, en het kostte nog eens vijf minuten trek- en duwwerk om hem op de achterbank te installeren, die hij volledig in beslag nam.

‘Wat doen we nu?’ vroeg Hannelore toen bleek dat ze niet meer met hun allen in de auto konden.

Versavel loste het probleem op.

‘Geef me de sleutel, Hanne. En neem jij maar een taxi. Wij redden het wel met ons tweeën.’

Ze protesteerde niet. Ze schaamde zich dood, hoewel ze moeilijk kon geloven dat Van In bezweken was aan vier glaasjes sake. Was het dan toch zijn lever? Het werd tijd dat hij zich eens grondig liet onderzoeken. Het kind in haar buik had een vader nodig en zij een man, verdomme.

Het was hoogwater. Yang Yunxiang hoefde niet ver te lopen voor hij de vloedlijn bereikte. Het was niet koud en er stond amper wind. Het zand knarste onder zijn zolen. De golven ruisten zacht. Het was een zwarte nacht met alleen het schijnsel van de straatverlichting in de verte. Yang Yunxiang ademde diep. De zeelucht drong diep in zijn longen. Hij genoot ervan, hoewel zijn ziel bloedde. Hij had een mooi leven achter de rug, mooier dan dat van de meeste van zijn landgenoten. Zijn ouders hadden hem vanaf zijn geboorte in de watten gelegd en zijn zus had zich liefdevol over hem ontfermd. Hij mocht zich gelukkig prijzen. De meeste van zijn leeftijdgenoten hadden geen zus. Het zand onder zijn voeten werd hard. Het geluid van de ruisende golven nam toe. Hij trok zijn schoenen en zijn sokken uit en liep op blote voeten naar het water, dat het strand langzaam in bezit nam. Hij dacht aan Fay, die hij had leren kennen aan de universiteit van Beijing, en aan de glimlach waarmee zijn vader haar had verwelkomd. Zelfs zijn zuster, die hem als kind vertroeteld had, sloot haar meteen in haar hart. Zijn moeder had eveneens geglimlacht. Ze zag in Fay een ideale schoondochter. Zes maanden later was alles voorbij. Hij was zijn ouderlijk huis ontvlucht als een dief in de nacht. De eerste weken had hij rondgezworven op het platteland, daarna was hij noodgedwongen – op het platteland was nauwelijks werk te vinden – weer naar de stad getrokken, waar hij een baan had gevonden in een speelgoedfabriek. Verdriet gaf een mens soms onverwachte energie. Hij had zich vol overgave op zijn werk gestort en zich redelijk snel kunnen opwerken. Maar hij was nooit meer zo gelukkig geweest als toen hij nog thuis bij zijn ouders woonde. Zelfs niet toen hij weer verliefd was geworden. Yang Yunxiang trok zijn hemd en zijn T-shirt uit en ging met ontbloot bovenlijf voor de vloedlijn staan en wachtte tot het opkomende water zijn voeten bespoelde. Het was fris, maar niet echt koud. Hij zette een stap achteruit, liet zijn broek en zijn onderbroek zakken, schopte ze van zijn voeten en zette een stap in het eindeloze water. Yang Yunxiang waadde langzaam het onbekende in. Hij huiverde toen de golven zijn geslachtsdeel deden krimpen tot een vlezig stompje. Hij had nooit echt van water gehouden. Toch was hij niet bang om te verdrinken. Zijn hoofd was licht, zijn geest vastbesloten. De kunstmatige euforie waarin hij zichzelf had gebracht maakte hem onoverwinnelijk. Een forse golf deed hem wankelen, waardoor hij bijna zijn evenwicht verloor. Nog even, dacht hij. Straks zou de zee hem verzwelgen. Hij geloofde niet in God, maar nu werd hij toch benieuwd. Wie weet stonden zijn voorouders hem op te wachten. Bij de volgende stap verloor hij vaste grond. Hij begon instinctief met armen en benen te spartelen, waardoor hij zijn hoofd nog even boven water kon houden. Hij hapte naar adem. Hoe lang kon hij het op die manier nog volhouden? Wat moest hij doen om er zo snel mogelijk een eind aan te maken? Toen de roes van de drugs die hij had genomen stilaan uitgewerkt raakte, maakte een groot gevoel van eenzaamheid zich van hem meester.





4


Van In stapte zwijgend in de Golf. Hij zag bleek, zijn ogen zaten diep in hun kassen en hij rilde. Hij had een ellendige nacht achter de rug met nachtmerries, zo beklijvend dat hij ze zich nog herinnerde. Hannelore beweerde dat hij geschreeuwd had als een varken dat gekeeld werd. Zelfs de kinderen hadden hem gehoord. Het beeld van een man met bloederige stompen in plaats van benen bleef hem achtervolgen, om maar te zwijgen van de baby die aan een spit boven een vuurtje hing te braden.

‘Gaat het een beetje?’

Het was een stomme vraag, maar Versavel wist niet goed wat hij moest zeggen. Zelfs een stomme vraag was beter dan de stilte. Hij en Luk hadden gisteren nog lang zitten napraten over het incident in De Blauwe Lotus. Was het alleen de sake die Van In had genekt of zat er toch iets in het drankje? Ze zouden het waarschijnlijk nooit kunnen bewijzen. En als het zo was, dan bleef de vraag waarom meneer Deng zoiets had gedaan. Hij werd nergens van verdacht. Ze hadden hem alleen een paar onschuldige vragen gesteld. Het stemde in ieder geval tot nadenken. Over één ding waren ze het wel eens geworden: het op het eerste gezicht onschuldige incident in het park begon zorgwekkende proporties aan te nemen. Van In leek zijn gedachten te raden.

‘Rotchinezen’, zei hij terwijl hij zijn hand naar zijn bonzende voorhoofd bracht. ‘Deng heeft me flink te grazen genomen.’

‘Je denkt dus toch dat…’

‘Natuurlijk denk ik dat’, gromde Van In.

‘Dan kan bloedonderzoek misschien uitsluitsel geven.’

‘Vergeet het.’

Van In had een hekel aan naalden, dus drong Versavel niet aan. Een bloedonderzoek kon wellicht aantonen dat Van In een of ander verdovend spul had ingenomen, maar niemand zou kunnen bewijzen dat meneer Deng het met de sake had vermengd. Om dat te bewijzen hadden ze het glaasje moeten meenemen. En daarvoor was het nu te laat.

‘Ga je hem aan de tand voelen?’

‘Wie?’ vroeg Van In met een holle blik.

‘De rotchinees.’

‘Dat doen we later wel.’

Ze reden het Zand op en volgden een stadsbus die links afsloeg. Versavel kon net een fietser ontwijken die hen zonder te kijken de pas afsneed. Het was iedere ochtend hetzelfde.

‘Je had beter in je bed kunnen blijven’, zei Versavel.

‘En jij had zo-even beter moeten uitkijken. Stel je voor wat de kranten zouden schrijven als we een fietser aanreden.’

‘Ik zal in het vervolg beter opletten, chef.’

Met een beetje geluk had Saskia al koffie gezet. En Versavel hoopte voor één keer dat ze zich een beetje sexy had gekleed. Het zou het humeur van zijn vriend misschien wat opkrikken. Hij parkeerde de Golf zo dicht mogelijk bij de ingang van het politiebureau en sprong fluks uit de wagen. Van In stak een sigaret op en volgde hem op een paar passen. Niemand durfde een opmerking te maken toen hij rokend het gebouw binnenliep, zelfs hoofdinspecteur Verhelst, een notoire antiroker, die de lift met hen deelde, hield wijselijk zijn mond. Van In was niet te genieten als hij gedronken had en als hij een woedeaanval kreeg, wilde niemand bij hem in de buurt zijn.

‘De koffie ruikt heerlijk’, zei Versavel.

Saskia glimlachte. Ze droeg een zwarte spijkerbroek en een bloes in felle kleuren. Van In gunde haar geen blik. Hij ging aan zijn bureau zitten en sloeg de krant open die Saskia voor hem had klaargelegd. Finalistes Miss Flanders 2009 strijken neer in Brugge, was een van de koppen op de voorpagina. Er stond een foto onder van twintig meiden in badpak met een tweekleurig lint dat diagonaal om hun bovenlichaam hing. Ernaast illustreerde een foto van twee verhakkelde wagens de verkeersellende. Er was ook goed nieuws: de prinses was weer zwanger.

‘Sas.’

Saskia keek op en glimlachte. Van In sprak haar alleen met Sas aan als hij goedgeluimd was of als hij dringend iets van haar gedaan wilde krijgen. Het was het laatste. Hij vroeg haar of ze hem asap foto’s van alle finalistes van de Miss Flanders-verkiezing kon bezorgen.

‘Ik doe mijn best’, zei ze.

De nachtportier van het Kempinski Dukes’ Palace woonde in de Pottenmakersstraat, een zijstraat van de Ezelstraat, in een typisch Brugs huisje dat hij bijna helemaal zelf had gerenoveerd. Het was tien over tien toen Van In en Versavel bij hem aanbelden. Het duurde een tijdje voor de man opendeed, wat normaal was want hij had tot zeven uur gewerkt. Ze hadden hem waarschijnlijk uit zijn bed gebeld. Het viel best mee. De man liet niet merken dat ze hem gestoord hadden. Hij schrok zelfs niet toen Van In zich voorstelde, omdat hij kon raden waarvoor ze kwamen.

‘Ik weet dat we u storen’, zei Van In met enig medeleven. ‘Maar het is dringend.’

‘Dat is geen probleem.’

De nachtportier was tweeënveertig en ongehuwd. Ook dat was normaal. Welke gezonde vrouw wilde iemand die iedere nacht moest werken als man? In de gang stond een antiek grenen kastje en er lag een oosters kleed op de vloer. Het was er kraaknet. Van In veegde zijn voeten zorgvuldig schoon aan de deurmat, een voorbeeld dat Versavel met enige verwondering volgde. Soms kan Van In toch onverwacht uit de hoek komen, dacht hij. De woonkamer was knus. De meubels waren net als de kast in de gang van grenenhout. Naast de schouw met open haard, die er authentiek uitzag, lag een stapel houtblokken, maar het overgrote deel van de ruimte werd ingenomen door een boekenkast. Versavel liet zijn blik over de ruggen glijden. Het overgrote deel van de collectie bestond uit boeken over filosofie en esoterie. Misschien was dit wel de reden waarom de man nachtportier was. Een verwoede lezer kon zich geen betere baan dromen.

‘Gaat u zitten.’

De nachtportier beschikte over een driezitsbank en een aparte fauteuil, die allebei tegenover een imposante flat-screentelevisie stonden opgesteld.

‘We komen in verband met meneer Bombé’, zei Van In terwijl ze op de bank plaatsnamen.

‘Dat had ik al gedacht.’

De nachtportier glimlachte. De meeste mannen die alleen in het hotel logeerden, ontvingen regelmatig vrouwelijk bezoek op hun kamer. Meneer Bombé vormde geen uitzondering op die regel. De meeste vrouwen die hij de voorbije maanden de revue had zien passeren, waren knap, maar af en toe oversteeg er eentje de middelmaat. Het meisje dat onlangs met Bombé naar boven was gegaan, had een plaatsje gekregen in zijn persoonlijke top tien.

‘Zou u het meisje nog herkennen?’

‘Kunnen vogels vliegen?’ grijnsde de nachtportier.

Van In hield niet van mensen die een vraag met een vraag beantwoordden. Dit keer kon hij amper een glimlach onderdrukken.

‘Zo hoor ik het graag.’

Hij haalde de foto’s van de kandidaat-missen uit zijn binnenzak en gaf ze aan de nachtportier. De nachtportier nam ruim de tijd om ze een voor een te bekijken. Bij de zesde foto gingen zijn ogen glinsteren.

‘Die is het’, zei hij zonder enige aarzeling.

Het was Kira. Van In knikte goedkeurend, hoewel hij gehoopt had dat het iemand anders was geweest. De aanranding in het park kwam nu immers in een totaal ander daglicht te staan.

‘Ik hoef u waarschijnlijk niet te vragen of u het zeker weet?’

‘Nee’, zei de nachtportier. ‘Zo’n meid vergeet je niet.’

‘Wat denk je?’ vroeg Versavel toen ze weer buiten stonden.

Van In stak gewoontegetrouw een sigaret op. Er logeerde een Chinese zakenman in het Kempinski-hotel en Kira beweerde dat ze in het park door een Chinees was aangerand. Oosterlingen leken allemaal een beetje op elkaar, maar het was onwaarschijnlijk dat de zakenman en de aanrander een en dezelfde persoon waren. Kira was immers redelijk formeel wat de leeftijd betrof van de man die haar had aangerand. Volgens haar was hij rond de dertig. Meneer Wulong Zhang was zesenvijftig. En hij was corpulent.

‘Toch denk ik dat een gesprek met meneer Wulong Zhang nuttig kan zijn’, zei hij.

‘Het zou een van zijn medewerkers kunnen zijn.’

‘Precies.’

‘Gaan we hem nu opzoeken of ben je iets anders van plan?’

Versavels mobieltje ging over voor Van In de vraag kon beantwoorden. Het was de baas. Hij wilde Van In dringend spreken, dus gaf Versavel hem door.

‘Je moet dringend naar Zeebrugge’, klonk het bits. ‘Ik heb net een telefoontje gekregen van de scheepvaartpolitie. Er zijn kleren gevonden bij de vloedlijn. Zij denken dat het om zelfmoord gaat, maar ik wil weten wat er echt aan de hand is voor de pers er lucht van krijgt. Heb je dat begrepen, Van In?’

‘U kunt op me rekenen, chef.’

‘En nog iets, Van In. Zorg er in het vervolg voor dat je bereikbaar bent.’

‘Oeps.’

‘Wat zeg je?’

‘Ik zei “oeps” omdat ik me nu pas realiseer dat ik mijn mobieltje thuis heb laten liggen.’

‘Je flauwe excuses interesseren me niet, Van In.’

En u kunt de pot op, wilde Van In zeggen. Hij zweeg. De zoon van de hoofdcommissaris was vorige week opgepakt wegens het verstoren van de openbare orde en hij had zich verzet toen de collega’s hem wilden arresteren. Het bericht was in bijna elke krant verschenen en dat had de hoofdcommissaris nog niet verwerkt. De arme man moest zijn frustratie ergens kwijt.

‘Je hebt voor een keer je verstand gebruikt’, zei Versavel droog toen hij zijn mobieltje terugkreeg.

Van In had lak aan iedereen die gezag over hem probeerde uit te oefenen en hij liet nooit na om dat duidelijk te maken. Het gevolg daarvan was dat hij voortdurend met de chef in de clinch lag, die op zijn beurt geen kans onbenut liet om hem het leven zuur te maken. Hun conversaties beperkten zich meestal tot ja en nee.

‘Ik heb gisteren vernomen dat junior een celstraf van zes maanden riskeert. Als die informatie klopt, krijgt meneer de hoofdcommissaris eerstdaags een hartaanval’, zei Van In met een gemeen lachje.

‘Zoiets mag je niemand toewensen, Pieter.’

Van In haalde zijn schouders op.

‘Als mijn wens in vervulling gaat, ga ik op bedevaart naar Lourdes. Maar we moeten eerst naar Zeebrugge.’

Een snerpende sirene kondigde de komst van een politiewagen aan.

‘Hij meent het’, zei Van In. ‘Ze komen ons zelfs ophalen.’

‘Niet overdrijven, Pieter.’

Versavel had gelijk. De politiewagen raasde hen met hoge snelheid voorbij.

Een hoofdinspecteur van de scheepvaartpolitie, een potige kerel met kortgeknipt haar en een getaande huid, begroette hen met een handdruk en verzocht hen mee te komen naar het kantoor waar de man zat te wachten die de kledij op het strand had gevonden.

‘De pers is toch nog niet op de hoogte?’

‘Ik denk het niet’, zei de hoofdinspecteur niet erg overtuigd.

In de haven werden regelmatig drugstransporten onderschept en ze troffen er ook vaak illegalen aan die clandestien naar Groot-Brittannië probeerden te reizen. De pers had voor zulke informatie best wat steekpenningen over. Hij kon dus onmogelijk garanderen dat het nieuws niet was uitgelekt.

Verhoorkamers zien er overal eender uit. Het zijn meestal kleine ruimtes zonder ramen met alleen een tafel en een paar stoelen. De verhoorkamer van de scheepvaartpolitie beantwoordde perfect aan die beschrijving.

‘Goedemorgen.’

Van In stak zijn hand uit naar de man die met enige opluchting opkeek toen ze binnenkwamen.

‘Ik ben commissaris Van In en dit is mijn assistent, Guido Versavel.’

De man knikte en nam de uitgestoken hand aan.

‘Ik laat jullie even alleen’, zei de hoofdinspecteur van de scheepvaartpolitie.

Dat deed hij niet uit beleefdheid, hij had gewoon last van claustrofobie.

‘Vertel ons maar wat er gebeurd is’, zei Van In toen de hoofdinspecteur de deur achter zich dichttrok.

De man had zijn verhaal al twee keer verteld, maar hij maakte geen bezwaar. Zijn dag was toch om zeep.

‘Ik maak iedere dag een wandeling over het strand voor ik ga werken’, zei hij. ‘Ik werk namelijk bij een bank, moet u weten. De hele dag binnen zitten is geen pretje.’

‘Dat begrijp ik’, zei Van In licht geïrriteerd. ‘Maar gaat u alstublieft verder.’

‘Ik vind ook wel eens dingen. Meestal gaat het om waardeloze spullen die de toeristen achterlaten. Een paar spiksplinternieuwe sportschoenen en een T-shirt van Bikkembergs horen daar meestal niet bij.’

Hij had de sportschoenen en de sokken op ongeveer twintig meter van de vloedlijn aangetroffen. De schoenen stonden netjes naast elkaar met de sokken erin. Het T-shirt lag een eindje verderop.

‘De broek hebt u dus niet gevonden?’

‘Nee’, zei de man. ‘De broek heb ik niet gevonden.’

‘Iemand kan die meegenomen hebben’, merkte Versavel op.

‘Of de broek kan weggewaaid zijn.’

‘Er stond niet veel wind’, zei de man.

‘U denkt dat het om zelfmoord gaat?’

De man knikte.

‘Ik heb ongeveer tien jaar geleden ook iets dergelijks meegemaakt’, zei hij. ‘Ze trekken eerst hun schoenen en bovenkledij uit. De broek volgt als ze met hun voeten in het water staan of ze houden die aan.’

‘Tiens’, zei Van In.

Hij stelde de man nog een paar vragen in verband met het tijdstip en de plek waar hij de kleren had aangetroffen. Versavel noteerde alles op een a4’tje. Hij ging ervan uit dat de scheepvaartpolitie al een officieel pv had opgesteld. Daarna zocht hij de hoofdinspecteur op, die in een ruim vertrek aan de andere kant van het gebouw koffie zat te drinken.

‘We zouden graag een kijkje gaan nemen op de plek waar de kleren zijn aangetroffen’, zei Van In.

‘Dat is geen probleem.’

‘De getuige gaat ook met ons mee.’

‘U zegt het maar’, zei de hoofdinspecteur van de scheepvaartpolitie.

Hij klonk opgelucht. Zijn mensen hadden wel wat anders te doen dan zich bezighouden met een vermeende zelfmoord.

‘Nog een vraag: kunt u ons de kleren laten zien?’

‘Natuurlijk.’

De hoofdinspecteur liep naar een metalen archiefkast en haalde er drie papieren zakken uit die hij netjes op tafel zette. Van In bekeek de inhoud van de zakken, maar hij raakte niets aan.

‘Wat denk je, Guido?’

‘Geen idee.’

‘Man of vrouw?’

Aan de sportschoenen, die erg modieus waren, konden ze moeilijk zien of ze door een man of door een vrouw waren gedragen. Ook van de schoenmaat werden ze niet veel wijzer. Een maatje veertig was krap voor een man, maar als het om een vrouw ging hadden ze waarschijnlijk ook een beha aangetroffen.

‘De sokken lijken me die van een man’, zei Versavel.

‘Een man met kleine voeten dan.’

‘Ik denk dat we beter het verslag van de technische recherche afwachten voor we conclusies trekken.’

‘Je hebt gelijk, Guido.’

Van In vouwde de zakken weer dicht. Man of vrouw. Het maakte voorlopig niet veel uit. Wie weet was er zelfs geen sprake van zelfmoord. En het was nog te vroeg om de lijst met vermiste personen te raadplegen. Hij wendde zich tot de hoofdinspecteur naast hem.

‘Ik neem aan dat jullie een buurtonderzoek hebben gedaan?’

‘Daar zijn we nog mee bezig. Twee teams verhoren de bewoners van de appartementen aan de Zeedijk die uitkijken op de plek waar de kleren werden gevonden. Maar tot nu toe heeft dat nog niets opgeleverd. De slaapkamers van de meeste appartementen bevinden zich aan de achterkant, moet u weten, en de bewoners zijn bijna allemaal gepensioneerd. Die gaan vroeg naar bed.’

‘Ik bel u in de loop van de dag nog.’

De hoofdinspecteur overhandigde Van In zijn kaartje.

‘U kunt me dag en nacht bereiken op dit nummer’, zei hij.

Er was nogal wat verkeer, waardoor de rit van het kantoor van de scheepvaartpolitie naar de Zeedijk bijna een kwartier in beslag nam. Gelukkig vonden ze een parkeerplaats ongeveer recht tegenover de plek die de getuige hen aanwees, zodat ze niet te ver hoefden te lopen. De zee had natuurlijk alle sporen uitgewist, maar het kon nooit kwaad de sfeer op de plaats van het gebeuren op te snuiven.

‘Er staat al volk’, zei Van In.

Er stond een cameraploeg bij een van de golfbrekers. Een man met weelderig grijs haar was iemand aan het interviewen.

‘Het is Bernard’, zei Versavel.

‘Ze weten het dus.’

Bernard Vanneuville werkte bij de regionale televisiezender. Hij was erg bekend in West-Vlaanderen en bijzonder geliefd. Zelfs Van In, die niet veel ophad met journalisten, kon goed met hem opschieten. Ze liepen over het strand naar de plek waar de getuige de kleren had gevonden. Twintig meter voor de vloedlijn stond een paar sportschoenen, een eindje verder lag een verfomfaaid T-shirt.

‘En ze zijn goed geïnformeerd’, foeterde Van In.

In een democratisch land had het publiek recht op correcte informatie, maar dit ging hem een beetje te ver. Hij stapte resoluut naar de cameraploeg. Bernard Vanneuville, die hem zag komen, gaf de cameraman met een hoofdgebaar te kennen dat hij de camera moest afzetten.

‘Wie we daar hebben’, zei hij met een brede glimlach. ‘Commissaris Van In.’

De man die ze aan het interviewen waren zette discreet een stapje achteruit. Het was een oudere man met een doordringende blik en een scherpe neus. Hij had een ouderwets pak aan en stevige schoenen. Van In vermoedde dat het een of andere expert was, want tegenwoordig kon je geen reportages meer maken zonder een expert aan het woord te laten.

‘Ik wist niet dat jullie ook docusoaps maakten’, zei hij.

Ze drukten elkaar de hand.

‘Mag ik u voorstellen aan meneer Vermeire’, zei Bernard. ‘Hij weet alles af van het getij en de stromingen in de Noordzee.’

‘Het is jammer dat jullie niet over een schoenenexpert beschikken’, merkte Versavel droog op terwijl hij naar de sportschoenen wees. ‘Het merk klopt niet.’

Meneer Vermeire gromde iets tussen zijn tanden en maakte aanstalten om weg te gaan. Bernard hield hem tegen. Experts hebben meestal een hoge dunk van zichzelf en dat was bij meneer Vermeire niet anders. Zijn grimmige gezicht verraadde zijn gekwetste trots. Bovendien hield hij niet van flikken, daar kwam alleen narigheid van. Bernard wist echter hoe hij iemand naar zijn hand kon zetten. Hij slaagde erin de man te overtuigen om te blijven. In ruil voor een extra fles jenever.

‘Ik kan jullie niet verbieden om op het strand te filmen’, zei Van In. ‘En ik kan evenmin de opnames in beslag laten nemen, maar wees alsjeblieft voorzichtig, Bernard. Het is absoluut niet zeker dat de man zelfmoord heeft gepleegd.’

‘Het is dus een man.’

Van In slaakte een diepe zucht.

‘Dat moet het onderzoek nog uitwijzen.’

Bernard lachte breed. Een oude rot had maar een half woord nodig. De politie ging er dus ook van uit dat het om zelfmoord ging en ze waren er bijna zeker van dat het een man was. Met die kennis en een paar beelden van de ondergaande zon en de dreigende lucht boven de horizon had hij een prima reportage.

‘Oké. Ik zal open kaart met je spelen. Maar dan moet je me ook helpen.’

Bernard knikte.

‘Quid pro quo.’

‘Quid pro quo’, beaamde Van In.

Het was tenslotte zijn schuld niet dat iemand van de scheepvaartpolitie het nieuws had gelekt.

Hij vertelde in een paar woorden wat ze wisten. Het was niet veel, maar meer had hij niet te melden. Bernard keek sip. Hij had meer informatie verwacht. Het was zijn beurt om de gemaakte afspraak na te komen.

‘Volgens Vermeire is het onmogelijk te voorspellen waar of wanneer het lijk zal aanspoelen’, zei hij. ‘Maar hij gaat ervan uit dat het niet lang zal duren. Hij gokt op morgen of overmorgen.’

‘Als er een lijk is.’

‘Maak je geen zorgen, commissaris’, zei Bernard met een jongensachtige grijns. ‘Ik red me wel. De suggestie is belangrijker dan de realiteit.’

‘De meisjes staan nog onder de douche’, zei Frederik Bombé toen Van In hem vroeg of hij Kira kon spreken.

‘Dan wachten we wel.’

Hij stak een sigaret op en ging bij de voordeur staan. Versavel volgde noodgedwongen zijn voorbeeld. Het gesprek met de expert op het strand van Zeebrugge had niet veel opgeleverd. Het enige wat ze konden doen was afwachten tot het lijk aanspoelde. Daarom had Van In beslist het onderzoek naar de aanranding in het Astridpark weer op te nemen.

‘Ik probeer ondertussen nog eens meneer Wulong Zhang te bereiken’, zei Versavel.

Hij had het voorbije uur al twee pogingen ondernomen om de Chinese zakenman te bereiken. De receptioniste van het Kempinski-hotel had hem niet kunnen helpen. Meneer Wulong Zhang was niet in het hotel aanwezig, maar ze had beloofd dat ze hem op hoogte zou brengen zodra hij binnenkwam.

‘Doe maar.’

Van In nam wrevelig een trek van zijn sigaret. Hij had een hekel aan het lange wachten, jonge mensen maken zich zorgen over de schadelijke gevolgen van de opwarming van de aarde, behalve als ze douchen, dacht hij geërgerd. Toen de meisjes na twee sigaretten nog niet waren komen opdagen, liep Van In naar het kantoortje waar Bombé tijdelijk zijn hoofdkwartier had ingericht. Hij was behoorlijk nijdig vanwege de verloren tijd. De missmaker deed echter alsof er geen vuiltje aan de lucht was.

‘Misschien kan ik u helpen’, stelde hij gedienstig voor.

‘Waarom ook niet.’

‘Laten we het dan eens over u hebben, meneer Bombé’, begon hij venijnig.

Van In pakte een stoel en stak ongegeneerd een sigaret op, de zoveelste. Zijn keel was droog en zijn kuiten deden pijn. Etalagebenen. Zijn huisarts had hem nochtans gewaarschuwd. Als je niet ophoudt met roken beland je binnen afzienbare tijd op de operatietafel, had hij gezegd. Van In had het dreigement zoals gewoonlijk in de wind geslagen. Versavel kwam erbij zitten. Hij nam zich voor zich niet in het gesprek te mengen, wat er ook mocht gebeuren.

‘Ik heb niets tegen mannen die van vrouwen houden’, beet Van In. ‘En ik heb begrip voor meisjes die zich door mooipraters laten versieren, maar ik heb een hekel aan leugenaars.’

Bombé reageerde zoals de meeste domme mannen met een groot ego. Hij gooide zijn armen in de lucht en trok een verongelijkt gezicht.

‘Ik kan u alleen maar gelijk geven’, oreerde hij. ‘Met leugenaars kan een mens niets aanvangen.’

‘Ik heb het over u, meneer Bombé.’

De missmaker versteende. Zijn blik leek op die van een priester in een biechtstoel: streng en toch vol medeleven. Ondertussen vonkten zijn hersenen. Hij besefte heel goed wat de flik hem probeerde duidelijk te maken. De liefde bedrijven met een meerderjarige was geen misdaad, als organisator van een misverkiezing een deelneemster met valse beloften in je bed lokken ging regelrecht in tegen de deontologie. Een verdachtmaking kon hem zijn goede naam kosten en een bom geld als de sponsors zich om die reden terugtrokken. Bombé had de keuze tussen twee strategieën: de gespeelde onschuld of de aanval.

‘Ik moet eerlijk toegeven dat ik niet goed begrijp wat u bedoelt’, zei hij zeemzoet.

Van In had geen medelijden met kwallen en padden.

‘Ze heet Kira Konings.’

Bombé bleef onbewogen. Alleen zijn ogen straalden zelfverzekerd.

‘U mag juffrouw Konings niet onderschatten, commissaris’, zei hij.

Het had geen zin om te ontkennen dat hij Kira geneukt had. Echte mannen begrepen zoiets, maar bij de flik lag het onderwerp duidelijk gevoeliger. Hij overwoog even om contact op te nemen met Beekman en hem te vragen Van In van de zaak te halen, maar hij twijfelde er sterk aan dat de procureur op zijn verzoek zou ingaan. Zo goed kenden ze elkaar nu ook weer niet. Hij stond op, liep naar de koelkast en haalde een fles champagne uit de deur. Bubbels deden vaak wonderen.

‘Nemen jullie ook een glaasje?’

Van In blies de rook minachtend door zijn neusgaten uit. Mannen als Bombé deden hem kokhalzen, maar hij kon beter niet te hard van stapel lopen.

‘Waarom niet’, zei hij.

Bombé ontkurkte de fles met een zekere handigheid. Hij zou Kira straks eens flink onder handen nemen. De gedachte wond hem op. Zolang ze niet over bewijzen beschikten dat hij haar neukte, bleef zijn reputatie onaantastbaar. De pers had hem er al verscheidene keren proberen in te luizen, het was hen nooit gelukt. Geruchten waren niet voldoende om hem te kruisigen.

‘U ontkent dus niet dat u een relatie hebt met juffrouw Konings?’

De champagne schuimde in de glazen. Versavel keek naar de opstijgende belletjes die een voor een openspatten als ze aan de oppervlakte kwamen. Het was een mooi beeld dat perfect de zinloosheid van het leven illustreerde.

‘Nee, commissaris. Ik heb alleen gezegd dat u haar niet mag onderschatten.’

‘Ze probeert u toch niet te chanteren?’

Bombé trok zijn wenkbrauwen op. Hij begreep niet goed wat Van In daarmee wilde insinueren.

‘Chanteren?’

‘Ik zal het eenvoudiger stellen.’

Van In nam het glas aan dat hij aangereikt kreeg, nam langzaam een slok en stak een nieuwe sigaret op. Dat duurde een tijdje, waardoor de spanning voelbaar steeg. Het was een klassieke truc om een verdachte uit zijn lood te slaan. Versavel hield Bombé scherp in de gaten en merkte dat zijn ogen zenuwachtig heen en weer flitsten.

‘U profiteert van de goedgelovigheid van uw meisjes, belooft hen gouden bergen en dumpt hen daarna als een stuk vuil. Sommige meisjes accepteren dat, andere, zoals Kira, bijten van zich af of proberen er munt uit te slaan.’

Versavel zag de missmaker opgelucht ademhalen. Van In had de bal misgeslagen.

‘U gaat toch niet beweren dat ik een Chinees heb ingehuurd om haar een lesje te leren en er daarna zelf op heb aangedrongen dat ze de politie zou bellen’, glimlachte Bombé bijna triomfantelijk.

Het was nu de beurt aan Van In om te glunderen.

‘Dat hebt u mij inderdaad niet horen zeggen, maar u ontkent niet wat ik net ervoor gezegd heb.’

‘En dan?’

Bombé was een heethoofd. Zijn stem schoot uit. Van In had hem dus toch te pakken.

‘Ik wil dat u me de waarheid vertelt, Bombé. Niets dan de waarheid.’

‘Daar zijn de meisjes’, zei Versavel.

Van In keek door het raam in de gymzaal waar de meisjes zich hadden verzameld. Eigenlijk wist hij nu al voldoende. Er zat een barst in het harnas van Bombé. De rest zou vanzelf komen. Het was beter dat hij eerst Kira met de feiten confronteerde. Hij was benieuwd wat zij zou verklaren.

‘We zien elkaar nog’, zei hij. ‘Tot gauw, meneer Bombé.’

Van In dronk zijn glas leeg en liep zelfverzekerd naar buiten. De meisjes stonden in twee rijen en maakten zich klaar voor de dagelijkse routine, het oefenen van een choreografie waarmee ze het gala van de Miss Flandersverkiezing in het casino van Knokke zouden openen.

‘Kan ik u even spreken, juffrouw Konings?’

Het meisje draaide zich om.

‘Ik ben Louise’, zei ze guitig. ‘Kira komt straks.’

‘Dan lijken jullie wel erg op elkaar’, reageerde Van In verbaasd.

‘Ja’, lachte Louise. ‘Laten we hopen dat de jury straks het verschil ziet.’

Kira verscheen vijf minuten later. Ze kwam uit de kleedkamer. Ze had haar blonde haar achterovergekamd, waardoor de gelijkenis met Louise minder opviel. De glimlach waarmee ze Van In begroette, was geforceerd en haar blik ontwijkend. Toen Van In Bombé in de deuropening van de kleedkamer zag staan, wist hij wat er gebeurd was. Hij had nooit eerst met Bombé mogen spreken, maar het was nu te laat om zich daarover op te winden. Het kwaad was geschied.

‘U kunt me beter met rust laten, commissaris’, zei ze toen Van In vroeg of hij haar even kon spreken.

Hij drong niet aan. Kira was oud genoeg om te weten wat goed voor haar was. Waar hield hij zich in godsnaam mee bezig? Ze was zijn dochter niet.





5


De tandpasta verdreef de kleffe smaak in haar mond, net als het hete water van de douche zijn vieze oudemannengeur had weggespoeld. Kira trok snel haar ondergoed aan en liep de kamer weer in, waar hij lag te slapen. Het was stil in het hotel. De meeste gasten sliepen nog.

‘Wat doe je nu?’

Bombé draaide zich op zijn zij en keek haar met halfdichtgeknepen ogen aan.

‘Je bent weer in slaap gevallen’, zei ze berispend. ‘Was het niet goed misschien?’

‘Natuurlijk was het goed.’

Hij tilde de donsdeken op zodat ze zijn behaarde borst en een stukje van zijn vlezige hangbuik kon zien en wenkte haar met zijn hoofd.

‘Kom.’

Het klonk als een bevel, maar na wat ze vannacht had gedaan kon het niet meer erger. Ze trok haar ondergoed weer uit en ging naast hem liggen. Hij sloeg zijn armen om haar heen en trok haar tegen zich aan. De warmte van haar lichaam wond hem op. Hij liet zijn hand over haar gladde schouders glijden tot aan haar kontje. Thuis kreeg hij nog zelden een spontane erectie en zeker nooit twee keer na elkaar. Aan wie zou dat kunnen liggen, dacht hij. Aan mij of aan mijn vrouw? Kira liet zich gewillig betasten.

‘Je gaat me toch niet in de steek laten, Frederik?’

Hij duwde haar op haar rug en begon haar borsten te masseren. Kira had hele mooie meisjesborsten met kleine, bijna rode tepels, ze had een platte strakke buik en een streepje schaamhaar dat donzig aanvoelde.

‘Beloofd is beloofd, meid. Jij wordt de nieuwe Miss Flanders. Maar dan moet je me één ding beloven.’

‘Ik spreek niet meer met de politie.’

Bombé kneep speels in haar linkertepel. Tenminste, hij dacht dat het speels was. Ze moest op haar tanden bijten om het niet uit te schreeuwen van de pijn.

‘In ieder geval niet zonder mijn toestemming.’

Hij stopte zijn hand tussen haar dijen. Ze wist wat hij van plan was. Zelfs de meest egoïstische man probeert af en toe zijn partner te bevredigen, het probleem is dat ze er meestal niets van terechtbrengen. Dus nam ze zelf het initiatief. Ze pakte zijn ding vast, met als gevolg dat zijn hand tussen haar dijen verslapte en hij begon te kreunen.

‘Hoe wil je het hebben?’

Ze liet haar stem met opzet schor klinken omdat ze ergens had gelezen dat mannen daar geil van werden. Bombé las blijkbaar dezelfde boekjes als zij. Hij reageerde onmiddellijk.

‘Berijd me.’

‘Oké.’

Ze trok het dekbed weg en deed wat hij van haar verlangde. Als de klootzak zijn belofte niet nakwam, zou ze de foto’s die ze vannacht met haar mobieltje had gemaakt naar zijn vrouw opsturen. Of nog beter: naar de pers. Het was een troostende gedachte. Ze wierp een vluchtige blik op haar horloge. Hemeltje, was het al zo laat?

‘Ju, paard.’

Haar bekkenbodemspieren namen het werk over. Twee minuten later was het zover en kon ze weer afstijgen. Het paard hijgde amechtig. Ze gaf hem een zoentje, sprong fluks uit het bed en huppelde naar de badkamer. Dit keer hoefde ze alleen te douchen.

Van In aaide zachtjes haar buik, die al een beetje bol stond, zelfs als ze op haar rug lag. Hij had zich zorgen gemaakt in het begin van de zwangerschap, maar nu zag hij de toekomst hoopvol tegemoet. Het was alleen nog wachten op de resultaten van de tests die ze had laten uitvoeren. Er kon natuurlijk altijd iets mislopen, ze waren tenslotte allebei niet meer van de jongsten, maar hij had geleerd dat een positieve instelling de toekomst gunstig kon beïnvloeden. Bovendien was het beter het lot niet te tarten.

‘Hoe gaan we hem noemen?’

Hannelore ging half rechtop in bed zitten.

‘Waarom ben jij zo verdomd zeker dat het een jongen is?’

‘Omdat het zaad van een oude beer uitsluitend jongens produceert.’

‘Opschepper.’

Ze liet haar hoofd weer op haar kussen neerzakken en staarde naar het plafond. Ze had ook graag een jongen gehad, maar ze kon niet verdragen dat hij zo zelfverzekerd deed.

‘Vraag het dan aan de dokter als je me niet gelooft.’

‘We hebben afgesproken dat we dat niet zouden doen.’

‘Wat dacht je van Julien?’

‘Julien.’

‘Ja, Julien.’

Ze deed haar ogen dicht. Julien was een mooie naam. Een beetje ouderwets, maar hij had wel iets. Julien Van In. Het klonk zelfs goed. Ze kreeg echter niet de tijd om haar goedkeuring uit te spreken. De telefoon maakte abrupt een einde aan hun gemijmer. Hannelore schrok toen ze de stem van procureur Beekman herkende.

‘Sorry dat ik jullie zo vroeg stoor, Hanne, maar het kon echt niet langer wachten. Is Van In in de buurt?’

‘Hij ligt naast me.’

‘Dan heeft hij meer geluk dan ik’, grapte Beekman.

‘Zal ik hem doorgeven?’

‘Ja, graag.’

Hannelore stond op, liep naar de badkamer en ging onder de douche staan. Het ontbijt konden ze waarschijnlijk vergeten. Beekman belde immers niet zomaar. Je kon er donder op zeggen dat het dringend was.

De procureur woonde in een statig herenhuis in de binnenstad dat hij destijds voor een prikje van een bevriende aannemer had gekocht. Hij verwelkomde Van In en Hannelore aan de voordeur. In een donkerrode kamerjas. Het duurt nog minstens een uur voor het gerechtsgebouw opengaat, had hij aan de telefoon gezegd. En ik moet om tien uur in Antwerpen zijn. Kom bij mij langs. Kunnen we samen ontbijten. De tafel stond inderdaad gedekt. Er waren twee soorten broodjes, koffiekoeken met chocolade, kaas en potjesvlees uit Veurne.

‘Niet slecht voor een vrijgezel’, zei Hannelore met een scheve glimlach.

Beekman was al jaren gescheiden van zijn vrouw. Sindsdien leefde hij alleen in het grote huis. Hij had af en toe een scharrel met een stagiaire of een jonge advocate, maar tot een echte relatie was het nooit meer gekomen.

‘Koffie of thee?’

‘Ik heb liever warme chocolade’, lachte Van In.

‘Dat is geen probleem.’

Beekman verdween naar de keuken. Van In kreeg een berispende blik van Hannelore. Hij haalde zijn schouders op. Wat had hij nu weer misdaan?

‘Het is een nogal kiese zaak’, zei Beekman toen iedereen bediend was. ‘Daarom is het misschien niet slecht dat we ze hier bespreken. De minister heeft namelijk gebeld, moet je weten.’

‘Vanochtend toch niet?’

‘Toch wel, Van In. Ministers zijn vroeger op de been dan de meeste ambtenaren.’

‘Zeker als ze bij hun minnares zijn blijven slapen’, reageerde Van In vrolijk.

‘Je gaat toch weer niet beginnen’, zuchtte Hannelore.

Ze was zijn jarenzestigmentaliteit dat alle politici corrupt en alle industriëlen fascisten zijn beu. Tegenwoordig was een minister die vroeg uit de veren was niet automatisch synoniem aan een hoerenloper.

‘Hannelore heeft gelijk.’

Beekman nipte van zijn koffie en keek steels naar Hannelore, die zijn blik niet durfde te beantwoorden omdat ze bang was om Van In tegen zich op te zetten. Het ging nu al een tijdje goed tussen hen en dat wilde ze niet verkwanselen.

‘Laten we dan hopen dat het om een legitieme vraag gaat’, zei ze ernstig.

Haar opmerking bracht Beekman duidelijk van zijn stuk. Hij glimlachte zenuwachtig en maakte een nutteloos gebaar met zijn handen.

‘Het is een verzoek’, zei hij voorzichtig. ‘Maar jullie weten net zo goed als ik dat ik moeilijk een verzoek van de minister naast me neer kan leggen.’

‘Zie je dat ik gelijk heb’, beet Van In. ‘Het is altijd hetzelfde.’

‘Laat me dan alsjeblieft eerst uitspreken.’

Het ging over meneer Wulong Zhang, de Chinese zakenman die in het Kempinski-hotel logeerde en met wie Van In gisteren een afspraak had proberen te regelen.

‘Meneer Wulong Zhang leidt de onderhandelingen in verband met nieuw containervervoer tussen China en Zeebrugge. Er is sprake van een miljoen containers per jaar en de minister zou het bijzonder jammer vinden als de haven van Zeebrugge een dergelijk contract misloopt alleen maar omdat een commissaris van de lokale politie meneer Zhang aan de tand wil voelen over een zaak waar hij helemaal niet bij betrokken is.’

‘Wie zegt dat?’

‘Ssst, Van In. Je hebt beloofd dat je Jozef zou laten uitspreken.’

Van In beet nijdig van een koffiekoek. Hij hield zich gedeisd om Hannelore niet voor het hoofd te stoten. Het was niet de eerste keer dat Beekman hem vroeg om een oogje dicht te knijpen. Daar kon zij niets aan doen. Het was alleen de vraag of hij zich aan de wensen van meneer de minister zou conformeren.

‘Chinezen zijn bijzonder trotse mensen en ze haten gezichtsverlies. Een onschuldig verhoor is voldoende om de onderhandelingen te laten mislukken. Vergeet niet dat het om meer dan tweehonderd nieuwe banen gaat.’

‘En ettelijke honderden miljoenen euro’s’, grijnsde Van In. ‘Of delen de nieuwe havenarbeiders ook mee in de winst?’

Het gezicht van Beekman verstrakte. Van een politieman werd verwacht dat hij rechtlijnig was, maar er waren grenzen. Perfectie was het werk van de duivel, perfectie maakte een samenleving onleefbaar, met perfectie botste je alleen met je hoofd tegen de muur.

‘Doe toch eens normaal, Van In.’

‘Moet ik normaal doen? Eerst dwing je me om een schimmige Chinees op te sporen en nu het onderzoek vordert, moet ik alles afblazen.’

‘Alles is overdreven, Pieter.’ Beekman probeerde zijn stem zachter te laten klinken. ‘Ik neem aan dat meneer Wulong Zhang niet de enige Chinees is die in het Brugse verblijft.’

‘Dat is waar, Jozef’, zei Hannelore, die de hele tijd stil had zitten luisteren. ‘Maar het is toch merkwaardig dat zo’n incident plaatsvindt op het ogenblik dat iemand als meneer Wulong Zhang in Brugge verblijft.’

‘Ik vrees dat ik je redenering niet volg, Hanne.’

‘Ik wel’, snoof Van In. ‘De misdaad is nooit ver weg als er grote belangen op het spel staan.’

‘Oké’, knikte Beekman. ‘Maar leg mij dan uit welk verband er bestaat tussen een Chinese zakenman die hier over een megacontract komt onderhandelen en een meisje dat deelneemt aan een missverkiezing?’

Er kwam niet onmiddellijk een antwoord op die vraag. Beekman verwachtte ook geen antwoord. Hij wilde Van In alleen laten inzien dat het geen zin had meneer Wulong Zhang lastig te vallen. Hij had hem van de zaak kunnen halen, maar hij kende Van In al meer dan lang genoeg om te weten dat hij zich daar niet bij zou neerleggen en op eigen houtje zou doorgaan. Dat moest hij hoe dan ook zien te vermijden. De minister had zeer duidelijke taal gesproken. Meneer Wulong Zhang mocht onder geen beding lastiggevallen worden.

‘Ik heb vernomen dat in Zeebrugge iemand zelfmoord heeft gepleegd’, zei hij minzaam. ‘Is dat niets voor jou?’

Echte rechercheurs houden zich niet bezig met zelfmoorden. Dat soort zaken laten ze liever aan psychologen en psychiaters over. De reactie was dan ook voorspelbaar. Van In haalde verveeld zijn schouders op. Aan de andere kant was er niet veel werk. De hele dag op kantoor zitten was niets voor hem. En dat speelde Beekman handig uit. Hij probeerde de pil te vergulden.

‘Waarom doen jullie het onderzoek niet samen?’

Van In keek verbaasd op. Onderzoeksrechters hielden zich niet bezig met zelfmoorden, tenzij hij of zij vermoedde dat er sprake was van misdadig opzet. Hannelore reageerde echter voor hij iets kon zeggen.

‘Ik vind het prima’, zei ze enthousiast.

Ze begreep perfect waar Beekman naartoe wilde. Een dagje uit met haar man zag ze wel zitten.

‘Dan heb ik waarschijnlijk geen keus’, zuchtte Van In.

‘De meeste rechercheurs zouden het fijn vinden een dagje met een knappe onderzoeksrechter op te trekken’, glimlachte Beekman.

Hij was blij dat het allemaal goed afgelopen was. Op die manier was iedereen tevreden.

De zon scheen toen ze over de parking van het gerechtsgebouw liepen waar de auto stond. Een jonge advocate die hen kruiste had zelfs haar jas uitgetrokken.

‘Wat doen we nu?’

‘Guido ophalen natuurlijk.’

‘Is dat nodig?’

Van In bleef staan, sloeg zijn armen om haar heen en gaf haar een zoen op haar mond. Haar zachte warme lichaam deed hem bijna duizelen. Hij drukte haar nog steviger tegen zich aan terwijl hij van het kostbare moment genoot. Het gebeurde immers niet vaak dat hij zich zomaar gelukkig voelde. Het zou dan ook zonde zijn zo’n moment niet te koesteren.

‘Eigenlijk niet. Als je het mij vraagt kan Guido best een vrije dag gebruiken.’

‘Bel ik hem of doe jij het?’

‘Jouw stem klinkt mooier dan de mijne.’

‘Wow. Meneer wordt romantisch.’

Hij liet zijn hand over haar rug naar beneden glijden en kneep speels in haar billen, zonder zich iets aan te trekken van de blikken van de voorbijgangers. Een van hen, een aartsconservatieve katholieke rechter, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de Heer om vergiffenis vroeg vanwege zijn zondige gedachten.

‘Meneer wordt niet romantisch, meneer ís romantisch.’

Hij wierp een blik op zijn horloge. Het was twintig over tien.

‘Weet je wat we doen?’

‘Nee’, zei ze. ‘Maar ik kan het wel raden.’

Van In parkeerde de Golf pal voor het terras van café Zonder Naam aan de vissershaven van Zeebrugge. Het was er al behoorlijk druk ondanks het relatief vroege tijdstip, maar ze vonden gelukkig nog een plaatsje in de zon. Van In bestelde een Duvel en een portie wulken. Hannelore deed voor een keer alsof ze niet zwanger was: ze nam een glas witte wijn.

‘Zie ons hier zitten’, zei ze terwijl ze haar benen onder de tafel strekte.

Café Zonder Naam was een ouderwetse kroeg waar vissers en havenarbeiders een pilsje kwamen drinken. Je kon er garnalen, wulken en langoustines eten. Of kroketten uit het vuistje en broodjes met gehakt. Er kwamen ook toeristen over de vloer. Die waren welkom zolang ze zich aanpasten aan de plaatselijke gebruiken. Mensen met kapsones werden scheef bekeken of heimelijk uitgelachen.

‘In opdracht van het parket nog wel’, grinnikte Van In.

‘Volgens mij ben je niet van plan om nog veel te doen.’

‘Dat weet ik nog zo zeker niet.’

‘Ik zou niet weten wat we kunnen doen’, zei ze. ‘Zolang het lijk niet aanspoelt, valt er niets te onderzoeken.’

‘Dat bedoelde ik niet.’

‘Pieter Van In. Je hebt beloofd dat je de Chinees met rust zou laten.’

Ze rechtte haar rug. Haar ogen keken hem strijdlustig aan. Twee havenarbeiders die naar hun auto stapten, draaiden zich om en staarden ongegeneerd naar haar borsten, die duidelijk onder haar bloes opwelden.

‘Dat is waar, maar die belofte geldt niet voor meneer Cosyns.’

‘Wie is Cosyns?’

‘Cosyns is de voorzitter van de Zeebrugse havenmaatschappij die met Wulong Zhang over het contract onderhandelt.’

Hij nam een wulk uit het schaaltje en peuterde het lijfje met een tandenstoker uit de schelp. Hannelore nam een slokje wijn. Ze had het kunnen denken. Van In was niet van plan om de zaak met de Chinees te laten rusten. Ze wist uit ervaring dat het geen zin had om te proberen hem op andere gedachten te brengen. Hij was koppiger dan mevrouw Milquet.

‘Dan kan een gesprek met meneer Cosyns waarschijnlijk geen kwaad’, zei ze voorzichtig.

‘Dat denk ik ook niet.’

Van In liet nog een portie wulken aanrukken en bestelde ondertussen nog een Duvel.

De haven van Zeebrugge heeft de voorbije decennia een enorme uitbreiding gekend. De activiteiten zijn in dezelfde mate toegenomen. Kiwi’s, auto’s en containers zijn de meest verscheepte goederen, en ook het vervoer van aardgas vormt een niet onaanzienlijk deel van het goederenverkeer. Hoewel de haven dreigt te verstikken tussen de bebouwde kommen van Heist en Zeebrugge en het hinterland bijna tot in Brugge reikt, lijkt aan die ontwikkeling voorlopig geen eind te komen. Dat was voor een deel het werk van de voorgangers van Cosyns, maar de explosieve groei van de haven was er onder zijn voorzitterschap gekomen. Dat gaven vriend en vijand grif toe. Johan Cosyns was een geniale workaholic met slechts één ambitie: hij wilde van Zeebrugge de modernste en snelste haven ter wereld maken, een oogmerk dat in het buitenland op veel bijval kon rekenen en zich in de loop van de jaren in megagrote contracten had vertaald. Het contract met China was de enige parel die nog aan zijn kroon ontbrak. Het was om die reden dat hij een minder belangrijke afspraak verschoof toen zijn secretaresse hem belde met de mededeling dat commissaris Van In hem wenste te spreken in verband met meneer Wulong Zhang. Hij liet onmiddellijk koffie en gebak en een fles oude cognac aanrukken, omdat hij vastbesloten was de laatste schermutseling in de kiem te smoren.

‘Goedemiddag mevrouw’, zei hij toen Van In een halfuur later arriveerde in het gezelschap van een charmante jonge vrouw, die volgens hem onmogelijk bij de politie kon werken. Daarvoor had ze te veel klasse.

‘Mag ik u Hannelore Martens voorstellen’, zei Van In. ‘Mevrouw Martens is onderzoeksrechter.’

Cosyns probeerde zijn glimlach niet te laten verstrakken, terwijl hij zich afvroeg waarom er een onderzoeksrechter was meegekomen. Hij loodste zijn bezoek naar een zithoek bij het raam dat uitkeek over de haven. Een medewerker in een deftig blauw pak serveerde koffie en gebak. Van In kende de tactiek, maar hij hield wijselijk zijn mond. Hij was niet te koop voor een taartje en een borrel.

‘Wat wilt u weten over meneer Wulong Zhang?’

Cosyns viel met de deur in huis. Hij had een hekel aan eindeloze palavers. Een directe aanpak leverde meestal het snelst resultaten op. Hij had bovendien weinig tijd. Zijn agenda stond volgeboekt tot laat in de avond. Van In sneed rustig een stukje van het gebak af en stopte het in zijn mond. Hij had tijd zat.

‘Er is een meisje aangerand in het Astridpark’, zei hij met een halfvolle mond. ‘Een finaliste van de Miss Flandersverkiezing.’

Hij vertelde uitgebreid wat er gebeurd was. Cosyns kon het niet laten om ondertussen zenuwachtig een blik op zijn horloge te werpen. Hij werd nerveus en dat was precies de reden waarom Van In het verhaal rekte.

‘Dat lijkt me allemaal heel spannend, commissaris. Maar ik begrijp niet goed wat meneer Wulong Zhang daarmee te maken heeft.’

‘Ik ook niet’, zei Van In. ‘Het probleem is dat meneer Wulong Zhang moeilijk aanspreekbaar is. Naar verluidt leidt hij een belangrijke Chinese handelsmissie. Bepaalde politici zijn bang dat een interventie van de politie roet in het eten zou kunnen gooien. Daarom zijn we bij u terechtgekomen.’

‘Dat is heel verstandig, commissaris. Hoewel ik nog steeds niet begrijp waarom…’

‘Het meisje werd aangerand door een jonge Chinees. Ik wil alleen weten uit hoeveel personen de Chinese handelsmissie bestaat en waar ik hen kan vinden.’

Dat moet u aan meneer Zhang vragen, had Cosyns in normale omstandigheden gezegd. En wilt u me nu excuseren want ik heb nog een paar dringende afspraken. Het laatste was waar, maar hij wilde de commissaris niet ergeren.

‘Ik kan uw vraag niet onmiddellijk beantwoorden’, zei hij met een bezorgde trek om zijn mond. ‘Maar ik kan het wel voor u laten natrekken.’

Hij drukte op de knop van de intercom en gaf zijn secretaresse de opdracht een lijst op stellen met de namen van de medewerkers van meneer Wulong Zhang. Hij zei ook dat het dringend was.

‘Mijn secretaresse mailt u straks alles door.’

‘Dat hoeft niet’, zei Van In. ‘Ik wacht wel.’

Cosyns forceerde een glimlach. In zijn binnenste woedde een storm van verontwaardiging. De minister had hem verzekerd dat de politie meneer Wulong Zhang met rust zou laten. Over zijn medewerkers had hij met geen woord gerept. Maar als de politie hen aan de tand voelde, was dat bijna even erg. Voor ieder probleem bestaat een oplossing, was zijn devies, hij zocht koortsachtig om er een te vinden. Een commissaris kon hij wellicht omkopen, maar als hij dat met een onderzoeksrechter probeerde, begaf hij zich op glad ijs. Tijd winnen en de minister bellen leek een efficiënte manier om het probleem op te lossen. Het nadeel was dat ze dan onmiddellijk zouden doorhebben dat hij erachter zat. Het minst erge was de waarheid vertellen. Hij wendde zich tot Hannelore.

‘Ik weet dat bepaalde dingen heel delicaat liggen, mevrouw’, begon hij voorzichtig. ‘Maar…’ Hij bouwde de aarzeling met opzet in en keek haar recht in de ogen.

‘Zegt u het maar, meneer Cosyns.’

Ze zei precies wat hij verwacht had. Magistraten waren gewend om te onderhandelen. De onderzoeksrechter zou hem laten uitspreken. En wie weet had ze begrip voor zijn standpunt. Als hij haar kon overtuigen, kon hij het gevaar misschien afwenden.

‘Meneer Wulong Zhang staat op het punt een belangrijk contract te ondertekenen, een contract waar alle Europese havens als gieren op azen. Als wij ernaast grijpen, stappen de Chinezen zonder enige twijfel over naar de concurrentie. Justitie moet natuurlijk zijn werk kunnen doen, maar als ik het goed begrijp is meneer Zhang geen verdachte. Als alles goed gaat, kunnen we de besprekingen over een paar dagen afronden en het contract volgende week al ondertekenen.’

Hannelore knikte. Het was nu duidelijk wie de minister onder druk had gezet.

‘Ik vind dat meneer Cosyns een punt heeft’, zei ze met een ingehouden glimlach. ‘Wat denkt u, commissaris?’

Van In speelde het spel mee. Er waren twee mogelijkheden: Cosyns had gelijk en meneer Wulong Zhang had niets met de zaak te maken of het was net andersom. In het laatste geval zaten ze in een wespennest.

‘Een paar dagen uitstel kan geen kwaad’, zei hij minzaam. ‘Op voorwaarde dat meneer Cosyns ons op de hoogte houdt van de stand van zaken.’

‘Dat spreekt voor zich.’

‘In dat geval zie ik niet in waarom we de medewerkers van meneer Zhang onmiddellijk zouden lastigvallen’, zei Hannelore.

‘Maar ik wil wel de lijst met de namen.’

‘Dat is geen probleem, commissaris.’

De goden waren hem gunstig gezind. Er werd geklopt. Het was zijn secretaresse met de lijst. Cosyns moest zich bedwingen om haar niet in zijn armen te sluiten en haar een flinke knuffel te geven. Hij glimlachte breed en keek haar met dankbare ogen aan.

De Chinese handelsmissie bestond uit vier personen. Twee mannen en twee vrouwen. Een van de mannen was vijfenzestig, de andere zesendertig. De vrouwen logeerden in een eenvoudig pension, de mannen in het Crowne Plaza op de Burg in Brugge.

‘Kira schatte haar aanrander een jaar of dertig. Chinezen zien er meestal jonger uit dan ze zijn. Het zou kunnen kloppen. En het hotel ligt op een paar minuten lopen van het Astridpark.’

‘Het zou inderdaad kunnen’, zei Hannelore. ‘Mannen die vaak in het buitenland verblijven, voelen zich eenzaam. En iedereen weet dat eenzame mannen hun testosteron niet de baas kunnen.’

‘De meeste mannen toch niet’, verdedigde Van In zich.

‘Jij wel?’

‘Natuurlijk. Wat denk je wel?’

‘Mmm’, zei ze.

‘Ik verblijf ook nooit alleen in het buitenland.’

‘Dat klinkt al eerlijker’, plaagde ze. ‘Maar je hoeft niet in het buitenland te verblijven om een scheve schaats te rijden.’

Ze had zin om hem op stang te jagen en het lukte aardig. Hij begon zich op te winden.

‘Je gaat daarover toch niet beginnen zeker.’

‘Saskia is een mooie meid en je brengt bijna evenveel tijd met haar door als met mij.’

‘Saskia zou mijn dochter kunnen zijn.’

Zijn stem schoot uit en zijn neusvleugels trilden. Ze had gelijk, Saskia liet hem niet onberoerd. Als hij twintig jaar jonger was geweest, had hij misschien een poging ondernomen om haar te verleiden en het was hem waarschijnlijk ook gelukt. Saskia stak haar gevoelens voor hem niet onder stoelen of banken. Er werd over hen geroddeld en hij kon niet ontkennen dat het zijn ego streelde, maar Hannelore hoefde zich geen zorgen te maken. Hij hield alleen van haar. Bovendien was zijn testosteron in de loop van de jaren behoorlijk afgenomen. Om nog maar te zwijgen van de ellende die een slippertje met zich meebracht.

‘Ze is inderdaad nog jong’, meesmuilde Hannelore. ‘En wellicht ook een tikkeltje onervaren.’

‘Hoe kun jij dat weten?’

‘Ik bedoel op professioneel vlak.’

Van In trok zijn wenkbrauwen op. Als hij Saskia nu verdedigde, zou ze argwaan gaan koesteren. En dan. Hij had niets te verbergen. Het meisje mocht dan jong zijn, ze kende haar vak.

‘Ik heb haar zelden op een fout betrapt’, zei hij kordaat.

‘Dan heeft ze er nu een gemaakt. De Chinees van zesendertig logeert in een Brugs hotel, Van In. Normaal trek je zoiets na. Waarom heeft ze dat niet gedaan?’

Ze had gelijk. Saskia had een lijst gemaakt met de namen van alle Chinezen van rond de dertig die in Brugge en omstreken woonden of verbleven. Waarom had ze de hotels dan niet nagetrokken?

‘Er is maar één manier om daarachter te komen’, zei hij. ‘Ik vraag het haar.’

Hij kreeg de tijd niet om te bellen. Zijn mobieltje ging over terwijl hij haar nummer aan het opzoeken was. Het was de scheepvaartpolitie. Een patrouilleboot had een uur geleden het lijk opgevist van een jonge naakte Chinees.

‘We komen onmiddellijk’, zei Van In.

De hoofdinspecteur van de scheepvaartpolitie stond op hen te wachten op de kaai waar de patrouilleboot straks zou aanleggen. Hij begroette Van In met een droge handdruk, Hannelore kreeg een glimlachje.

‘Ik denk dat het mysterie opgelost is’, zei hij.

‘Laten we hopen.’

Van In stak een sigaret op en keek grimmig over het water naar de patrouilleboot, die met matige snelheid de haven binnenstoomde. Er lag een draagberrie op het dek met een lijkenzak. De hoofdinspecteur had waarschijnlijk gelijk. De kans was groot dat de dode Chinees en de Chinees die ze zochten een en dezelfde persoon was. Maar daarom was het mysterie nog niet opgelost. De boot kwam tergend langzaam dichterbij, want er stond nogal wat stroming en de kapitein was nog niet gewend aan de jetaandrijving waardoor hij bijzonder voorzichtig was. Van In gooide zijn half-opgerookte sigaret weg, pakte zijn mobieltje en belde Saskia. Hij glimlachte toen bleek dat ze geen fout had gemaakt. De Chinese delegatie was pas gisteren in Brugge aangekomen. Het pleitte de Chinees van zesendertig niet onmiddellijk vrij, de delegatie had daarvoor een paar dagen in de Chinese ambassade in Brussel verbleven, maar het maakte hem minder verdacht. Ze hoefden alleen nog te controleren of hij een alibi had en dat was wellicht een formaliteit. De man die ze zochten lag op het dek van de patrouilleboot. Als na identificatie bleek dat hij de dader was, konden ze aannemen dat de aanranding van Kira een banaal incident was en het onderzoek afsluiten.

‘Scheelt er iets?’ vroeg Hannelore.

‘Nee.’

‘Dan is het goed’, glimlachte ze.

De secretaresse probeerde Louise af te schepen met het argument dat meneer Cosyns het bijzonder druk had en dat ze beter een andere keer kon terugbellen, maar toen de naam Wulong Zhang viel, besloot ze haar toch maar door te verbinden.

‘Hallo.’

‘Spreek ik met meneer Cosyns?’

‘Inderdaad. Wat kan ik voor u doen?’

‘Ik beschik over informatie die u wellicht zal interesseren’, zei Louise. ‘In verband met meneer Wulong Zhang’, voegde ze eraan toe. ‘Kunnen we elkaar ergens ontmoeten?’

Cosyns dacht eerst dat het om een flauwe grap ging, maar ze maakte hem snel duidelijk dat het menens was.

‘Als ik naar de pers stap, kunt u het contract met Wulong Zhang op uw buik schrijven, meneer Cosyns. Zoiets stelt u toch niet in de waagschaal voor vijftigduizend euro?’

Ze had gelijk. Vijftigduizend euro stelde niets voor vergeleken bij de omvang van het contract. Het was alleen de vraag of de informatie waarover ze beschikte zoveel waard was, maar wat als ze gelijk had?

‘Oké. Waar spreken we af?’

‘Ik bel u nog’, zei Louise.

Ze hing met een triomfantelijke glimlach op. Met vijftigduizend euro kon ze de televoting straks behoorlijk manipuleren, had Bombé haar verzekerd toen ze hem om advies had gevraagd. Whaw. Ze maakte een sprongetje in de lucht. Als alles naar wens verliep, werd zij Miss Flanders 2009.





6


De moderne mens heeft de dood steriel gemaakt. Je ziet nog amper dat iemand dood is en je ruikt het ook niet meer. Het mortuarium van het az Sint-Jan beantwoordde perfect aan die omschrijving. Wie er binnenging, kon niet vermoeden dat hij tussen lijken liep. Ze lagen netjes in gekoelde schuifladen aan weerskanten van de gang. Zlotkrychbrto stond in de deuropening van de snijkamer. Hij had een witte kiel aan en er lag een scalpel in zijn vlezige vuist.

‘Hoi Pjetr’, zei hij met een vermoeide glimlach.

Hij had wallen onder zijn ogen en zijn neus kleurde bijna purper, maar daar trok de onverwoestbare Pool zich niets van aan. Hij leefde, de anderen waren dood. Hij wist dat hij ooit de prijs voor zijn bourgondische levensstijl zou moeten betalen, maar ondertussen zoog hij het leven met volle teugen op. Van In drukte hem de hand en gaf hem een schouderklopje. Versavel schudde meewarig zijn hoofd.

‘Veel valt er niet te melden’, zei Zlotkrychbrto.

De Chinees lag op de snijtafel met een opengezaagde borstkas die gaapte als een breed ravijn. Zijn longen lagen in een schaal van roestvrij staal.

‘Verdronken?’

‘Inderdaad. Er zit water in zijn longen en zijn lichaam vertoont geen enkel spoor van geweld.’

Zlotkrychbrto glimlachte.

‘Hij heeft wel iets dat ik niet heb en jij waarschijnlijk ook niet.’

Hij pakte de kleine penis in zijn hand en schoof de voorhuid met zijn duim naar achter. In de eikel zat een soort kratertje.

‘Een prince Albert.’

‘Tiens’, zei Van In. ‘Ik wist niet dat Chinezen zoiets deden. Zat er een ring in?’

‘Nee.’

Hij liet de penis los en veegde zijn hand schoon aan zijn kiel. Niet omdat hij de kleine penis vies vond, het was gewoon routine.

‘Heeft hij nog bijzondere uiterlijke kenmerken?’

‘Ken jij een Chinees zonder tatoeages?’

Van In schudde zijn hoofd.

‘Ik ook niet.’

Zlotkrychbrto draaide de Chinees op zijn zij.

‘Origineel. Vind je niet?’

Op het rechterschouderblad was een kleine draak getatoeëerd met een vurige tong en gekromde klauwen. Van In boog zich voorover en bekeek het figuurtje van dichtbij.

‘Hij heeft iets roods in zijn klauwen.’

‘Een hartje’, zei Zlotkrychbrto.

Hij reikte Van In een loep aan, want met het blote oog kon je moeilijk zien wat de draak in zijn klauwen hield.

‘Een hartje’, herhaalde Van In. ‘Wat zou dat betekenen?’

‘Dat een mens die zijn hart volgt uiteindelijk in de klauwen van de draak terechtkomt’, filosofeerde Zlotkrychbrto. ‘Volgens mij was die kerel getrouwd.’

‘Als je gelijk hebt, had hij ook zin voor humor’, merkte Versavel droog op.

De luchtige conversatie zorgde voor een gezellige sfeer, waardoor ze even vergaten waar ze zich bevonden. Van In had hier best een Duvel kunnen drinken en een sigaret roken. Waarom zich zorgen maken over de dood? Iedereen ging toch dood. Het was alleen jammer dat een mens geen getuige meer kon zijn van wat er daarna gebeurde. Hoe lang zou Hannelore om hem rouwen? Zou ze een andere man nemen? Zo ja, wanneer? Een andere man. Wilde hij dat wel zien? Stel je voor dat hij hen bezig zag in de slaapkamer of op de bank. De gedachte bezorgde hem een wee gevoel in zijn maag.

‘Dokter.’

Zlotkrychbrto sloeg gretig zijn ogen op. Van In draaide zijn hoofd om. Een ziekenhuis is een poel van verderf, dacht hij toen hij de jonge verpleegkundige in tegenlicht in de deuropening zag staan. Je kon zo door haar dunne jas kijken.

‘Wat is er, meisje?’

Het meisje – Van In schatte haar een jaar of vijfendertig – glimlachte, hoewel ze het compliment al honderden keren had gekregen. Ze wist dat Zlotkrychbrto haar begeerde, net als iedere heteroseksuele dokter in het ziekenhuis, en ze vond het best prettig om complimentjes te krijgen. Het wond haar zelfs op dat mannen op haar geilden. Er was er toch maar één die daarvan profiteerde: haar man.

‘Mevrouw Konings is er. Zal ik haar binnenlaten?’

Ze wierp een schuine blik op het lijk met de opengezaagde borstkas. Zlotkrychbrto begreep de hint. Hij pakte het laken, dat aan het voeteinde van de snijtafel lag, en trok het tot onder de kin van de Chinees.

‘Your wish is my command, dear.’

Kira droeg een spijkerbroek, rode pumps met hoge hakken en een dunne, loszittende trui met rolkraag. Ze had geen make-up op en haar blonde haar hing los. Het was allemaal vergeefse moeite. De mannen bleven haar op straat nafluiten. Ze voelde de stekende blik van Zlotkrychbrto.

Hij deed haar even denken aan Bombé. Een dikke buik en een kleine fluit. Het donshaar op haar armen kwam overeind toen ze eraan dacht. Het wende gelukkig. De eerste keer dat ze het met de vetzak had gedaan, was ze walgend naar de badkamer gelopen; nu hoefde ze alleen nog de knop om te draaien. Meer nog, de vetzak bevredigen gaf haar een gevoel van onbeperkte macht.

‘Hoe gaat het met u?’ vroeg Van In beleefd.

Ze drukte hem de hand, terwijl ze zich afvroeg of hij ook op haar geilde. Getrouwde mannen waren nog perverser dan vrijgezellen. Dat had ze aan den lijve ondervonden.

‘Met mij gaat het goed, commissaris.’

Ze draaide zich om en reikte Versavel de hand. Voor hem hoefde ze niet bang te zijn. Alleen hetero’s boezemden haar angst in, en de dood. Ze had bij het binnenkomen een blik op de snijtafel geworpen. Het beeld van de dode Chinees zou een tijdje op haar netvlies blijven staan. Eén blik was voldoende geweest. Hij was de man die haar in het park had proberen te vermoorden. Ze hoopte dat de procedure niet al te veel tijd in beslag zou nemen en dat Van In haar niet met vervelende vragen zou lastigvallen.

‘Als dit de man is die u heeft aangerand, hoeft u ook niets meer te vrezen’, zei Van In.

‘Hij is het’, zei ze kordaat.

‘En dat ziet u in één oogopslag?’

‘Als ik u was zou ik hem nog eens goed bekijken’, drong Van In aan.

‘Dat hoeft niet’, zei ze zelfverzekerd. ‘Ik weet zeker dat hij het is.’

Het maakte allemaal niet meer uit. De Chinees was dood. Hij zou Kira niet meer lastigvallen, maar daarmee was de kous niet af. De vraag waarom hij zelfmoord had gepleegd, bleef onbeantwoord. Van In kon zich moeilijk voorstellen dat hij uit wroeging had gehandeld.

‘Ik geloof u’, zei hij. ‘Maar bewijs me een dienst en bekijk hem nog eens goed.’

Ze haalde diep adem en ging met tegenzin naast de snijtafel staan. De ogen van de Chinees waren dicht en zijn mond was een beetje ingevallen, maar ze herkende hem uit duizend. Toch wachtte ze een poosje voor ze opnieuw bevestigde wat ze al twee keer had gezegd. Al was het maar om Van In een genoegen te doen.

‘Hij is het, commissaris.’

Ze zette een stap opzij en keek de andere kant op. Ze zag lijkbleek en haar neusvleugels trilden. Het was duidelijk dat ze hier zo snel mogelijk vandaan wilde.

‘Vooruit dan maar’, gaf Van In met tegenzin toe.

Hij had ervaring met ooggetuigen en hij wist dat ze meestal onbetrouwbaar waren en dat veel rechters daarom hun verklaringen niet ernstig namen. Mensen zagen wat ze wilden zien of ze herinnerden zich de gebeurtenissen anders dan ze hadden plaatsgevonden. In dit geval was er nog een bijkomend probleem: voor een westerling leken alle Chinezen op elkaar. Iedere advocaat had dat argument gebruikt om haar getuigenis op losse schroeven te zetten. Het probleem deed zich gelukkig niet voor. De Chinees was dood, hij hoefde niet meer voor de rechter te verschijnen.

‘Dan kunnen we dit dossier eindelijk afsluiten’, zei hij met een zucht.

‘Fijn. Het wordt tijd dat ik eindelijk weer rustig kan slapen.’

‘Blijft u nog lang in Brugge?’

‘Zaterdagavond is de finale in het casino van Knokke’, zei ze.

‘Ik hoop dat u wint’, zei Van In. ‘Dat meen ik.’

‘Ik wist niet dat u interesse had voor missverkiezingen’, zei Versavel ironisch.

‘Ik ook niet’, beaamde Zlotkrychbrto.

De reactie van beide mannen bracht haar in verwarring. Had ze die Van In dan toch verkeerd beoordeeld? Ze greep onmiddellijk haar kans.

‘Ik heb nog enkele kaarten over’, hakkelde ze. ‘Zal ik u er twee laten bezorgen?’

‘Waarom niet?’

Kira bleef staan en keek Van In onderzoekend aan.

‘Als u de finale bijwoont, verwacht ik dat u voor me stemt’, zei ze poeslief. ‘Hoe meer stemmen u op mijn naam uitbrengt, hoe groter mijn kansen worden om te winnen.’

‘Stemmen?’ vroeg Van In verbaasd.

Ze legde uit dat alle finalistes een aantal proeven moesten afleggen en daarop beoordeeld werden door een professionele jury, maar dat de uiteindelijke beslissing bij het publiek lag. Het was eigenlijk vrij simpel. De kandidate die de meeste sms’jes op haar naam kreeg won de wedstrijd. Een berichtje kostte een euro, waarvan zestig cent op de rekening van Bombé terechtkwam. Een kandidate die een beetje publiciteit had gemaakt, mocht op minstens vijftigduizend sms’jes rekenen, de winnares en de tweede en derde laureate, de zogenoemde eredames, haalden vlot het dubbele. De show werd immers rechtstreeks uitgezonden op de televisie en mensen deden tegenwoordig niets liever dan hun stem uitbrengen. De meesten realiseerden zich zelfs niet dat elke stem een euro kostte.

‘Hoeveel kost een kaartje eigenlijk?’

‘Tweehonderd euro.’

‘Hoor ik dat goed?’

‘U krijgt er dan ook een diner van vijf gangen en een wervelende show voor in de plaats’, lachte ze. ‘En champagne zoveel u op kunt.’

‘Tweehonderd euro. En dan moet ik nog stemmen.’

Zlotkrychbrto gaf Van In een dreun op zijn schouder. Voor hem kon de lol niet op. Hij deed er nog een schep bovenop.

Vierhonderd’, bulderde hij. ‘Of mag Hannelore niet mee?’

‘Vierhonderd euro’, herhaalde Van In van streek. ‘Daar moet ik verdomme een week voor werken.’

‘Niet overdrijven, Pjetr. Een commissaris verdient wel iets meer dan zestienhonderd euro per maand.’

Zowel Zlotkrychbrto als Versavel schoten in de lach, wat niet erg eerbiedig was met een dode in de buurt. Kira keek verbaasd naar de lachende gezichten. Mannen beweerden dat ze vrouwen niet begrepen, het omgekeerde was ook waar. Meenden die kerels nu wat ze zeiden of dolden ze maar wat met haar?

‘Maar bijlange niet zoveel als een wetsdokter’, beet Van In van zich af.

‘Je hebt gelijk, Pjetr. Ik neem de kaartjes wel.’

‘Geen sprake van’, reageerde Van In kregelig.

Zlotkrychbrto maakte een wegwerpgebaar en legde daarna zijn arm om Kira’s middel. Ze liet hem begaan. Ze was het stilaan gewoon dat mannen haar aanraakten. Ze mochten haar aanraken zolang ze zich geen illusies maakten. Toch niet voor een paar honderd euro.

‘Dan nodig ik deze juffrouw uit voor een etentje. Wat denk je van vanavond? Ken je restaurant ’t Stil Ende?’

‘Nee’, zei Kira.

‘Dat is geen probleem. Waar kan ik je komen ophalen?’

Hij liet zijn hand naar beneden glijden en kneep zachtjes in haar billen. Ook dat was ze gewend. De ogen van Zlotkrychbrto begonnen te glinsteren als briljanten in het zonlicht. Je kon zo zien wat hij aan het denken was. Van In keek vreemd op. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat een knappe meid als Kira zich laat inpalmen door een lelijke kerel als Zlotkrychbrto, dacht hij. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Kira haalde glimlachend de hand van haar billen en zei met een zoeterige stem dat ze zelf contact met hem zou opnemen als ze zin had in een etentje.

‘Ik neem aan dat jullie me niet langer nodig hebben?’ zei ze.

‘Ik in ieder geval niet’, reageerde Versavel gevat.

‘Fijn’, zei ze. ‘Tot ziens dan maar.’

Ze nam afscheid met een handdruk en liep heupwiegend door de gang naar buiten.

‘Bent u juffrouw Konings?’

Ze keek op. Op het parkeerterrein voor het mortuarium stond een man met een geruit hemd en een ribfluwelen broek. Hij glimlachte bescheiden en stak zijn hand naar haar uit.

‘Ik ben Jo De Ryck, journalist bij Het Nieuwsblad. Mag ik u een paar vragen stellen?’

‘Vragen stellen?’ vroeg ze verbaasd.

Bombé had hen niet alleen geleerd dat ze steeds moesten glimlachen, maar ook op het hart gedrukt dat ze nooit iemand van de pers mochten afwimpelen. Een slecht stuk in de krant is beter dan geen stuk, was zijn devies. Ze probeerde haar fout te herstellen.

‘Natuurlijk mag u mij een paar vragen stellen’, zei ze met een brede glimlach.

Ze keek even om zich heen. Er was gelukkig geen fotograaf in de buurt, want ze zag er niet uit.

‘Ik heb vernomen dat u een van de favorieten bent voor de verkiezing van Miss Flanders 2009’, zei De Ryck.

Hij was zelf niet vies van vrouwelijk schoon. Kira zag er zelfs niet opgemaakt beeldig uit. Toen ze hem de hand drukte, begon zijn hart sneller te kloppen.

‘We kunnen misschien ergens iets gaan drinken’, stelde hij voor.

De cafetaria van het ziekenhuis was vlakbij. Het was misschien niet de geschiktste plek om iemand te interviewen, maar à la guerre comme à la guerre.

‘Oké’, zei ze enthousiast. ‘Doe maar.’

Het klonk een beetje dubbelzinnig. De Ryck deed zijn best haar antwoord in de juiste context te plaatsen. Ze liepen samen langs een smalle asfaltweg naar het grote parkeerterrein dat zich voor het ziekenhuis uitstrekte.

‘Hoe wist u eigenlijk dat ik hier was?’ vroeg ze toen ze de lift naar de eerste verdieping namen, waar de cafetaria zich bevond.

‘Ik heb zo mijn bronnen’, glimlachte De Ryck.

Hij had zijn tipgever bij de politie honderd euro toegeschoven toen ze hem bij het parket niets hadden willen vertellen. Het was een gebruikelijke methode om aan informatie te komen.

‘Koffie?’

Ze knikte en ging aan het tafeltje zitten dat hij aanwees. Een aantal mannelijke patiënten die in de cafetaria hun krant zaten te lezen, hadden hen bij het binnenkomen aangestaard en hij had hen ook horen fluisteren toen ze voorbijliepen. Dat ze hem met haar associeerden maakte hem een beetje trots.

‘Heeft de politie het lijk kunnen identificeren?’ vroeg hij terwijl hij haar een kop koffie aanreikte.

Ze keek hem met grote ogen aan. Wees steeds op je hoede voor strikvragen. De pers probeert je op alle mogelijke manieren te manipuleren en je dingen te laten verklaren die mijn organisatie in een slecht daglicht stellen. Ze hoorde het Bombé zeggen.

‘Ik dacht dat het interview over de verkiezing ging.’

‘Dat is ook zo’, haastte De Ryck zich. ‘Ik wil gewoon een andere invalshoek voor mijn stuk vinden. De lezers willen een verhaal horen. En als ik me niet vergis ben je onlangs aangerand door een jonge Chinees?’

‘Dat klopt’, zei ze.

‘Dezelfde Chinees die de scheepvaartpolitie gisteren heeft opgevist.’

‘Ik denk het wel’, reageerde ze voorzichtig.

De journalist trok zijn wenkbrauwen op. Hij illustreerde daarmee zijn ongeloof. Meestal raakte de geïnterviewde daardoor een beetje van zijn stuk.

‘Heb je dat ook zo verklaard?’ vroeg hij schijnbaar terloops.

Ze schrok duidelijk. Als hij haar had weten te vinden, zou hij er ook wel achter komen wat ze verklaard had.

‘Hij was het.’

De Ryck knikte en glimlachte minzaam. De muur vertoonde een barst, hij hoefde hem alleen nog te slopen.

‘Kunt u mij ook vertellen wat er echt gebeurd is?’ vroeg hij met de nadruk op écht.

‘Ik ben aangerand.’

‘Wat bedoelt u met aangerand? Heeft hij u verkracht?’

‘Dat niet, maar hij heeft me wel proberen te vermoorden.’

‘Tiens’, zei De Ryck.

In het politieverslag dat hij had mogen inkijken, stond dat de Chinees haar bij de schouder had vastgegrepen en dat ze zich had weten los te rukken.

‘Hij probeerde me te wurgen’, zei ze met een prop in haar keel.

‘Hebt u dat ook aan de politie verteld?’

Ze schudde haar hoofd. De Ryck legde zijn pen neer en nam een slokje koffie. Een lichte euforie maakte zich van hem meester. Was dit een primeur?

‘Ik heb meneer Bombé gebeld’, zei ze. ‘Hij wilde per se dat ik een klacht indiende bij de politie.’

‘U wilde de zaak blauwblauw laten.’

‘Blauwblauw?’

Sommige meisjes zouden niet hebben durven toegeven dat ze niet begrepen wat hij met blauwblauw bedoelde. Het feit dat zij het wel deed, gaf haar krediet.

‘U wilde het liever stil houden.’

Ze keek hem vragend en tegelijkertijd een beetje wanhopig aan. Het interview was waarschijnlijk een foute keus geweest, maar ze kon nu niet meer terug. Ze moest zich zien te redden.

‘Mijn neef werkt bij de politie’, zei ze zacht. ‘Ik weet hoeveel tijd zo’n onderzoek in beslag kan nemen. En als ik de verkiezing wil winnen, kan ik het mij niet veroorloven een repetitie te missen.’

‘U hoeft zich niet te schamen omdat u ambitieus bent’, zei De Ryck.

Hij was haar vertrouwen aan het winnen. Hij mocht het nu niet verknoeien. Daarom beloofde hij dat ze het stuk mocht lezen voor het gepubliceerd werd. Ze glimlachte bedeesd toen hij vroeg of ze haar e-mailadres wilde geven. Ze schreef het op een papiertje dat hij in zijn portefeuille stak.

‘Wat deed u eigenlijk zo laat in het Astridpark?’

Ze aarzelde. De Ryck liet haar even de tijd om na te denken. In het politierapport stond dat ze van L’Estaminet kwam. Waarom aarzelde ze dan? Hij trok de stoute schoenen aan.

‘Kwam u van uw vriendje?’

Het was genoegzaam bekend dat de finalistes in de aanloop naar de verkiezing geen seks mochten hebben, op straffe van uitsluiting, en ook dat meneer Bombé er streng op toezag dat zijn regels nageleefd werden.

‘Het blijft tussen ons’, suste hij.

‘Echt waar?’

‘Echt waar.’

Het kostte De Ryck enige moeite om die woorden over zijn lippen te krijgen omdat hij niet zeker wist of hij die belofte zou kunnen nakomen. Alles hing af van het antwoord dat hij zou krijgen.

‘U kwam dus van uw vriendje.’

‘Nee, toen de Chinees me aanviel was ik op weg naar hem. Maar schrijft u dat alstublieft niet in de krant. Meneer Bombé krijgt een beroerte als hij erachter komt dat ik nog contact heb met Nico.’

Ze was haar ex-vriend steeds in haar hart blijven dragen. Ze hadden na al die maanden weer een afspraakje gemaakt. Zij had zich laten verleiden, maar het was verkeerd afgelopen. Na het vrijen hadden ze ruzie gemaakt. Volgens hem had ze te weinig enthousiasme aan de dag gelegd; zij had hem verweten dat hij rekening had moeten houden met het feit dat ze op het nippertje aan de dood ontsnapt was. Toen hij haar verhaal in twijfel trok, was ze van hem weggelopen.

‘Maakt u zich geen zorgen’, zei De Ryck opgelucht. ‘Geloof me. Dit blijft echt tussen ons.’

Hij was blij dat hij zijn belofte kon nakomen. Het feit dat Kira een slippertje had gemaakt met haar ex-vriendje was niet relevant, toch niet voor een krant als Het Nieuwsblad. Zoiets was voer voor de roddelpers.

‘Dank u.’

Ze beet op haar onderlip. Hoe kun je zo stom zijn, dacht ze vertwijfeld. Mocht ze die kerel wel vertrouwen? Als ze Bombé mocht geloven, was een journalist even betrouwbaar als een condoom met gaatjes erin. Op de vraag wanneer het interview gepubliceerd werd, antwoordde hij: morgen.

‘Morgen al?’

‘Het Nieuwsblad is geen weekblad, mevrouw.’

‘Nee, maar…’

Ze klonk verward. Als er morgen een onvertogen woord over haar in de krant stond, kon ze het kroontje wel vergeten. De Ryck legde voorzichtig zijn hand op haar arm.

‘Ik beloof dat ik niets over uw vriendje schrijf als ik…’

Nu komt het, dacht ze. De viespeuk wil me natuurlijk neuken. Waarom ook niet. Een man blijft een man. De Ryck maakte de zin echter anders af dan ze verwacht had.

‘Als ik u nog een paar vragen mag stellen’, zei hij, zonder dat hij kon vermoedden wat hij gemist had.

Ze maakte geen bezwaar. Ze had geen andere keus dan hem te geloven. Pas nu maar op je tellen, meid, sprak ze zichzelf moed in.

‘Ik vraag me af waarom een onbekende Chinees u zou willen vermoorden. Bent u vroeger in China geweest?’

‘Nee.’

‘U gokt toch niet?’

‘Ik ben niet dwaas, meneer De Ryck’, reageerde ze scherp.

De journalist keek even op. Zijn ogen tastten haar nadenkend af. De vreemde aanranding intrigeerde hem. Onderzoeksjournalistiek had hem altijd geïnteresseerd. Het was alleen jammer dat de meeste kranten er tegenwoordig geen geld meer voor overhadden om een journalist met zo’n opdracht te belasten. Hij wierp een blik op zijn horloge. Het was kwart voor twaalf en als er de komende uren niets wereldschokkends gebeurde, had hij de rest van de dag niets meer te doen. Het was een verleidelijke gedachte om zelf op onderzoek te gaan. Het was de vraag hoe hij zoiets zou aanpakken.

‘Zijn er vandaag nog repetities gepland?’

Ze schrok.

‘Hoe laat is het nu?’

‘Veertien voor twaalf.’

‘Dan heb ik nog even tijd. De repetitie begint pas om twee uur.’

‘Hebt u al iets gegeten?’

Haar maag was verknoopt van de honger. Toen ze zich vanochtend had gewogen, ze woog zich twee keer per dag, was ze geen gram bijgekomen en hoewel ze liever niets at, kon ze niet eeuwig zonder voedsel. Bovendien had ze proefondervindelijk vastgesteld dat ’s middags een maaltijd nemen minder kwaad kon dan ’s avonds. Dus stemde ze in om iets te eten met De Ryck, die ze overigens best sympathiek vond.

‘Ik neem een slaatje’, zei ze toen hij haar de kaart liet zien.

‘Dan ben ik solidair met u.’

‘Zeg maar Kira’, zei ze.

De Ryck glimlachte onwennig. Het was al heel lang geleden dat hij nog met een knap meisje had geluncht.

‘Oké, Kira.’

Johan Cosyns voelde zich even onwennig als De Ryck met Kira toen Louise naast hem op de achterbank kwam zitten en het portier dichttrok.

‘Rij maar wat rond, Paul’, zei hij tegen zijn chauffeur.

Een man van zijn kaliber die stiekem een jonge meid oppikte, het was om moeilijkheden vragen. Niemand zou geloven dat hij alleen met haar wilde praten, nog minder dat een gesprek met een finaliste van de Miss Flandersverkiezing de toekomst van de haven van Zeebrugge kon veranderen, maar hij had geen andere keus. Gelukkig kon hij op de discretie van zijn chauffeur rekenen en was de zware Mercedes geblindeerd. Het meisje keek hem vol verwachting aan. Ze had mooie heldere ogen en volle lippen. Hij durfde niet lager te kijken. Meisjes schamen zich tegenwoordig niet meer met hun borsten te pronken en hij wilde haar niet op verkeerde gedachten brengen.

‘We mogen elkaar niet verkeerd begrijpen, mevrouw Demeester’, begon hij voorzichtig. ‘Als ik u help, is het om de belangen van de haven veilig te stellen.’

Louise knikte terwijl ze over de schouder van de chauffeur door de voorruit naar buiten keek. Het belang van de haven van Zeebrugge kon haar geen moer schelen. Haar vader was jong gestorven en haar moeder had het in haar eentje moeten zien te redden. Er was maar één belang. Haar belang.

‘Dat begrijp ik’, zei ze.

‘Fijn.’

Johan Cosyns maakte geen probleem van het geld dat hij haar straks zou overhandigen, hij vond het gewoon niet prettig dat ze hem geen waterdichte garanties kon geven. Aan de andere kant mocht zijn naam in geen geval met deze zaak verbonden worden. Daarom was het wellicht beter dat er geen tastbare bewijzen van de operatie zouden overblijven. Het geld was afkomstig van een speciale kas en bestond uit gebruikte coupures van honderd en tweehonderd euro. Het zat in een envelop die hij in een anonieme papierwinkel had gekocht en hij had het er met handschoenen aan ingestoken. De voorzitter van de mbz mocht een druk bezet man zijn, in zijn vrije tijd keek hij wel eens naar een aflevering van een of andere politiereeks waar je dat soort dingen geregeld kreeg voorgeschoteld.

‘U hoeft zich geen zorgen te maken, meneer Cosyns. Niemand stelt vragen over de herkomst van het geld. En de fiscus heeft het te druk om de herkomst van alle sms-berichten na te trekken. Bovendien is meneer Bombé heel creatief met zijn boekhouding.’

Louise had de voorbije maanden zelf dertigduizend euro ingezameld met het organiseren van party’s, barbecues en tombola’s. Dat was op zichzelf bijna voldoende om de televoting te beïnvloeden. Het meisje dat het kroontje vorig jaar had gewonnen, had amper veertigduizend euro geïnvesteerd, maar Louise wilde geen enkel risico lopen.

‘Dan is het goed’, zei Cosyns.

Hij trok een handschoen aan die hij speciaal voor dit doel had meegebracht, haalde een dikke envelop uit zijn binnenzak en overhandigde die aan Louise, die ze onmiddellijk openscheurde en de bankbiljetten begon te tellen. Cosyns keek verveeld voor zich uit. Hij had een hekel aan mensen die bereid waren hun ziel voor geld te verkopen.

‘Klopt het?’ vroeg hij toen ze de biljetten weer in de envelop stak.

Volgens haar zat er honderd euro te veel in. Ze kon natuurlijk verkeerd geteld hebben, dus zei ze er niets over. Ze knikte.

‘Waar kan ik u laten uitstappen?’

‘Waar ik ingestapt ben, natuurlijk’, zei ze kortaf.

De chauffeur knikte nog voor Cosyns iets kon zeggen en maakte bij de volgende rotonde rechtsomkeert.

Het was nog vrij warm ondanks het late uur. Van In en Hannelore zaten in de tuin. Ze dronken wijn. Hij rode, zij witte.

‘Hoe voel je je?’

‘Ik kan niet klagen.’

‘Wanneer moet je weer op onderzoek?’

‘Morgen.’

‘Morgen’, herhaalde Van In. ‘Hoe lang duurt het dan nog voor we iets weten?’

‘Een kleine week’, zei ze. ‘Een dna-test neemt tijd in beslag, Van In. Dat zou jij toch moeten weten.’

Ze maakten zich allebei zorgen om het vruchtje in haar buik dat steeds groter werd. Gelukkig was de medische wetenschap tegenwoordig zo vooruitgegaan dat artsen eventuele genetische defecten bij een foetus heel vroeg konden opsporen. Er bleef natuurlijk altijd een risico bestaan dat de baby iets mankeerde, zelfs als alle tests negatief waren, maar dat risico moesten ze dan maar nemen. Baby’s van vrouwen die op jonge leeftijd bevielen, liepen ook risico.

‘Ik hoop dat alles goed gaat.’

‘Ik ook.’

Ze kwam dichter bij hem zitten en sloeg haar arm over zijn schouder. Het derde kind was welkom en ze verlangde ernaar, maar ze was ook erg bang dat er iets zou mislopen. Hij dacht hetzelfde, maar ze durfden het elkaar niet te zeggen.

‘Is dat de voordeurbel?’

‘Ik denk het wel’, zei Van In.

‘Wie kan dat nog zijn?’

‘Er is maar één manier om erachter te komen.’

Van In krabbelde overeind en slofte door de tuin naar de openstaande schuifdeur. Toen Hannelore de bulderende stem aan de voordeur hoorde, wist ze wie het was.

‘Nog zo laat op pad, Zlot. Of moet ik “vroeg” zeggen?’

De Pool verbood haar met een streng gebaar op te staan en gaf haar een kuise zoen op de wang. Van In haalde ondertussen een glas en een extra fles wijn uit de keuken.

‘Vlaamse meiden weten niet wat ze willen’, gromde Zlotkrychbrto. ‘In Polen krijg je een flinke knuffel voor een stuk worst, hier krijg je amper een glimlach voor een etentje van tweehonderd euro.’

‘Je moet die Kira niet onderschatten’, grinnikte Van In, die ondertussen de wijn had uitgeschonken. ‘Je dacht toch niet dat ze het voor je mooie ogen deed. Meisjes die aan dat soort verkiezingen meedoen, mikken hoger. Je mag al blij zijn dat ze je gebeld heeft.’

‘Lach maar.’

Zlotkrychbrto dronk zijn glas in één teug leeg. Van In vulde onmiddellijk weer bij. De Pool kwam zelden op bezoek, maar als hij er eenmaal was kreeg je hem met geen stok meer buiten. Gelukkig lagen er nog een paar flessen wijn in de kelder. En in geval van nood waren er nog Duvels.

‘Eten en wegwezen heet dat’, grinnikte Van In. ‘Wat heeft ze je wijsgemaakt? Dat ze nog een afspraak had?’

‘Hoe kun je het raden.’

Zlotkrychbrto vertelde dat hij haar uit pure frustratie gevolgd was tot aan een parkeerterrein in de buurt van het restaurant waar ze in een chique Mercedes was gestapt.

‘Ik was zo kwaad dat ik zelfs de nummerplaat heb genoteerd. Ik wil weten wie die kerel is.’

Hij haalde een papiertje uit zijn zak en gaf het aan Van In. fb 001 stond erop.

‘Merkwaardige nummerplaat. Ik laat het nummer morgen voor je natrekken.’

‘Mag ik even kijken?’

Hannelore bestudeerde het papiertje gedurende een twintigtal seconden voor ze het glimlachend teruggaf.

‘Wat denken jullie van Frederik Bombé?’

‘Verdomme’, zei Van In met enige bewondering. ‘Je zou wel eens gelijk kunnen hebben.’





7


Meneer Deng van De Blauwe Lotus beheerde zijn restaurant als een goede huisvader. Hij was een gerespecteerde burger die netjes belastingen betaalde, en hij was lid van de plaatselijke middenstandsvereniging. Niemand vermoedde dat hij banden had met de Chinese maffia en af en toe een klusje voor hen klaarde. Het was echter de eerste keer dat ze hem gevraagd hadden iemand uit de weg te ruimen. Gelukkig moest hij alleen logistieke steun verlenen, het vuile werk lieten ze door een beroepsmoordenaar opknappen. Ze hadden om negen uur afgesproken. Als alles goed ging, arriveerde de huurmoordenaar over vijf minuten. Zijn codenaam was Panda. Meneer Deng had hem nog nooit ontmoet. Daarom had hij een wachtwoord gekregen. Hij stak een sigaret op en liet het raampje zakken. Zijn vrouw haatte het immers dat hij in de auto rookte. Er verstreken twee minuten. Als Panda stipt was, moest hij zich nu in de straat bevinden. Meneer Deng blies de rook uit, draaide zijn hoofd om en keek door de achterruit naar buiten. Niemand. Hij schudde zijn hoofd. Stiptheid was een vorm van beleefdheid waaraan hij veel belang hechtte. Waar bleef die kerel? Als er iets misgelopen was, had hij toch kunnen bellen. Hij zuchtte toen een jonge, keurig geklede vrouw de straat insloeg, maar hij besteedde geen aandacht aan haar, hoewel ze recht op hem toe kwam gelopen. Het was pas toen ze op twintig meter genaderd was dat hij merkte dat zij geen Europese was. Hij kneep zijn ogen half dicht om haar beter te kunnen bekijken. De vrouw was uitzonderlijk groot voor een Chinese, minstens een meter vijfenzeventig. Nee, dat kan niet, dacht meneer Deng. Hij had ongelijk. De vrouw bleef bij de auto staan, stak haar hoofd naar binnen en zei het wachtwoord. Daarna stapte ze in. Meneer Deng kon zijn ogen bijna niet van haar afhouden.

‘Ik breng u naar uw schuilplaats’, zei hij.

Ze knikte. Meneer Deng zette de motor aan en manoeuvreerde de auto uit de krappe parkeerplaats, terwijl hij haar geur opsnoof. Zij keek star voor zich uit. Haar ogen waren fel opgemaakt.

‘Hebt u het wapen dat ik gevraagd heb?’

Meneer Deng had formele instructies gekregen in verband met het wapen. Het had enige moeite gekost om een Glock 17pro met geluiddemper op de zwarte markt te vinden, maar hij was erin geslaagd er een op de kop te tikken.

‘Ik heb alles wat u gevraagd hebt’, zei hij met een discrete glimlach.

In de kofferbak stond een tas met daarin het pistool, een laptop, afluisterapparatuur en twee minuscule zendertjes.

Meneer Deng kon het niet laten. Hij wierp een steelse blik op haar fraai gevormde dijen.

‘Let toch op’, snauwde ze toen hij een overstekende fietser op een haar na miste.

Tijdens de rit van Brugge naar Zeebrugge wisselden ze amper een woord. Meneer Deng keek de hele tijd strak voor zich uit, terwijl hij zich overgaf aan de wildste fantasieën. Hij stond er geen moment bij stil dat de jonge vrouw met de fraai gevormde dijen een meedogenloze moordenaar was die niet zou aarzelen hem als een hond neer te schieten als hij haar een strobreed in de weg legde.

Saskia schonk koffie in, terwijl ze met haar andere hand haar kapsel fatsoeneerde dat nog halfnat was van de regen.

‘Het wordt stilaan tijd dat je een auto koopt’, zei Van In, die aan zijn bureau in de krant zat te bladeren.

‘Met mijn loon kan ik me dat niet permitteren. Bovendien is fietsen gezond.’

‘En goed voor haar lijn’, zei Versavel.

‘Ik dacht dat je alleen interesse had voor mannen.’

‘Het gaat om de esthetiek, Pieter.’

Ze lachten alle drie. Het onderzoek naar de zelfmoord van de Chinees stond op een laag pitje en tot nu toe waren er geen nieuwe meldingen binnengekomen. Een dag zonder misdaad kon behoorlijk gezellig zijn, zeker als het regende. Van In nipte van zijn koffie en stak een sigaret op, hoewel het streng verboden was te roken in de kantoren. De chef had hem daarvoor al een paar keer op de vingers getikt, maar hij had het opgegeven. Van In trok er zich toch niets van aan en zijn collega’s maakten geen bezwaar dat hij rookte.

‘Iemand moet die dode Chinees toch missen’, zei Versavel na een poosje.

Zowel de openbare als de commerciële omroep hadden de vorige dag een opsporingsbericht met foto uitgezonden, maar er was geen reactie gekomen.

‘Volgens mij zijn er drie mogelijkheden’, zei Van In. ‘Onze onbekende is een toerist die alleen reist, hij verblijft illegaal in het land of hij maakt deel uit van een misdaadorganisatie.’

‘Een toerist logeert normaal in een hotel’, zei Saskia.

‘Of bij familie.’

‘Dan zou zijn familie hem missen.’

‘Chinezen zijn rare mensen, Guido.’

‘Er is nog een andere mogelijkheid’, opperde Saskia. ‘Het zou ook kunnen dat hij in een van de buurlanden logeert en met de trein naar België is gekomen.’

‘Zonder geld en zonder enige identificatie?’

‘Dan verblijft hij hier illegaal’, zei Versavel.

‘Dat denk ik ook. Vergeet niet dat Zeebrugge een draaischijf is voor mensensmokkel. Volgens mij was onze onbekende aan het einde van zijn Latijn.’

‘In dat geval is het zoeken naar een speld in een hooiberg’, zei Versavel.

‘Dat denk ik ook.’

Saskia keek Van In verwijtend aan.

‘Toen ik bij de recherche kwam werken, vertelden ze me dat jij nooit opgaf als je je eenmaal in een zaak had vastgebeten.’

Van In zuchtte diep.

‘Dat was vroeger, kind.’

‘Ja’, grapte Versavel. ‘Toen hij nog niet in zijn midlifecrisis zat.’

Ze lachten weer alledrie. Saskia vulde de koppen bij terwijl Van In zich in de krant verdiepte. Hij had eerst de grote stukken gelezen, nu waren de faits divers aan de beurt, kleine stukjes die vaak interessanter waren om te lezen dan het echte nieuws.

‘Moet je dit zien.’ Hij las de kop voor: ‘Finaliste Miss Flanders in opspraak.’

Het stukje ging over de vader van Kira Konings. De man zou volgens een welingelichte bron een gevangenisstraf uitzitten voor fraude en misbruik van vertrouwen. Frederik Bombé ontkende de feiten niet. ‘Kira is niet verantwoordelijk voor de daden van haar vader’, stond er vetjes gedrukt. ‘Dit kan en mag de uitkomst van de verkiezing op geen enkele manier beïnvloeden.’

‘Zal ik de redactie bellen en om meer informatie vragen?’

‘Ja, doe maar. Ik wil weten wie ze getipt heeft.’

Het duurde even voor Versavel de hoofdredacteur van de krant te pakken kreeg en het kostte hem heel wat overredingskracht om de man ervan te overtuigen mee te werken aan het onderzoek. Hij moest zelfs dreigen met een huiszoeking voor hij eindelijk toegaf.

‘En?’

‘Ze zijn getipt door een van de finalistes. Ene Cynthia Brouwers.’

‘Fijn’, zei Van In. ‘De rest hoor ik vanavond wel.’

‘Heb je die kaarten dan toch gekocht?’

Van In haalde zijn schouders op. Vierhonderd euro voor twee toegangskaarten was een bom geld, maar het was lang geleden dat hij en Hannelore nog een avondje uit waren geweest. Bovendien hadden ze vorige maand een financiële meevaller gehad. De fiscus had een foute berekening gemaakt. Ze kregen bijna twaalfhonderd euro terug.

Er heerste een koortsachtige drukte in het repetitielokaal. De zenuwen van alle meisjes waren uiterst gespannen. Sommigen begonnen zonder enige aanwijsbare reden te huilen, anderen lachten als hysterische tieners wanneer iemand een opmerking maakte over hun uiterlijk. Alleen Kira was kwaad. Haar hele lijf trilde van woede.

‘Ik wil weten wie me dit heeft aangedaan.’

Ze had het stuk in de krant al tien keer gelezen. Ieder woord voedde haar woede, tot ze bijna ontplofte.

‘Kalmeer toch. Je opwinden heeft geen zin. Concentreer je op vanavond.’

Louise had zoals de meeste meisjes alleen ondergoed aan, een verleidelijk kanten setje van Marie-Jo. Bombé stond in de deuropening en schouwde het jonge vlees met een kennersoog. Het bericht in de krant had voor enige beroering gezorgd, maar dat vond hij niet erg. Het was ieder jaar hetzelfde. De meisjes schuwden niets om elkaar in diskrediet te brengen. Ze vochten met de wapens die ze hadden. Hij had het al meegemaakt dat een finaliste blootsvoets het podium op moest omdat een concurrente haar schoenen had verstopt. Het stuk in de krant was van een ander niveau. Geraffineerder. En uitgerekend vandaag, op de dag van de verkiezing. Hij liet zijn blik vluchtig over het naakte vlees glijden tot die bij Kira belandde. Ze zat voorovergebogen op een bank, haar wervels priemden door haar gladde huid en er zat geen spoortje vet op haar heupen. Haar taille was perfect. Ze hoefde zich geen zorgen te maken. Het publiek hield van underdogs. Haar kans om het kroontje in de wacht te slepen steeg met de minuut, zeker na het interview in Het Nieuwsblad dat vanochtend was verschenen. Daarbij verzonk het andere stukje over haar vader in het niets.

‘Je hebt gelijk’, zei Kira plotseling heel strijdlustig. ‘Ik laat me niet inpakken door een van die scharreltrutten. Hoeveel tijd hebben we nog?’

Louise keek verbaasd op.

‘De repetitie begint over een kwartier’, zei ze een beetje van streek.

‘En wat doen we daarna?’

‘Dat weet je toch. De directie van het Kempinski-hotel biedt ons een lunch aan.’

Kira stond op, liep naar de kleedkamer en trok snel een spijkerbroek en een trui aan. Louise keek haar hoofdschuddend na.

Hannelore had voor de gelegenheid een lange jurk aangetrokken die niet al te nauw aansloot. Van In had een zwart pak gehuurd, dat hem tien jaar jonger maakte.

‘Je ziet er stralend uit’, zei ze toen hij uit de badkamer kwam.

‘Jij ook.’

Hij ging achter haar staan, sloeg zijn armen om haar middel en zoende haar zachtjes in haar nek. Ze gingen zelden uit, maar vanavond vond ze het wel leuk om met hem de missverkiezing bij te wonen. Toen hij haar losliet, draaide ze om haar as voor de spiegel terwijl ze zichzelf kritisch bekeek. Het viel allemaal best mee. Je moest al een kenner zijn om te zien dat ze zwanger was.

‘Ik heb een taxi gebeld’, zei Van In.

Ze draaide zich om en keek hem recht in de ogen.

‘Ben je gek geworden?’

‘Gek op jou, ja.’

Romantiek bestaat eigenlijk niet, het is een gevoel dat je zelf moet creëren. En het blijft duren zolang je er zelf in gelooft. Zelfs een cynicus als Van In kon van zulke momenten genieten, al was het maar omdat hij wist dat ze zo vergankelijk waren.

‘Heb je die nummerplaat laten natrekken?’ vroeg ze, terwijl ze een halssnoer omdeed dat ze van haar moeder had geleend.

‘Oeps.’

Hij sloeg zijn hand voor zijn mond.

‘Je bent het dus vergeten.’

‘Nee. Ik heb het alleen vergeten te vertellen.’

‘En?’

‘Je had gelijk. Het is de nummerplaat van Bombé.’

‘Dan weten we nu al wie er Miss Flanders 2009 wordt’, zei Hannelore terwijl ze een geurtje onder haar oksels spoot. ‘Ik heb dat soort toestanden nooit vertrouwd. Mannen die vrouwen keuren. Bah.’

Van In probeerde zijn hand in haar decolleté te steken, maar ze was hem te vlug af.

‘Je hebt je portie al gehad’, plaagde ze.

‘En jij? Heb jij je portie al gehad?’

‘Een vrouw kan meer hebben dan een man, Pietertje.’

‘Nu ga je te ver, meisje.’

Hij drukte haar stevig tegen zich aan en begon haar hartstochtelijk te zoenen. Dit keer hield ze hem niet tegen. Het was eeuwen geleden ze het nog op die manier hadden gedaan. Met kleren aan.

‘Bespring me.’

Toen ze zachtjes begon te kreunen, kon Van In zich niet langer beheersen. Hij schortte haar jurk op en gooide haar op het bed.

De grote hal van het casino stond vol met bekakte mensen. In de menigte herkende Hannelore een handvol bv’s die zich als pauwen lieten aangapen. Ze herkende een acteur die in een populaire soap speelde in het gezelschap van een opgedirkt wicht dat minstens twintig jaar jonger was dan hij, een gepensioneerde televisiepresentator met een T-shirt van Armani, een charmezanger en een wielrenner. Er paradeerden ook een paar politici. Een vloot van kwieke kelners voorzag de meute van champagne en hapjes.

‘Het is een dure bedoening, maar ik denk dat we ons gaan amuseren’, zei ze.

‘Ik ben gelukkig als jij gelukkig bent.’

‘Niet overdrijven, Van In.’

‘We hebben al overdreven’, zei hij met een geheimzinnig lachje.

De soapacteur draaide zijn hoofd om toen Hannelore passeerde en keek haar bewonderend na. Het opgedirkte wicht dat bij hem stond, deed alsof ze niets had gemerkt.

‘Wie we daar hebben.’

Frederik Bombé kwam met uitstrekte handen op hen toe. Hij glimlachte breed.

‘Ik had u hier niet verwacht’, zei hij opgetogen.

Een kelner die constant in zijn zog liep bediende hen van champagne.

‘Soms zie je mensen op de meest onverwachte plaatsen’, repliceerde Van In.

‘Dat is waar.’

Bombé kon net als de soapacteur zijn ogen niet van Hannelore afhouden.

‘Ik zorg er persoonlijk voor dat jullie een goede tafel krijgen’, zei hij.

‘Zijn er dan ook slechte tafels?’

‘Nee, natuurlijk niet.’

De missmaker lachte onwennig. In normale omstandigheden had hij zich met een smoes verwijderd omdat hij niet kon uitstaan dat mensen hem belachelijk probeerden te maken, maar hij bleef staan. Hij wilde er het fijne van weten.

‘Het was dus toch ernstiger dan we dachten’, zei hij nu met een bezorgd gezicht.

‘Wat was er ernstiger dan we dachten?’

‘De aanranding.’

Van In keek de missmaker verbaasd aan.

‘Hebt u de krant dan niet gelezen?’

‘Ik begrijp u niet goed, meneer Zombé.’

‘Het is Bombé, commissaris. Bombé met een B.’ Hij glimlachte gemeen. Het was 1-1. Frederik Bombé liet niet met zich spotten. ‘Het interview met Kira Konings.’

‘Welk interview? Ik heb alleen iets gelezen over haar vader die in de gevangenis zit.’

‘Dat was in een andere krant. Het interview met Kira staat in Het Nieuwsblad.’

‘Ik lees alleen die andere krant’, zei Van In.

‘Kira beweert in het interview dat de Chinees haar probeerde te vermoorden. Dat had u toch ook moeten weten?’

‘Een mens moet er iets voor overhebben om de kranten te halen’, reageerde Van In bits. ‘Mevrouw Konings wordt straks nog een heuse bv. Weet u dat ze gisteren gesignaleerd werd in een chique tent in de buurt van de Carrefour?’

De missmaker begon licht te transpireren. Zijn kale kop glansde in het licht van de spots. Was het toeval dat Van In de Carrefour ter sprake bracht, of zinspeelde hij bewust op het feit dat Kira op het parkeerterrein van de supermarkt in zijn wagen was gestapt. Het laatste was bijna onmogelijk.

‘Hoe zou ik dat weten?’

Zijn stem haperde en hij begon steeds heviger te transpireren. Van In had de stand van 1-1 op 5-1 gebracht. Als Kira straks won, zoals gepland, kreeg hij gegarandeerd de hele pers op zijn dak. Als straks bekend werd dat hij met een finaliste gesignaleerd was, kon hij zijn lucratieve handeltje wel vergeten.

‘Er staat ook in de krant dat de Chinese drenkeling geïdentificeerd werd als de man die haar probeerde te vermoorden.’ Bombé probeerde het gesprek weer op te pikken. Van In ging gelukkig niet dieper in op het voorgaande.

De reactie van Bombé sprak voor zich. Hij zat duidelijk omhoog met het feit dat iemand Kira in zijn auto had zien stappen.

‘Tiens’, zei Van In met gespeelde verbazing. ‘Dan zal ik dat stuk ook eens moeten lezen. In Het Nieuwsblad, zei u. Staat er ook bij wie het interview heeft afgenomen?’

Bombé had het interview een paar keer gelezen. Hij kende het bijna uit zijn hoofd.

‘Ene Jo De Ryck’, zei hij bijna amechtig.

‘Tiens, tiens.’

Hannelore kreeg bijna medelijden met Bombé. Bijna, want mensen als Bombé verdienden medelijden noch respect. Eigenlijk hoopte ze heimelijk dat Van In hem nog dieper in de grond boorde. En dat deed hij.

‘Ik kan u ook nog vertellen dat ik weet wie verantwoordelijk is voor het bericht in de andere krant, meneer Bombé. En als ik u was zou ik daar niet trots op zijn.’

Bombé hijgde oppervlakkig als een zwangere vrouw tussen twee weeën. Zijn schedel was zo nat dat je er jezelf bijna in kon spiegelen. Van In liet hem nog een paar seconden in spanning voor hij de informatie prijsgaf.

‘Het was Cynthia Brouwers, een van de finalistes. Een mooie boel als u het mij vraagt.’

De missmaker vroeg niets. Hij droop af als een geslagen hond.

‘Ik ben benieuwd welke tafel we nu krijgen’, zei Hannelore toen hij buiten gehoorsafstand was.

De kleedkamer achter het podium stond vol halfnaakte meisjes, bezige kleedsters en ijverige kappers en mensen van de make-up. De show begon over een halfuur en alles dreigde in het honderd te lopen, zoals dat wel vaker gebeurt bij dergelijke evenementen. Kira stond in een hoekje. Ze was de enige die bijna helemaal klaar was. Ze hoefde alleen nog haar nagels te laten lakken. Ze had net voor de laatste repetitie Jo De Ryck gebeld en hem gevraagd of hij kon achterhalen wie het bericht over haar vader aan de krant had bezorgd. Het had hem net als Versavel enige moeite gekost de informatie los te krijgen, hij werkte tenslotte voor een andere krant, maar het was hem toch gelukt. Toen ze de naam hoorde, was ze beginnen te huilen van woede. Vijf minuten maar, want ze had geen tijd te verliezen. Ze wilde immers vanavond nog wraak nemen op haar rivale. Als ze in haar opzet slaagde, dan zou Cynthia Brouwers de Miss Flandersverkiezing 2009 nooit meer vergeten.

‘Je kunt niet zeggen dat hij haatdragend is’, glimlachte Hannelore toen een medewerker hen een tafel op de eerste rij toewees.

Haar glimlach verdween toen ze te horen kreeg dat ze aan de vip-tafel zaten waar straks alle bv’s zouden aanzitten. Het werd nog erger toen ze de soapacteur op zich zag afstevenen. Hij maakte een galante buiging en stak daarna zijn hand naar haar uit.

‘Ik ben Karel Vaneffen’, zei hij. ‘En dit is Saartje.’

Nu herkende Hannelore haar ook. Het meisje presenteerde een of ander toeristisch programma op de televisie.

‘Mijn naam is Hannelore Martens en dit is mijn man,’ ze legde de nadruk op mijn man, ‘Pieter Van In.’

Vaneffen fronste zijn voorhoofd en deed alsof hij nadacht. In werkelijkheid was hij stomverbaasd. Op de commerciële zender liep een succesvolle politieserie waarin ene Pieter Van In en Hannelore Martens de hoofdrol vertolkten. Dit kon gewoon niet.

‘Ik ben commissaris bij de lokale politie en Hannelore is onderzoeksrechter.’

Het gezicht van Karel Vaneffen trok wit weg. Zijn hand zocht steun aan de tafelrand.

‘Scheelt er iets?’ vroeg Hannelore.

‘Nee, het gaat’, glimlachte Vaneffen bleekjes.

‘Ik ken u anders wel’, zei ze. ‘En u ook. Presenteert u niet een of ander vakantieprogramma op de televisie?’

Saartje keek een beetje uit de hoogte neer op haar rivale. Wat was die oude trut eigenlijk van plan? Karel was van haar. Het had haar maanden gekost om hem te strikken, en nu palmde dat kreng hem in een paar minuten in.

‘Dat was vorig jaar’, zei ze. ‘Dit jaar heb ik een nieuw programma. Het heet 40 plus.’

‘Ook een toeristisch programma?’

‘Nee’, zei Saartje venijnig. ‘In mijn nieuwe programma krijgen vrouwen van boven de veertig de kans om zich een jongere look aan te meten. En ja, we zijn nog op zoek naar kandidates.’

Ze ging naast Van In zitten en begon met hem te keuvelen alsof ze elkaar al jaren kenden.

‘Wat denkt u over seks, meneer Vaneffen?’ vroeg Hannelore hard genoeg opdat Saartje haar kon horen.

Ze hoopte vurig dat Van In doorhad dat ze een spelletje aan het spelen was, anders zou er straks wat zwaaien.

Bombé kondigde de meisjes zelf aan. Hij had voor de gelegenheid een glitterjasje aangetrokken, een model dat je normaal alleen tijdens de carnavalsperiode te zien krijgt. Daarna was er een muziekje en dan was het tijd voor de eerste proef. De meisjes kregen elk om beurt door een vakkundige jury een vraag voorgeschoteld. Het was een vervelend onderdeel, maar af en toe viel er ook wat te lachen. Zo beantwoordde een van de meisjes de vraag: Hebt u een oplossing voor de opwarming van de aarde? met: Het zou misschien helpen als we met ons allen onze koelkasten een uurtje per dag lieten openstaan. Er waren ook tragische momenten. Een meisje dat geen woord over haar lippen kreeg en na dertig seconden snikkend in de coulissen verdween. Een Waals meisje dat al een tijdje in Vlaanderen woonde stal de show met de gevleugelde woorden: Ik ben dol op gesprongen vlees waarmee ze natuurlijk gesauteerd vlees bedoelde.

‘Wat denkt u eigenlijk over seks?’ vroeg Van In.

Saartje tuitte haar lippen, gooide haar hoofd in haar nek en deed alsof ze lang over die vraag moest nadenken. Eigenlijk zocht ze naar een antwoord waarmee ze het kreng aan de overkant kon kwetsen.

‘Ik doe het graag met oudere mannen’, zei ze met een stekende blik naar Hannelore. ‘Die hebben tenminste ervaring.’

‘Tiens’, reageerde Hannelore verbaasd. ‘Karel zegt me net dat hij voor oudere vrouwen valt. Volgens hem zijn jonge meisjes alleen met zichzelf bezig. Nietwaar, Karel?’

De soapacteur trad haar mening onmiddellijk bij. Hij was het arrogante gekwebbel van Saartje al een tijdje beu. Dus zei hij dat één vrouw van veertig er tien van twintig waard was. Daarmee was voor Saartje de maat vol. Ze wierp Hannelore een vernietigende blik toe, pakte haar handtas die over de leuning van de stoel hing en liep weg met het excuus dat ze frisse lucht nodig had.

‘Die zien we niet meer terug’, zei Karel Vaneffen.

‘Fijn’, glimlachte Hannelore. ‘Dan kan ik lekker naast mijn man gaan zitten.’

Cynthia Brouwers keek vol afgrijzen in de spiegel. Ze had het voelen aankomen, maar de werkelijkheid was erger dan ze had kunnen vermoeden. Haar ogen waren gezwollen, haar lippen puilden uit en haar huid brandde alsof ze zich met ontstopper had gewassen. Een meisje naast haar slaakte een gilletje. Kira stond aan de andere kant van de kleedkamer te gniffelen.

‘Wat is hier in hemelsnaam aan de hand?’

Het nieuws dat er iets mis was met het gezicht van Cynthia had zich als een lopend vuurtje verspreid. Bombé, die onmiddellijk was toegesneld, kon zijn ogen niet geloven.

‘Volgens mij is het een allergische reactie’, zei een meisje van de make-up.

De meeste meisjes wisten dat Cynthia een heel gevoelige huid had en alleen make-up van een bepaald merk gebruikte. Het was een koud kunstje om potjes make-up te verwisselen of te sjoemelen met de inhoud ervan. Bombé mocht dan een blaaskaak zijn, hij was niet achterlijk. Dit was duidelijk een wraakactie. Maar wat moest hij ondernemen? Cynthia stond op de rand van een zenuwinzinking. Ze zat op een stoel voor zich uit te staren en beefde over haar hele lichaam. Haar troosten was onmogelijk. Voor haar was de Miss Flanders verkiezing afgelopen. En over vijf minuten moesten de meisjes weer op het podium.

‘Blijf jij even bij haar’, zei hij tegen het meisje van de make-up. ‘Ik bel ondertussen een ziekenwagen.’

‘Dat doe je niet.’

Cynthia rees van haar stoel op als een wraakgodin. Haar betraande ogen gloeiden in hun kassen en ze ontblootte haar tanden als een roofdier. Bombé wilde haar tegenhouden maar ze duwde hem ruw opzij. De adrenaline maakte haar beresterk. Kira zette zich schrap toen Cynthia op haar afstevende. Ze was niet bang, integendeel.

‘Je maakt geen schijn van kans, trut. Dat weet je toch.’

Ze had beter moeten weten. Mensen die buiten zichzelf zijn van woede, zijn tot alles in staat. Cynthia pakte een stoel en gooide hem in haar richting. Een van de poten trof haar boven haar linkeroog. Het bracht haar even uit haar concentratie, waardoor Cynthia de tijd kreeg om te chargeren. Ze gooide zich op haar rivale en greep haar bij de keel. Ze vielen samen op de grond, maar Cynthia loste haar greep niet. Kira spartelde als een vis op het droge, terwijl ze Cynthia venijnig met haar vuisten in de nieren stompte.

‘Doe toch iets’, riep een van de meisjes.

Bombé had een paar ogenblikken wezenloos staan toekijken. Het gevecht liet hem koud, het kon hem zelfs niet schelen dat Kira de volle laag kreeg, maar toen Louise zich ermee ging bemoeien, kwam hij eindelijk in actie. Louise pakte Cynthia in een wurggreep en trok zo hard ze kon.

‘Trek aan haar benen!’ schreeuwde ze.

De tegenstand van Kira verslapte. Bombé pakte Cynthia vast bij haar enkels. Hij woog meer dan honderd kilo, maar ze hield stand. Pas toen twee mensen van de beveiliging te hulp schoten, slaagden ze erin de vechtende vrouwen te scheiden.

‘Ik vermoord je, vuile hoer.’

De twee mensen van de beveiliging hadden alle moeite om Cynthia in bedwang te houden. Bombé keek radeloos om zich heen. Gelukkig had de pers geen toegang tot de kleedkamer. Eén ding was zeker, hij zou een excuus moeten verzinnen voor het feit dat twee Analistes niet aan de volgende ronde zouden deelnemen. Een of twee. Het was nog moeilijk te zeggen, want Kira krabbelde strijdlustig overeind. Ze had op het eerste gezicht geen zichtbare schade opgelopen. Haar jurk zag er een beetje verfomfaaid uit en haar kapsel was in de war. De jurk had ze niet meer nodig. In de volgende ronde defileerden de meisjes in badpak en een ervaren kapster had maar een paar minuten nodig om haar kapsel weer in de plooi te krijgen. Het enige probleem was Cynthia. Hij liep naar haar toe en ging wijdbeens voor haar staan.

‘Moet je eens goed naar me luisteren, meid’, zei hij streng. ‘Ik weet niet wat jou bezielt, maar je moet begrijpen dat het zo niet verder kan. Je kunt kiezen. Of je houdt je rustig of ik laat je verwijderen.’

Ze knikte. Haar ademhaling werd rustiger. Het kwaad was geschied.

‘Oké’, fluisterde ze. ‘Ik zal me rustig houden.’

Van In nipte van de voortreffelijke wijn die voortdurend werd bijgevuld. De poppenkast zat er bijna op. Na het laatste onderdeel van show, een ode aan het carnaval van Rio de Janeiro, had de jury zich teruggetrokken en over een kwartier kwam er ook een eind aan de stemming via de telefoon. Familieleden en vrienden van de finalistes waren nog druk aan het sms’en in de hoop de uitslag in extremis nog te kunnen beïnvloeden.

Saartje hadden ze niet meer teruggezien, maar daar had Vaneffen snel een mouw aan gepast. Hij was bij een paar tafels langs geweest en teruggekomen met een onbekende blondine met halfontblote borsten en een gezicht dat stijf stond van de botox. Ze heette Jessica en was onlangs gescheiden van haar tweede man. Het was beter dan niets. Vaneffen zou vannacht wellicht niet alleen hoeven te slapen.

Het was eindelijk zover. De lichten werden gedimd en er floepte een spot aan toen Bombé op het podium verscheen gevolgd door de negentien finalistes.

‘Dames en heren. Mag ik u…’

De toespraak duurde ruim tien minuten. Bombé zong eerst zijn eigen lof en bedankte daarna de sponsors en alle medewerkers die zich belangeloos hadden ingezet om van deze dag een grandioos feest te maken. Hij kreeg een lauw applaus dat niet langer dan vijftien seconden duurde. Daarna was het de beurt aan de voorzitter van de jury, een bekende ontwerper van lingerie die de meisjes gratis had gekleed. Na een toespraak die eigenlijk een reclamepraatje was, nodigde hij de burgemeester van Brugge uit op het podium voor de officiële bekendmaking van de winnaar van de Miss Flandersverkiezing 2009. Moens had voor de gelegenheid een smoking aangetrokken en hij had zijn snor laten bijknippen. Hij maakte de envelop open en wachtte tot het obligate tromgeroffel was uitgestorven. Daarna schraapte hij de keel en haalde diep adem. Hij maakte eerst de naam van de tweede eredame bekend, een bijzonder knap meisje uit Herzele dat brouwer wilde worden.

‘En nu de eerste eredame.’

Er ging een huivering door achttien schaars geklede lichamen. De meeste meisjes hielden hun adem in. Dit was het moment waar ze maanden met spanning naar hadden uitgekeken.

‘De eerste eredame is… Louise Demeester.’

Louise voelde de grond onder haar wegschuiven. Ze duizelde even en het werd donker voor haar ogen. Dit kan toch niet, dacht ze ongelovig. Er rolde een traan langs haar wang, niet van vreugde maar van woede.

‘En le moment suprême’, oreerde Moens terwijl hij zijn stem liet vibreren. ‘Miss Flanders 2009 is…’

‘Kira Konings’, mompelde Van In.

‘Kira Konings.’

Moens draaide zwierig om zijn as en nodigde de kersverse miss met een weids gebaar uit om bij hem te komen staan. Een batterij flitsende fotografen deed de zaal oplichten. Drie televisiecamera’s legden de kroning van de nieuwe miss vast voor het nageslacht. Frederik Bombé glunderde als een vrouw die net te horen heeft gekregen dat ze zwanger is. Het was al bij al nog goed afgelopen. Tussen de persfotografen stond een jonge Chinese vrouw. Ze nam net als iedereen foto’s van de nieuwe miss en ze noteerde haar naam op een stukje papier.





8


De telefoon stond niet stil. Journalisten belden Kira om de haverklap voor een interview, ze had cameraploegen van diverse zenders over de vloer gekregen en ze hoorde zichzelf op de radio. En als ze op straat liep, keken mensen haar na. Het was net de droom die ze zich had voorgesteld.

‘Hoe wilt u uw eitje mevrouw?’

Een jonge kelner keek haar met een zekere bewondering aan.

‘Zacht gekookt’, zei ze.

De jongeman keek even schuw om zich heen. Persoonlijk contact met de gasten was strikt verboden en hij wilde zich niet laten betrappen. Hij had geluk. De zaalchef was nergens te bespeuren.

‘Mag ik ook een handtekening van u?’ vroeg hij terwijl hij deed alsof hij de tafel schikte.

‘Natuurlijk.’

Ze pakte haar handtas die op de lege stoel naast haar lag en haalde er een foto uit die ze tijdens haar promotiecampagne had gebruikt, maar ze vond geen pen. Een oudere man die een eindje verderop zat te ontbijten stond op en bracht haar ongevraagd zijn dure Montblanc-vulpen.

Ze kon er helaas niets mee aanvangen. De inkt hechtte zich niet aan het gladde papier.

‘Daarvoor heb je een alcoholstift nodig, meid.’

Ze herkende de stem van Bombé.

‘Mag ik bij je komen zitten?’

Hij wachtte haar antwoord niet af. De kelner en de man met de Montblanc-pen dropen af toen hij een stoel pakte en bij haar kwam zitten.

‘Je wittebroodsweken zitten er bijna op’, zei Bombé.

Hij sloeg zijn agenda open en doorliep de afspraken die hij de voorbije vierentwintig uur had gemaakt. Hij had een paar interessante voorstellen binnengekregen, het lucratiefste was een naaktreportage voor een bekend mannenblad. Hij had de boot afgehouden met het excuus dat hij nog aanbiedingen voor naaktreportages had gekregen. De hoofdredacteur van het maandblad in kwestie had hem een halfuur geleden gebeld en het bod met tienduizend euro verhoogd.

‘Morgen moet je om negen uur een winkel openen in Antwerpen. Daarna word je in Brussel verwacht voor een modeshow en een interview, ’s Avonds neem je deel aan een presentatie van exclusieve lingerie. Als je daarmee klaar bent, verwacht ik je in mijn hotel. Begrepen.’

Ze keek niet op van haar bord. Bombé had woord gehouden. Zij moest haar afspraken met hem ook nakomen.

‘Oké, Frederik.’

Zijn ogen flitsten kwaadaardig. Je moest vrouwen onmiddellijk laten zien wie er de baas was. Africhten en neuken. Het was de enige taal die ze begrepen.

‘Vanaf nu is het weer meneer Bombé’, siste hij.

‘Excuseer.’

De jonge kelner serveerde het zachtgekookte eitje, schonk nog wat koffie bij en legde met een discreet gebaar een alcoholstift naast haar bord. Hij kreeg een oogluikende blik.

‘Is de Chinees al geïdentificeerd?’

Van In stak een sigaret op en sloeg de krant open. Bij gebrek aan echt nieuws werd de helft van de voorpagina in beslag genomen door een foto van een stralende Kira Konings.

‘Nee’, zei Saskia.

‘Dan moet het een toerist zijn.’

‘Dat denk ik ook, Guido.’

Het klonk moedeloos. Van In nam een slokje koffie en keek strak voor zich uit. Ze konden natuurlijk de gastenlijsten van alle hotels laten natrekken en de passagierslijsten van de vliegtuigmaatschappijen die van China op Europa vlogen en die lijsten met elkaar vergelijken, maar daarvoor beschikten ze niet over de nodige mankracht. Hij troostte zich met de gedachte dat zelfs de fbi, die wel over de nodige mankracht beschikte, dergelijke middelen niet inzette voor een Chinees die ervan verdacht werd een meisje te hebben aangerand en daarna zelfmoord had gepleegd.

‘We kunnen de zaak beter afsluiten’, zei hij. ‘En ons op iets anders concentreren.’

‘Een van de kandidaat-missen heeft een klacht ingediend. Ze beweert dat Kira Konings met haar make-up heeft gesjoemeld.’

‘Dat zeg je nu.’

Saskia haalde de schouders op. Van In hield zich alleen met moordzaken bezig. Zelfs de zelfmoord van de Chinees interesseerde hem maar matig, laat staat dat hij zich zou inlaten met een hysterisch meisje dat allergisch was voor make-up.

‘Jullie hebben haar op vijf minuten na gemist’, zei ze. ‘Ze heet Cynthia Brouwers. Wil je het pv lezen?’

‘Wat hebben we anders te doen?’

Van In krabde nadenkend achter zijn oor. Kira Konings dient een klacht in tegen een onbekende Chinees. De onbekende Chinees pleegt zelfmoord. Miss-rivale Cynthia Brouwers probeert Kira Konings in diskrediet te brengen met een stuk in de krant. Kira Konings wordt Miss Flanders 2009. Cynthia Brouwers dient een klacht in tegen Kira Konings. Waar was hij in godsnaam mee bezig? Het stelde allemaal niets voor. Zelfs de vraag waarom Beekman had aangedrongen op een diepgaand onderzoek, was niet langer relevant. Saskia had ondertussen uitgevist dat ze familie van elkaar waren. De vrouw van Bombé was een verre nicht van de procureur. Het was een gewone vriendendienst.

‘Ga je die klacht nu onderzoeken?’ vroeg Saskia.

‘Welke klacht?’

‘Die van Cynthia Brouwers natuurlijk.’

Van In keek naar buiten. Het was opgehouden met regenen en de zon scheen weer. Hij geeuwde.

‘Als je hier nog langer blijft, val je in slaap’, zei Versavel. ‘Komaan, een beetje actie zal ons goed doen.’

‘Ik vind dat Guido gelijk heeft’, beaamde Saskia.

Van In geeuwde voor de tweede keer. Hij leek wel een nijlpaard. Hij wist wat voor vlees hij in de kuip had. Ze zouden niet ophouden met zeuren tot hij ja zei.

‘One word and you are dead.’

Kira voelde iets hards in haar zij en ze hoorde iemand ademen in haar nek. Ze draaide langzaam haar hoofd om. Twee gitzwarte ogen keken haar ijskoud aan.

‘I’m not joking.’

‘Wat wil je?’ vroeg ze in het Engels.

‘Stap in je wagen’, klonk het bits.

Panda liet haar het pistool zien en dreigde ermee haar te vermoorden als ze ook maar één verkeerde beweging maakte, dus stapte ze gedwee in haar wagen en wachtte angstig en gespannen af. Panda trok vliegensvlug het portier open en gleed als een slang naar binnen. Het pistool lag stevig in haar vuist. Kira besefte dat het menens was. Ze wist alleen niet waarom ze met de dood werd bedreigd.

‘Ik heb toch niets fout gedaan’, jammerde ze.

‘Drive.’

Panda klikte haar veiligheidsgordel vast. Haar lippen vormden een strakke streep terwijl haar zintuigen alles registreerden. Op het eerste gezicht bevond er zich niemand in de ondergrondse garage, hoewel er een vijftiental auto’s geparkeerd stonden. Ze nam echter geen risico. De kans bestond dat iemand de garage in of uit zou rijden, dus bleef ze op haar hoede. Kira startte de motor en reed de helling op tot aan de slagboom. Ze stak haar ticket in het gleufje en tikte de code in die ze van de receptionist had gekregen. De slagboom ging omhoog. Wat moest ze nu doen? Haar hart klopte in haar keel en ze kreeg steken in haar maag. Haar handen trilden. De vrouw die naast haar zat boezemde haar angst in.

‘Wat moet ik nu doen?’ vroeg ze.

‘Rijd naar Zeebrugge.’

‘Oké.’

De rit duurde twintig minuten. Panda zei geen woord. Kira durfde niets te zeggen. Aan de Vandammesluis moest ze rechts afslaan. Een paar kilometer verderop gebood Panda haar over te stappen in een klaarstaande auto met aan het stuur een dikke Chinees. Ze gingen allebei op de achterbank zitten. Ze kreeg een blinddoek om. Daarna vertrokken ze voor een rit die amper tien minuten duurde.

‘Uitstappen.’

Kira stapte uit. De dikke Chinees pakte haar vast en leidde haar ergens binnen. Ze hoorde een deur dichtslaan. De blinddoek ging af. Ze bevond zich in een kale ruimte, zo te zien een primitieve garage. Tegen de muur stond een metalen stoel. Op de grond lag een kluwen elektrische snoeren met klemmetjes aan een van de uiteinden.

‘Uitkleden.’

‘Waarom moet ik me uitkleden?’

Panda haalde uit met haar rechtervuist en trof haar keihard in de maag. Een pijnscheut sneed haar de adem af, waardoor ze bijna geen geluid kon uitbrengen. Ze greep kokhalzend en dubbelgevouwen naar haar buik. De pijn maakte haar misselijk.

‘Uitkleden.’

Ze deed haar best om weer overeind te komen. Panda bekeek haar als een stuk vuil. De dikke Chinees, die een beetje op Mao Zedong leek, stond naast haar. Zijn ogen verdronken in wellust. Ze kleedde zich heel langzaam uit. Om tijd te winnen, maakte ze zichzelf wijs. Besefte ze dan niet dat ze hopeloos verloren was? De garage was hermetisch afgesloten en waarschijnlijk afgelegen. Niemand zou haar horen schreeuwen. Twee minuten later stond ze naakt met haar armen om haar borsten.

‘Zitten.’

Mao wees naar de metalen stoel. Een redeloze angst maakte zich van haar meester. Ze slaagde er niet in om haar voeten te verzetten.

‘Zitten’, klonk het opnieuw.

Ze zette een wankele stap in de richting van de stoel. Te traag. Mao verloor zijn geduld. Hij pakte haar ruw bij de arm en sleurde haar als een ledenpop naar de stoel. Ze huiverde toen hij haar handen en voeten met stalen boeien aan de stoel vastklonk, omdat ze begreep wat ze met haar van plan waren. Hij plaatste twee elektroden op haar tepels en verbond de snoeren met een kastje. Op de bovenkant van het kastje was een draaiknop gemonteerd. Er zat ook een snoer aan met een stekker. Hij stak de stekker in het stopcontact en draaide zonder iets te zeggen aan de knop. De eerste elektrische schok deed haar bijna ontploffen.

‘Dit is pas een voorproefje’, grijnsde Panda. ‘Maar voor we verdergaan wil ik je eerst een paar vragen stellen.’

Een korte elektrische schok bevestigde de ernst van haar woorden.

‘Waar is de opname?’

Kira was nog een schim van het meisje dat gisteren triomferend op het podium had gestaan. Haar gezicht was grauw en ingevallen en er liep een straaltje bloed langs haar mond naar beneden. Het was allemaal zo snel gegaan dat ze zich nog steeds niet realiseerde wat er gebeurde. Het was in ieder geval geen droom. Dromen deden geen pijn.

‘Welke opname?’

Panda knikte naar Mao, die de stroomspanning regelde met het kastje. De volgende stoot deed haar schokken als iemand die een epilepsieaanval had. Hij duurde ook langer dan de eerste twee. Toen de marteling eindelijk ophield, begon ze te huilen.

‘Ik weet het echt niet’, schreeuwde ze schor.

Mao goot een emmer water over haar heen en draaide de knop van de transformator naar rechts. De volgende stoot was zo hevig dat Kira een stuk van haar tong afbeet, maar ze gingen onverminderd door met de marteling tot het gehuil abrupt stopte.

‘Ik denk dat ze dood is’, zei Mao in het Chinees.

Panda haalde de elektroden weg en legde haar vinger op Kira’s halsslagader.

‘Ze leeft nog.’

‘Wat doen we nu?’

‘Volgens mij heeft ze de waarheid gezegd. Er is geen opname. Ze weet niets.’

‘Dan hebben we haar niet meer nodig’, zei Mao.

‘Je hebt gelijk.’

Panda haalde de Glock 17pro uit haar handtas, schroefde de geluiddemper op de loop en schoot Kira twee keer in het hoofd. Haar naakte lichaam schokte bij elk schot. Toen viel haar hoofd slap naar voren.

‘Wat doen we met het lijk?’

‘Lijken, zul je bedoelen.’

Mao bracht zijn hand naar zijn borst alsof hij het gevaar probeerde af te weren. Tijdens de marteling had ze geen enkele emotie laten zien. Hij las dezelfde blik in haar ogen. Waarom, dacht hij wanhopig. Hij was een loyale dienaar die iedere opdracht zonder morren had uitgevoerd. Waarom zou hij haar nu verraden? Ze leek zijn gedachten te raden.

‘Het is niet persoonlijk’, zei ze. ‘Deze zaak is gewoon te belangrijk.’

Ze schoot hem eerst in de borst en maakte hem af met een nekschot toen hij kreunend op de koude vloer van de garage lag te kronkelen. Yang Yunxiang heeft zich vergist, dacht ze.

Het is mijn taak om die fout te herstellen. Ze liep naar buiten, sloot de poort achter zich af en stapte in de wagen die voor de garage stond. De sleutel zat nog in het contact. Ze keek vluchtig om zich heen voor ze de auto startte.

De ouders van Cynthia Brouwers waren marktkramers. Ze verkochten goedkope lingerie en badlinnen. Die handel had hun geen windeieren gelegd. De villa die ze onlangs hadden laten bouwen telde veertien slaapkamers, acht badkamers, een biljartzaal, een bibliotheek en een oranjerie waar meneer Brouwers zijn collectie zeldzame orchideeën liet overwinteren. Cynthia was hun oogappel.

Versavel parkeerde de Golf naast een bordeauxrode Jaguar en een splinternieuwe Volvo cabrio. Van In stapte uit en stak nog vlug een sigaret op voor hij aanbelde. Een vrouw van middelbare leeftijd met erg gezwollen benen deed twee minuten later de deur open. Van In gooide zijn halfopgerookte sigaret in het rozenperk dat parallel aan de voorgevel liep.

‘Bijzondere recherche Brugge’, zei hij. ‘Een van mijn medewerkers heeft contact met u opgenomen.’

De vrouw keek hem een beetje onnozel aan.

‘Meneer en mevrouw zijn niet thuis’, zei ze.

‘We komen voor Cynthia.’

‘Die is er ook niet, meneer.’

‘Verdomme.’

De vrouw bleef hem onnozel aankijken.

‘Maar ze kan ieder ogenblik thuiskomen’, voegde ze er haastig aan toe.

Het duurde een poosje eer ze de vrouw konden overtuigen dat ze verwacht werden en zij hen binnenliet. In de hal hing een ingelijste foto van alle finalistes van Miss Flanders 2009 met daaronder op een verguld tafeltje een noveenkaars met een afbeelding van de Heilige Rita, de patroonheilige van de hopeloze gevallen.

‘U kunt hier even wachten’, zei de onnozele vrouw.

Ze liet hen binnen in een salonnetje, waarschijnlijk een soort van boudoir waar mevrouw Brouwers haar vriendinnen ontving. Op een bar in de hoek van de kamer stonden een fles Elixir d’Anvers en een fles amaretto. Er was ook een kaarttafel.

‘Kunt u haar niet bellen en zeggen dat we gearriveerd zijn?’ zei Van In toen de vrouw op het punt stond hen alleen te laten.

De vrouw zei niets, maar Versavel had de indruk dat ze licht knikte. Ze konden niets anders doen dan wachten.

Van In ging zitten en begon in een tijdschrift te bladeren. In normale omstandigheden was hij waarschijnlijk beginnen te zeuren over de slechte smaak van mensen die te snel geld verdienden, maar dit keer bleef hij rustig. Hij had duidelijk andere zorgen. De tests die Hannelore had laten uitvoeren hielden hem bezig, evenzeer als de vraag wat ze zouden doen als de dokters slecht nieuws brachten. Versavel had daar alle begrip voor. Daarom had hij hem aangemoedigd de banale klacht van Cynthia te onderzoeken. Zo hadden ze tenminste iets te doen.

‘Waarom neemt een meisje dat alles heeft deel aan een missverkiezing?’

Van In legde het tijdschrift naast zich neer. Rond zijn ogen zaten diepe rimpels van het piekeren.

‘Waarom trekken trekvogels ’s winters naar het Zuiden?’

‘Omdat groepsreizen goedkoper zijn, Guido.’

De deur ging open terwijl ze nog aan het lachen waren. Cynthia droeg een koperkleurig mantelpakje van glanzende stof dat waarschijnlijk meer had gekost dan een container badhanddoeken die haar vader uit de lageloonlanden importeerde. Ze zag er stralend uit.

‘Excuseer dat ik zo laat ben’, zei ze.

Haar benige hand voelde fris aan. De parfumwalm die ze met zich meebracht deed Van In naar adem happen.

‘Papa heeft er heel wat voor over om de schuldige te laten boeten voor wat ze me heeft aangedaan’, zei ze met een schel stemmetje.

‘Hij heeft groot gelijk’, knikte Van In enthousiast. ‘Als ik het voor het zeggen had, bond ik haar vast aan de schandpaal.’

‘Dan zult u het goed kunnen vinden met papa’, glunderde ze.

Versavel speelde het spelletje mee, hoewel hij bang was dat Van In straks zou gaan overdrijven.

‘Haar in het openbaar geselen zou ook niet mis zijn’, zei hij.

Ze liepen naar de woonkamer, die volgestouwd stond met bronzen beelden en eikenhouten kasten. Aan het plafond hing een wanstaltige luchter van Venetiaans glas. Cynthia liet ongevraagd champagne aanrukken en ze kafferde de vrouw uit die hen had binnengelaten omdat ze de fles te traag ontkurkte.

‘Iedereen weet toch dat Kira het met Bombé deed’, zei ze terwijl ze Van In een glas aanreikte. ‘Ik was de enige die haar van de eerste plaats kon afhouden. Ze wist dat ze met de sms’jes geen kans maakte. Zeker niet tegen mij. U zou achterovervallen als u wist hoeveel papa in mij geïnvesteerd heeft. Ze kon gewoon niet van me winnen.’

‘Ik vrees dat ik u niet kan volgen, juffrouw Brouwers. Als ik me niet vergis zijn het toch supporters en de kijkers die beslissen wie er wint.’

‘Dat maakt Bombé iedereen wijs’, snoof ze. ‘De werkelijkheid is anders.’

Cynthia legde uit dat iedereen sms’jes kon kopen bij Bombé.

‘Als je hem tienduizend euro gaf, zorgde hij ervoor dat zijn medewerkers de sms’jes verstuurden. Op die manier behield hij de controle over de verkiezing. De stemmen van de supporters en de kijkers wogen immers nooit op tegen die van de sponsors.’

‘Momentje.’

Van In maakte een gebaar dat zijn collega’s gebruikten om een voertuig te doen stoppen, maar ze luisterde niet naar hem. Ze ratelde onverminderd door.

‘Bij de vorige verkiezing had een kandidate minstens honderdduizend stemmen nodig om bij de eerste drie te eindigen. Daarom had papa voor alle zekerheid honderdvijftigduizend sms’jes besteld bij Bombé. Stel je voor, commissaris: honderdvijftigduizend sms’jes. Waar zou die troela van een Kira het geld vandaan halen om honderdvijftigduizend sms’jes te kopen?’

En Louise, dacht Van In, maar hij zei niets. Hij had altijd vermoed dat Bombé een oplichter was, maar dat hij het zo grof speelde, tartte alle verbeelding.

‘Degene die Bombé het meeste geld toestopt, wint dus’, zei hij.

Cynthia dronk haar glas leeg. Haar lange valse wimpers gingen op en neer als de vleugels van een kolibrie.

‘Mijn vader heeft hem gisteren gebeld’, snoof ze.

‘En?’

‘Bombé geeft toe dat ik de meeste stemmen had, maar dat het zijn schuld niet was dat ik niet op het podium wilde verschijnen.’

‘Heeft papa dat excuus aanvaard?’

Ze knikte.

‘Op voorwaarde dat ik volgend jaar win. En geloof me, commissaris, dan komt niemand nog in de buurt van mijn spullen.’

‘Wat gaat u dan doen? Lijfwachten inhuren?’

‘Hoe kunt u het raden?’

‘Wij zullen in ieder geval het nodige doen om juffrouw Konings te laten boeten voor alles wat ze u heeft aangedaan’, zei Van In toen Cynthia de glazen bijvulde. ‘Maar voor het zover is, wil ik u nog een paar vragen stellen. Als u dat goed vindt tenminste.’

Versavel wendde zijn hoofd af van plaatsvervangende schaamte. Hij was de hele komedie stilaan beu, maar hij moest toegeven dat Cynthia waarschijnlijk nooit haar hart had gelucht als ze die komedie niet hadden opgevoerd. Het doet er niet toe hoe je achter de waarheid komt, het voornaamste is dat je erachter komt. Van In was beter acteur geworden. Of psychiater.

Hij had het meisje nu volledig in zijn macht. Ze keek hem aan met de blik waarmee ze normaal alleen haar vader aankeek.

‘Waren er nog meisjes op de hoogte van uw allergie?’

‘Waarom vraagt u dat?’

De verafgoding maakte even plaats voor argwaan, maar Van In loste het probleem zoals gewoonlijk handig op.

‘Eigenlijk mag ik u dat niet vertellen’, zei hij. ‘Beroepsgeheim.’ Hij bracht zijn vinger naar zijn lippen. ‘U hebt ons echter voortreffelijk geholpen. En flinke meisjes verdienen nu eenmaal een beloning. Daarom zal ik u een geheim verklappen: magistraten zijn een klein beetje paranoïde. Als ik de openbare aanklager een dossier bezorg met maar één verdachte, zal hij me niet geloven. Als we Kira willen pakken, moeten we ervoor zorgen dat het dossier in orde is. Dat begrijpt u toch.’

Ze knikte als een meisje dat net te horen heeft gekregen dat ze haar lievelingsjurk mocht kopen.

‘Louise en Lotte wisten het. En meneer Bombé natuurlijk.’

‘Louise Demeester, de tweede laureate?’

‘Ja, die.’

‘Tiens’, zei Van In.

‘Wie is Lotte?’ vroeg Versavel.

Het duurde even voor ze de vraag beantwoordde. Papa mocht onder geen beding weten dat ze een relatie had met een vrouw.

‘Een vriendin’, zei ze benepen.

Ze sloeg haar ogen neer. Versavel had de indruk dat ze bloosde. De vraag ‘wie is Lotte?’ had haar duidelijk van haar stuk gebracht. Hij had een beetje medelijden met haar.

‘Een echte vriendin zou je zoiets niet aandoen’, zei hij troostend.

Het klonk overtuigend, maar hij meende het niet echt. Jonge meisjes deden tegenwoordig stoer, maar diep in hun binnenste zaten ze vol twijfels, zeker wat hun uiterlijk betrof. Een puistje hier of daar was vaak voldoende om een crisis te veroorzaken. Vrouwen wisten hoe ze elkaar konden treffen. Lotte mocht een vriendin zijn, het bleef een concurrente.

‘Dat denk ik ook niet’, zei ze met een dankbare blik.

‘Dan hoeven we haar niet lastig te vallen’, zei Versavel.

‘Echt waar?’

Van In begreep er niets van, hij wist alleen dat Versavel zich met een bepaalde bedoeling in het gesprek had gemengd.

‘U hebt ons in ieder geval geholpen’, zei hij. ‘We houden u zeker op de hoogte van het verdere verloop van het onderzoek.’

Hij dronk zijn glas leeg en gaf Versavel met een hoofdbeweging te kennen dat het gesprek afgelopen was.

Het restaurant van het Kempinski-hotel was ruim en bijzonder fraai gedecoreerd. Het was er ook heel rustig. Bombé zat alleen aan een tafeltje. Hij had net het voorgerecht op toen Van In en Versavel binnenkwamen.

‘We storen toch niet?’ zei Van In.

Bombé keek verveeld op. De pers zat hem al de hele morgen op de hielen en nu dit nog.

‘Wat kan ik voor u doen, heren?’

‘Het verbaast me dat u nog in Brugge bent’, zei Van In terwijl hij een stoel bijschoof.

‘Brugge is een mooie stad, commissaris. Bovendien kan ik best wat rust gebruiken. Een missverkiezing organiseren vergt heel veel energie. En ik ben ook niet meer van de jongsten. Dat moet ik u niet vertellen’, voegde hij er met een betekenisvolle glimlach aan toe.

Een kwieke kelner kwam de bestelling opnemen. In principe werd er in het restaurant alleen gegeten, maar hij maakte geen bezwaar toen Van In en Versavel alleen iets te drinken vroegen.

‘We hebben net met een van uw meisjes gesproken’, zei Van In. ‘En ik moet toegeven dat ik wel even geschrokken ben.’

Bombé vertrok geen spier. Niemand kon merken dat zijn hart sneller ging kloppen. Hij verpinkte zelfs niet. Het was niet de eerste keer dat iemand hem onderuit probeerde te halen. Hij had ondertussen geleerd hoe hij een aanval kon pareren. Een luchtige aanpak leek hem de meest aangewezen manier om het tij te doen keren.

‘Het zijn inderdaad allemaal nog meisjes’, zei hij bijna vaderlijk. ‘U houdt het niet voor mogelijk wat ze allemaal verzinnen.’

‘Het gaat over de sms’jes’, reageerde Van In vinnig.

Hij had geen zin zijn tijd te verspillen met allerlei mooie praatjes. Je moest een koe bij de hoorns pakken, een ezel gaf je beter een trap voor zijn kont.

‘De sms’jes’, sneerde Bombé. ‘Daar gaan we weer. Wat hebben ze nu weer verteld? Dat ik hen bedrogen heb?’

‘Iets in die zin.’

‘Dan zal ik u vertellen hoe de vork in de steel zit, commissaris. Een missverkiezing organiseren kost handen vol geld. Ik ben volledig afhankelijk van mijn sponsors en van de opbrengst van de sms’jes. Daarom krijgt iedere finaliste de opdracht zoveel mogelijk fondsen te vergaren.’

‘Die ze aan u overmaken.’

‘Correct. In ruil daarvoor zorgt een groep vrijwilligers ervoor dat de sms’jes daadwerkelijk verstuurd worden. De rest ligt in de handen van het publiek.’

‘Dat heb ik ondertussen ook begrepen’, zei Van In. ‘Ik vraag me alleen af hoe een relatief onbekende finaliste erin slaagt vijftigduizend euro bijeen te krijgen met de verkoop van stickers of het organiseren van fuiven.’

‘Dat is hun zaak, commissaris. Vergeet niet dat de aanloop naar een verkiezing acht maanden duurt.’

‘Ik neem aan dat u alles minutieus bijhoudt.’

Bombé stak zijn hand in de binnenzak van zijn jasje en haalde er een kaartje uit dat hij aan Van In gaf.

‘Dit is het nummer van mijn boekhouder’, zei hij. ‘U mag hem altijd bellen.’

De kelner die net de bestelling had opgenomen schraapte de keel. Hij hield een bord in zijn hand.

‘Uw hoofdgerecht, meneer’, zei hij. ‘In de oven bereide kabeljauw met prei en een aardappeltaartje.’

Bombé vouwde zijn servet open en keek Van In afwachtend aan. Zelfs de kelner, die getraind was om onder alle omstandigheden vriendelijk te blijven, liet merken dat ze beter konden opstappen. Hij vroeg nogal kortaf of de heren ook iets wilden eten.

‘Nee’, zei Van In. ‘Ik lust geen kabeljauw.’

Saskia keek door het raam naar buiten. Ze verveelde zich. Voor haar lag een oud exemplaar van Dag Allemaal dat ze al vier keer had doorgenomen. Waar blijven ze toch, dacht ze. Toen ze ongeveer een half jaar geleden bij de lokale opsporingsdienst mocht gaan werken, had ze een gat in de lucht gesprongen. Ze was als kind al gefascineerd door recherchewerk, en nu ze eindelijk haar doel had bereikt, zat ze in een kil kantoor tijdschriften te lezen. Voetstappen in de gang deden haar opschrikken. Ze verstopte snel het beduimelde exemplaar van Dag Allemaal in de bovenste lade van haar bureau en plukte een mapje met pv’s van het stapeltje dat naast haar lag. Net op tijd. De deur zwaaide open.

‘Saskia.’

‘Ja.’

Het was een jonge inspecteur die ze al een paar keer in de lift had gezien, een bedeesde kerel die haar stiekem begluurde en voor wie ze bijgevolg geen enkele interesse had.

‘Iemand wenst u te spreken.’

‘Mij?’

De jonge inspecteur zette een stap naar voren. Het is nu of nooit, dacht hij. Maar zijn bedeesdheid won het van zijn testosteron. Hij bleef staan.

‘Hij wenst de commissaris te spreken, maar die is er niet. Dus dacht ik dat jij hem wel te woord zou willen staan.’

‘Waarover gaat het?’

De jonge inspecteur schuifelde zachtjes dichterbij. Het zweet brak hem uit. Zou het dan toch lukken?

‘O-over die Chi-Chinees’, hakkelde hij.

Ze veerde overeind. Een tinteling liep van haar nek naar haar staartbeen.

‘Hoor ik dat goed?’

‘Zal ik hem naar boven laten komen?’

‘Natuurlijk.’

Een andere collega had een zoen gekregen, zo gelukkig was ze dat er schot in de zaak kwam, want zij had er bij Van In op aangedrongen het opsporingsbericht te blijven uitzenden. Ze popelde van ongeduld, maar dat mocht ze niet laten merken. Dat had Van In haar al meer dan eens op het hart gedrukt.

‘Gaat u zitten, meneer…’ zei ze toen de jonge inspecteur de getuige binnenleidde.

‘Dewinter. Marc Dewinter.’

‘Fijn dat u er bent, meneer Dewinter. Commissaris Van In is helaas niet op kantoor. Misschien kan ik u helpen.’

Meneer Dewinter was vierenvijftig en werkloos. Hij woonde in Zeebrugge en ging iedere ochtend naar zijn vertrouwde stamcafé, waar hij twee Duvels dronk. Daarna maakte hij meestal een wandeling langs de kaaien, ’s Avonds keek hij naar de televisie. Hij smukte het verhaal op met talloze details, waardoor het bijna tien minuten duurde voor Saskia tot de kern van de zaak kon komen. Ze liet hem eerst nog een paar foto’s zien van de onbekende Chinees voor ze hem begon te verhoren.

‘Ik heb hem zelfs zien binnengaan in een flat bij mij in de buurt’, zei hij overtuigd.

‘Chinezen lijken allemaal een beetje op elkaar’, probeerde Saskia hem van zijn stuk te brengen, maar hij bleef bij zijn verklaring.

Saskia was in alle staten. Ze kon zelfs niet wachten tot meneer Dewinter de deur uit was om Van In het nieuws te melden.





9


In een havenstad trof je vaak panden aan die een tijdelijk onderdak boden aan zeelui die op een transfer wachtten, of aan mensen die niet meer wisten van welk hout pijlen te maken. Het verwaarloosde huis in de Genuastraat in Zeebrugge telde vier kamers en evenveel douches. Er was een gemeenschappelijke keuken en een zitkamer. Het meubilair was versleten en het behang verschoten, maar daar trokken de bewoners zich niets van aan. Ze hadden een dak boven hun hoofd en niemand stelde vragen. In de kamer op de tweede verdieping vonden Van In en Versavel een vliegtuigticket Parijs-Bejing en een paspoort op naam van ene Yang Yunxiang.

‘De foto klopt in ieder geval.’

Van In hield Versavel het opengeslagen paspoort voor dat hij net had vergeleken met een foto van de niet geïdentificeerde Chinees.

‘Dat weten we nu dus.’

Hij klapte het paspoort dicht en legde het op het nachttafeltje. De identificatie van de Chinees was een belangrijke stap in het onderzoek. Ze konden nu tenminste de Chinese autoriteiten op de hoogte brengen van wat er gebeurd was en de zaak afsluiten.

‘Ik vraag me af of we ooit zullen weten wie hij was’, zei Versavel.

‘Ik denk het niet.’ Van In stak hoofdschuddend een sigaret op. ‘Chinezen hangen nu eenmaal niet graag hun vuile was buiten.’

De bagage van Yang Yunxiang bevatte twee zijden pakken, een stel sportieve kleren, drie pyjama’s, wat ondergoed, scheergerei, aftershave, twee deodorants en een flesje parfum. Of was het eau de toilette? Het was moeilijk uit te maken omdat de tekst op het etiket in het Chinees was gesteld. Versavel haalde een van de pakken uit de kleerkast en liet zijn hand over de gladde stof glijden.

‘Zelfs in China kost zulk pak een aardige duit’, zei hij bewonderend.

‘Wie draagt nu zoiets?’ gromde Van In.

Tussen het ondergoed vonden ze een Visa-kaart en een rolletje bankbiljetten, allemaal briefjes van vijftig euro.

‘Onbemiddeld was hij ook niet.’

Er zaten zestig biljetten in het rolletje.

‘Waarom logeerde Yang Yunxiang hier als hij zich een eersteklas hotel kon veroorloven?’

‘En wat kwam hij hier doen?’ vulde Versavel aan.

Buiten stopte de wagen van de technische recherche. Klaas Vermeulen stapte uit en beende resoluut de woning binnen. De uitdrukking op zijn gezicht voorspelde niet veel goeds.

‘Hij gaat zich weer druk maken’, zei Versavel.

‘Dat zijn we van hem gewend, Guido.’

Klaas Vermeulen stond aan het hoofd van de technische recherche. Hij kon het niet hebben dat ‘gewone flikken’ de boel besmetten en zo belangrijke sporen onbruikbaar maakten.

‘Dag meneer Vermeulen’, grijnsde Van In. ‘Wat kunnen wij voor u doen?’

‘Verdwijnen, Van In.’

‘Dat waren we net van plan.’

Van In drukte zijn sigaret uit in een asbak waarin nog andere peuken lagen.

‘Die met een bruine filter is van mij’, zei hij laconiek.

Vermeulen wilde iets lelijks zeggen, maar hij hield zich in. Niets zeggen was de beste manier om van hen af te komen. Hij kende Van In. Als er één onvertogen woord viel, zou hij chargeren en dan waren ze morgen nog niet klaar.

‘Tot een volgende keer dan maar’, zei Van In.

Ze liepen naar buiten, waar Saskia in de wagen op hen zat te wachten. Van In had niet anders gedurfd dan haar mee te vragen. Als een soort van beloning. Zij vond het in ieder geval fijn. Ze lachte toen ze hen zag aankomen.

‘En?’ vroeg ze.

‘Je had gelijk’, zei Van In.

‘Krijg ik nu ook een zoentje?’

Ze flapte het eruit voor ze het besefte, maar Van In deed niet moeilijk. Ze kreeg haar zoen. Zelfs Versavel leek het niet erg te vinden. Hij keek glimlachend toe. Van In was in de loop der jaren verstandiger geworden. Toch wat vrouwen betrof.

‘Ik heb dorst’, zei hij toen Versavel de motor startte.

Café ’t Werfje lag zoals de naam deed vermoeden aan de Werfkaai. Het was er meestal rustiger dan in café Zonder Naam, dat een eindje verderop lag. Versavel parkeerde de Golf voor de scheepswerf van Jan Vandamme waar nog een plaatsje vrij was. De lucht was doortrokken van de geur van zeewier en olie. Op de kaai stond een aanhangwagen met daarop een houten draak die net een onderhoudsbeurt had gekregen. De gladde romp glansde in het gelige licht van de middagzon.

‘Volgens mij kunnen we nog op het terras zitten’, zei Van In.

Er stond bijna geen wind en de zon gaf nog voldoende warmte. Het was een van die heerlijke najaarsdagen die je in het binnenland zelden meemaakt. Van In bestelde een Duvel, Versavel en Saskia namen koffie.

‘We kunnen het natuurlijk via de Chinese ambassade proberen’, zei Van In toen de drankjes geserveerd waren. ‘Maar ik vrees dat die aanpak niet veel zal opleveren.’

‘Wat stel je dan voor?’ vroeg Saskia gretig.

‘We hebben iemand nodig die connecties heeft in China. Een politicus of iemand van de koninklijke familie.’

Versavel fronste zijn voorhoofd.

‘Overdrijf je niet een beetje?’

‘Misschien, Guido. Vergeet echter niet dat Yang Yunxiang hier min of meer clandestien verbleef. We weten evenmin wat hij hier kwam uitspoken?’

‘Een spion’, reageerde Saskia enthousiast.

‘We kunnen geen enkele mogelijkheid uitsluiten. Tegenwoordig infiltreren die kerels overal. En ze kopiëren alles. Net als de Japanners destijds.’

‘Ik maak er onmiddellijk werk van’, zei Saskia.

‘Ja, doe dat maar, kind.’

Van In nam een slok Duvel en stak een sigaret op. Eigenlijk was hij best tevreden dat het allemaal zo afgelopen was en dat ze niet in een wespennest terechtgekomen waren. Het feit dat hij straks weer vader werd, slorpte bijna al zijn energie op. En dan was er nog de onzekerheid. Zou hij wel vader worden? Als God bestond, had hij nu een gebed gezegd en de Almachtige gesmeekt om over Julien te waken. Gelukkig kon niemand zijn gedachten lezen. Zelfs als God bestond, zou Hij zich niet met een detail als zijn ongeboren kind inlaten. Waarom zou Hij? Hij bemoeide zich zelfs niet met erge dingen zoals volkerenmoord, armoede en hongersnood. Zijn schepselen moesten zelf maar opdraaien voor de gevolgen van hun daden. Van In kon Hem geen ongelijk geven.

Het was stil in het kantoor van de voorzitter van de mbz. Johan Cosyns stond nadenkend door het raam te staren dat uitkeek over de haven waar jaarlijks een miljoen containers en evenveel auto’s werden verscheept. De haven was zijn levenswerk. Na een maandenlange voorbereiding stond hij op het punt de kroon op zijn werk te zetten: een verdubbeling van het containervervoer. Dat hij daarvoor een stuk natuurgebied moest opofferen, kon hem in wezen niet veel schelen. Een dergelijke toename van het handelsverkeer zorgde voor meer welvaart en werkgelegenheid dan de groene jongens zich konden voorstellen. Wat dachten die kerels wel? Dat de beschermde vogeltjes de klus zouden klaren? Vanavond mocht er niets mislopen. Hij had alles tot in de puntjes voorbereid. Een diner van acht gangen, de meest exquise wijnen, oude cognac en maltwhisky uit de Lowlands. En meisjes natuurlijk. Hij had er vier besteld. Blondjes. Chinezen waren immers gek op blondjes. Johan Cosyns had er met zijn vrouw over gesproken. Ze had er eerst bezwaar tegen gemaakt dat hij hoeren had ingehuurd om meneer Wulong Zhang te behagen, maar hij had haar kunnen overtuigen dat zoiets wel vaker gebeurde. Hij draaide zich om, liep naar de kast waar de sterkedrank werd bewaard en schonk zich een calvados in. Zijn handen trilden lichtjes. Het was jaren geleden dat hij zich nog zo zenuwachtig had gevoeld. In gedachte zag hij de hand van Zhang boven het contract zweven. Een paar halen met een gouden pen en alle zorgen zouden van hem afglijden. Hij zou weer van zijn zeldzame vrije dagen kunnen genieten samen met de kinderen en hij had zelfs overwogen een korte vakantie te boeken. Het leed geen twijfel dat hem de hoogste eer te beurt zou vallen als hij in zijn opzet slaagde. Hij wierp een vluchtige blik op zijn polshorloge. Het was vijf voor drie. Nog vier uur, dacht hij. Het gezoem van de intercom haalde hem uit zijn overpeinzingen. Cosyns reageerde kribbig. Hij had zijn secretaresse immers de opdracht gegeven dat hij niet gestoord wenste te worden. Ze verontschuldigde zich.

‘Ik dacht dat het belangrijk was’, zei ze.

Het was niet verstandig om tegen zijn secretaresse uit te varen voor een futiliteit. Ze was betrouwbaar en ze maakte zelden een fout.

‘Laat maar’, zei hij een stuk vriendelijker. ‘Wie is het?’

‘Louise Demeester.’

Cosyns voelde de moed in zijn schoenen zinken. Hij had net als iedere Vlaming in de krant gelezen wie er Miss Flanders 2009 was geworden. Toen er geen reactie van Louise kwam, had hij gedacht dat ze zich bij de beslissing van het publiek had neergelegd en genoegen nam met het geld dat hij haar had toegestopt. Nee dus.

‘Hallo, met Cosyns? Wat kan ik voor u doen?’

Er klonk een zenuwachtig lachje.

‘U bent grappig, meneer Cosyns. Wat kan ik voor u doen? Laat me niet lachen.’

‘Ik heb nochtans gedaan wat u me gevraagd hebt, juffrouw Demeester.’

‘Ja, maar het is jammer genoeg niet voldoende. Ik wil meer.’

‘Niet over de telefoon.’

‘Oké. Waar spreken we af?’

‘Ik geef u mijn secretaresse door.’

‘Nee, ik wil nu een afspraak. Vandaag nog.’

‘Dat gaat niet.’

Cosyns was een echte West-Vlaming. Hij was gewend problemen snel op te lossen en was op zijn best als hij onder druk stond. Geld was geen probleem en hij beschikte over voldoende tijd.

‘Bent u nog in Brugge?’

‘Nee’, zei ze.

‘Waar kunnen wij elkaar dan ontmoeten?’

‘Bij me thuis.’

In normale omstandigheden had Cosyns een neutrale plek voorgesteld, in zijn positie was het immers riskant met een jonge vrouw thuis af te spreken, maar eigenlijk hoefde hij niet bang te zijn dat ze hem daarmee zou chanteren. Dat deed ze nu toch al. ‘Oké.’

Hij memoriseerde het adres dat ze hem meedeelde en zei dat hij er binnen een uur zou zijn.

‘Vergeet niet geld mee te brengen’, zei ze.

‘Hoeveel?’

‘Doe maar hetzelfde als de vorige keer.’

Het klonk bijzonder nonchalant, alsof vijftigduizend euro een peulschil was. Cosyns had er even spijt van dat hij zo gemakkelijk had toegegeven. Hij hield meer van onderhandelde oplossingen. Zomaar geld weggeven vond hij zonde. Wanneer kon hij er zeker van zijn dat ze hem niet meer zou lastigvallen? De vraag alleen maakte hem een beetje moedeloos. Hij kon het niet hebben dat hij gemanipuleerd werd en dan nog door een mislukte miss. Voor ieder probleem bestond er natuurlijk een oplossing, maar hoe legde je iemand het zwijgen op zonder de wet te overtreden? Het was een mooie denkoefening.

Paul parkeerde de wagen op uitdrukkelijk verzoek van Cosyns niet voor de voordeur van de flat van Louise Demeester, maar een eindje verderop.

‘Ik ben over een halfuurtje terug’, zei Cosyns toen hij uitstapte. ‘Als het langer duurt geef ik je een seintje.’

Paul stelde geen vragen. Hij knikte. Zijn taak bestond erin Cosyns veilig van punt A naar punt B te brengen. Met de rest had hij niets te maken. Hij pakte de krant en sloeg ze open op de sportpagina’s.

Louise Demeester begroette Cosyns met een koele glimlach. Ze droeg een fleurig jurkje van gladde stof dat haar rondingen subtiel accentueerde en soepel om haar heupen viel. Ze was best een mooie vrouw. Cosyns was geen verleider, toch kon hij moeilijk ontkennen dat ze indruk op hem maakte.

‘Ik stel uw stiptheid zeer op prijs, meneer Cosyns’, zei ze.

Meestal vertelde de inrichting van een woning veel over de bewoners. De flat van Louise Demeester was een gesloten boek. Er stonden alleen meubels van Ikea. Geen boeken of tijdschriften die iets over haar karakter of smaak zeiden. Zelfs de decoratie en de kleuren waren onpersoonlijk. Bijna steriel. Woonde hier wel iemand?

‘Ik vind dat we eerst een paar dingen moeten bespreken’, zei Cosyns.

‘Bespreken?’

Ze fronste haar voorhoofd. Haar ogen keken hem vol wantrouwen aan.

‘Ik wil garanties’, zei Cosyns.

‘U hebt mijn woord.’

‘Dat is niet voldoende. Er staat te veel op het spel.’

‘Wat stelt u dan voor?’

Ze nodigde hem uit te gaan zitten, maar bood hem niets aan. Als ze hier niet woonde, had ze waarschijnlijk ook niets in huis. De gedachte dat hij in een complot was verzeild, zat Cosyns niet lekker. Het kon bijna niet dat Louise dit allemaal alleen had bedacht.

‘Ik heb een bankcheque bij me die u pas na de ondertekening van het contract kunt verzilveren’, zei hij.

‘Geen sprake van’, zei ze. ‘Op die manier kan de politie het geld traceren.’

Cosyns glimlachte. Hij had zo’n reactie verwacht.

‘Ik heb niet gezegd dat u de cheque bij een bank moet verzilveren’, zei hij. ‘De cheque is gewoon een garantie. Ik bel u als alles achter de rug is. U geeft me de cheque terug en ik geef u het geld. Cash.’

‘U gelooft me dus niet.’

‘Ik wil op zeker spelen, juffrouw Demeester. U moet zich even in mijn plaats stellen. Het enige wat ik weet is dat meneer Wulong Zhang in zijn eer gekrenkt is en dat hij het contract niet zal ondertekenen als daarover iets uitlekt. Bovendien heb ik u al vijftigduizend euro gegeven. Meer kan ik me eigenlijk niet veroorloven. Als de raad van bestuur er ooit achter komt, kan ik inpakken. Dat moet u ook begrijpen, juffrouw Demeester.’

Zijn kordate aanpak bracht haar van haar melk. Wat moest ze doen? Het voorstel leek haar op het eerste gezicht bonafide. Ze zou het geld hoe dan ook krijgen, maar ze wilde net als Cosyns niet onmiddellijk toegeven.

‘Ik wil een bonus van vijfduizend euro voor iedere week dat ik op het geld moet wachten’, zei ze.

‘Drieduizend.’

‘Vijfduizend of het gaat niet door.’

Cosyns gaf tegen zijn zin toe. Hij had geen andere keus. En de tijd begon te dringen. Hij moest nog douchen en zich verkleden. De echte vuurproef stond hem nog te wachten.

‘U bent een harde onderhandelaarster, mevrouw Demeester.’

‘Daarom heet ik ook Demeester’, zei ze snedig.

Een smaragdgroene Rolls Royce zette meneer Wulong Zhang af aan de voet van het bordes waar twee lakeien hem opwachtten. Cosyns had voor de gelegenheid het hele kasteel afgehuurd en twintig veiligheidsmensen ingezet die er nauwgezet op toezagen dat er geen pottenkijkers of persmensen probeerden binnen te sluipen. In de grote zaal waren de tafels gedekt voor een select aantal genodigden. De burgemeester en de gouverneur waren er, de hele raad van bestuur en een handvol zakenlui, allemaal mannen. Zonder partners. Er was eerst een receptie waarbij iedereen de kans kreeg zich aan meneer Wulong Zhang voor te stellen.

Daarna gingen ze aan tafel waar de tongen losser kwamen naarmate de wijn vloeide. Chinezen hielden niet van zakendoen als ze vooraf niet konden drinken. Zuipen was eigenlijk een beter woord. De gouverneur, die toch wel een glaasje kon verdragen, haakte als eerste af. Hij verdween net voor het dessert en kwam een kwartier later lijkbleek terug. De rest hield het nog een tijdje vol, maar ze bezweken een voor een, behalve Cosyns. Hij gaf de indruk dat hij veel dronk, maar in werkelijkheid dronk hij amper van zijn glas. Wulong Zhang keek geamuseerd toe hoe het westerse gezelschap stilaan in staat van ontbinding raakte. Tegen middernacht waren ze nog met zijn achten. Het werd tijd dat Cosyns het zware geschut in stelling bracht.

De meisjes, die vijf minuten later binnenkwamen, droegen lange jurken met hoge splitten en naaldhakken waardoor ze nog groter leken. De twee blondjes ontfermden zich over Zhang.

‘Is alles naar wens, meneer Zhang?’ vroeg Cosyns.

De Chinees liet zijn hand over de billen van een van zijn gezelschapsdames glijden.

‘U weet wat een echte man verlangt’, zei hij.

Hij schoof zijn stoel naar achter en nodigde het meisje dat hij net had gestreeld uit op zijn knie te gaan zitten. Het andere meisje wachtte braaf haar beurt af. Dronken mannen waren de gemakkelijkste klanten. Ze kregen hem niet meer overeind en als je hen lang genoeg masseerde vielen ze in slaap. Ze had nog nooit een oude Chinees gehad, maar dat zou waarschijnlijk geen verschil maken.

‘Ik heb een voorontwerp van het contract laten opstellen en laten vertalen’, zei Cosyns terwijl hij een slokje van de dure Brunello nam.

Hij reikte Wulong Zhang een map aan waarop in gouden letters Shanghai Shipping stond. Hij en zijn medewerkers hadden maandenlang gewroet om de gemaakte afspraken in een aanvaardbare tekst te gieten. Het was alleen de vraag of de Chinese vertaling alle nuances in het contract correct weergaf. Dat zou Cosyns pas weten als Wulong Zhang het contract gelezen had. Hij hoopte dat de definitieve beslissing niet lang op zich liet wachten en dat ze het contract in de loop van volgende week konden ondertekenen. Wulong Zhang lachte, pakte de fles Brunello en schonk twee glazen vol.

‘Ik heb u de hele avond in de gaten gehouden, meneer Cosyns’, grijnsde hij. ‘U vindt de wijn niet lekker of u probeert nuchter te blijven.’

Hij reikte een glas aan en zette dat van hem aan zijn lippen.

‘Drink, meneer Cosyns. Een goede afspraak moet besprenkeld worden.’

Zijn hand verdween even tussen de dijen van de blondine, die deed alsof dit de normaalste zaak van de wereld was. Cosyns was bereid om mee te drinken, hij wist echter niet hoe hij zou reageren als de Chinees hem zou vragen aan de orgie deel te nemen die er zat aan te komen. Twee meisjes hadden zich al half uitgekleed en de burgemeester was al een tijdje met een ander meisje verdwenen. Het was een kwestie van tijd voor het echte feest losbarstte. Hij kreeg het pas echt warm toen het blondje dat de hele tijd werkeloos achter Wulong Zhang was blijven staan, spontaan naast hem kwam zitten en haar hand op zijn dij legde.

‘Drinken is geen probleem.’

Hij zette het glas aan zijn lippen en dronk het in één teug leeg. Als er toch iets gebeurde kon hij beter dronken zijn. Wulong Zhang liet een tweede fles aanrukken en verhoogde het tempo. Ondertussen lag de gedelegeerd bestuurder van de nv Teeuws, een bedrijf dat machineonderdelen produceerde, te rollebollen in de salon. Zijn collega had het slipje van zijn tafeldame over zijn hoofd getrokken. De gouverneur was jammer genoeg in slaap gevallen. Hij snurkte luid.

‘Ik denk dat we samen een mooie toekomst kunnen opbouwen’, zei Wulong Zhang. ‘Laten we daarop toosten.’

Bij de derde fles kreeg Cosyns het benauwd. Zijn hoofd werd zwaar en wattig. Hij kon zijn ogen nog amper openhouden. De roes maakte hem willoos. Hij bood bijgevolg geen weerstand toen de blondine hem meetroonde naar een van de kamers, waar ze hem uitkleedde en in bad stopte, zoals een verpleegkundige dat met een seniele patiënt doet. Hij liet het zich allemaal welgevallen. Er verscheen zelfs een zalige glimlach op zijn gezicht toen ze zijn onderbuik begon te masseren. Eigenlijk was hij goed weggekomen. De alcohol had hem gered, want wat de blondine ook probeerde, hij was niet meer in staat om zijn vrouw te bedriegen en dat gaf hem een vredige rust. Zijn oogleden vielen langzaam dicht. Hij verzette zich niet langer en liet zich meevoeren naar zijn eerste droom.

‘Wat doen we?’

De officier met wachtdienst haalde zijn schouders op.

‘Van In zal razend zijn als we hem nu bellen’, zei hij tegen zijn collega.

‘Of hij zal razend zijn als we hem niet bellen.’

‘Hoe laat is het nu?’

‘Kwart over twaalf.’

‘Oké.’

De officier met wachtdienst nam de telefoon, toetste het nummer in en wachtte gespannen af. Er werd opgenomen na de tweede beltoon. Hij was nog wakker. Gelukkig.

Hannelore stak haar hoofd door de deuropening van de badkamer. Ze was haar tanden aan het poetsen toen de telefoon ging. Van In zat op de rand van zijn bed. Naakt. In tegenlicht leek het of hij wat afgevallen was, maar dat was waarschijnlijk gezichtsbedrog.

‘Toch niets ernstigs?’ vroeg ze.

‘Er is weer een Chinees verdwenen.’

‘Wulong Zhang?’

‘De eigenaar van De Blauwe Lotus. Zijn vrouw is in alle staten.’

‘Wat ga je doen?’

Ze sloeg haar zijden ochtendjas om en kwam bij hem zitten. Hij voelde de warmte van haar lichaam door de dunne stof, maar toen hij de vraag niet onmiddellijk beantwoordde, wist ze dat hij zou gaan. Ze vond het zelfs niet erg.

Mevrouw Deng was klein en tenger. Haar doorgroefde gezicht leek op dat van een mummie. Ze glimlachte triest toen Van In haar de hand drukte. Vroeger werd een verdwijning pas onrustwekkend na vierentwintig uur, tegenwoordig hield de politie ook rekening met de omstandigheden en de verklaringen van de mensen die een verdwijning kwamen melden. Als Van In de vrouw mocht geloven, ging meneer Deng zelden uit en als het toch eens gebeurde was hij gegarandeerd voor zes uur thuis. Ze had de ziekenhuizen in de omgeving gebeld en daarna alle bevriende landgenoten bij wie hij eventueel had kunnen zijn. Niemand had haar kunnen helpen. Het kon niet anders of er was iets vreselijks gebeurd.

‘Hij moest iemand ophalen aan het station’, zei ze toen Van In vroeg waarom meneer Deng vandaag de deur uit was gegaan.

‘Hij was dus met de wagen?’

Ze knikte. Van In wendde zich tot de officier met wachtdienst.

‘We hebben onmiddellijk het nodige gedaan, commissaris. Alle nachtpatrouilles hebben de opdracht om uit te kijken naar de wagen van meneer Deng.’

Van In bekeek de vrouw meewarig. Het was duidelijk dat ze haar man op handen droeg. Ze hield van hem. Haar verdriet was echt. Wat als zou blijken dat meneer Deng misschien niet zo braaf was?

‘Weet u ook wie hij moest ophalen?’

‘Nee’, zei ze.

‘Was het een landgenoot?’

‘Dat heeft hij niet gezegd.’

‘Ook niet waarvoor hij hem moest ophalen?’

‘Het was iets zakelijks’, zei ze ontwijkend. ‘En over zaken wordt niet gesproken. Toch niet met mij’, voegde ze er voorzichtig aan toe.

Van In had medelijden met de vrouw, maar het was zijn taak om de waarheid te achterhalen. Pijnlijke vragen vielen nu eenmaal niet te vermijden.

‘U weet toch dat uw man een huis bezit in Zeebrugge?’

‘Een huis’, herhaalde ze toonloos.

Van In wenkte de officier met wachtdienst met een hoofdbeweging en gaf hem de opdracht een patrouille naar het huis in Zeebrugge te sturen. Met een beetje geluk was het mysterie zo opgelost.

‘Kan ik u een kopje thee aanbieden?’

Ze knikte dankbaar.

De dichtstbijzijnde patrouille was in de buurt van Lissewege. Over tien minuten zouden ze meer weten. Van In stak een sigaret op, inhaleerde diep en blies de rook langs zijn neusgaten uit.

‘Ontvangt uw man regelmatig gasten?’

‘Af en toe.’

‘Landgenoten?’

‘Mijn man onderhoudt goede contacten met een aantal families uit zijn geboortestreek’, zei ze.

‘Maar u wist niet dat hij hen ook onderdak gaf?’

Ze liet de vraag onbeantwoord. Misschien had ze al te veel prijsgegeven. Wie weet was er hem toch niets overkomen. Wat zou ze dan zeggen? Hij zou het haar nooit vergeven dat ze contact had opgenomen met de politie. Waarom had hij haar nooit iets verteld over het huis in Zeebrugge? Wat had hij nog voor haar verzwegen? Dingen die het daglicht niet mochten zien? Ze werd bang. Doodsbang.

‘Ik zou liever naar huis gaan’, zei ze.

‘We leven in een vrij land, mevrouw Deng.’

‘Het mag dus?’

‘Natuurlijk’, glimlachte Van In. ‘Maar voor u weggaat wil ik u iets laten zien.’

Hij stond op, liep naar een grijze metalen kast en haalde er een map uit met foto’s van Yang Yunxiang.

‘Herkent u deze man?’

Er ging een rilling door haar lichaam en ze klemde haar kaken zichtbaar op elkaar. Van In hield haar scherp in de gaten. Hij wist nu al dat ze zou liegen.

‘Commissaris.’

De officier van wachtdienst tikte zachtjes op zijn schouder.

‘Ze hebben de wagen van Deng gevonden’, zei hij. ‘De technische recherche is al onderweg.’

Van In nam een trek van zijn sigaret. De haven van Zeebrugge fungeerde al een aantal jaren als draaischijf voor mensensmokkel en het was een publiek geheim dat nogal wat eigenaars van Chinese restaurants banden hadden met de maffia. Als hij het zo bekeek, kreeg de zaak een totaal andere wending. Het zou best kunnen dat meneer Deng het slachtoffer was geworden van een afrekening binnen het milieu.

‘We kunnen morgen beter speurhonden inzetten’, zei hij.

Panda lag languit op bed. Ze droeg alleen een slipje. Haar strakke huid glansde in het zachte licht van het nachtlampje. Miljonair zijn op je achtentwintigste, het gaf een goed gevoel. Zeker voor een meisje dat op het platteland was geboren en nooit een kans had gekregen om zich te ontplooien. Ze had bovendien een afschuwelijke jeugd achter de rug. Ze hadden haar misbruikt en mishandeld, maar ze hadden haar niet kapot gekregen. Niemand kreeg haar kapot. Ze stak een sigaret op en volgde de rook die naar het plafond kronkelde als de staart van een draak. De televisie stond nog aan. Ze wierp af en toe een blik op het scherm.

Meneer Wulong Zhang arriveerde om twintig voor drie. Ze liet hem binnen en bood hem een glas wijn aan.

‘Het is nog niet afgelopen’, zei hij. ‘De bleekscheet wordt gechanteerd.’

Zhang vertelde dat hij Cosyns dronken had gevoerd en hem daarna had uitgehoord.

‘Ze heet Louise Demeester en ze was een van de finalistes van de missverkiezing.’

‘Dan hebben we ons vergist’, zei Panda koel. ‘Maar dat dacht ik al. Anders had die andere wel gepraat.’

‘Dat denk ik ook’, gaf Wulong Zhang toe. ‘Wie met jou kennismaakt, spreekt na een tijdje de waarheid’, voegde hij er met een zuinige glimlach aan toe.

‘Dank u, meester.’

‘Kun je nog een tijdje blijven? Ik weet dat deze opdracht niet zonder risico is, maar je zou me een grote dienst bewijzen als je ze aannam.’

‘Ik heb een andere wagen nodig’, zei ze.

‘Dat is geen probleem.’

Wulong Zhang nam een slokje wijn en liet zich op de bank neerzakken. Hij was moe en ook een beetje verdrietig.

‘De politie zoekt me’, zei Panda. ‘Als de klus geklaard is, wil ik zo snel mogelijk het land uit.’

‘Dat begrijp ik.’

Wulong Zhang staarde een paar seconden in de leegte voor hij zijn mobieltje pakte en een nummer intoetste. Hij was gewend om een probleem snel te analyseren en op te lossen. Anders was hij nooit geworden wie hij nu was.

‘Kun je Antwerpen bereiken?’

‘Ik denk het wel’, zei Panda.

‘Dan zorg ik ervoor dat je veilig het land uit komt.’

Hij belde de kapitein van de Pride of Shanghai, een containerschip dat in de Antwerpse haven voor anker lag en eigendom was van een van de bedrijven die hij controleerde. Het gesprek duurde een paar minuten. Toen de kapitein hoorde wie er aan de lijn was, zei hij alleen: Ja, meneer.

‘Zo’, zei Zhang. ‘Dit is dan ook geregeld.’

Hij stak een sigaar op en bekeek de jonge vrouw die voor hem zat en zich helemaal niet gegeneerd voelde dat ze halfnaakt was. Ze kenden elkaar al lang en ze konden het best met elkaar vinden. Panda had nog nooit gefaald. Hij was er zeker van dat ze ook dit keer haar opdracht tot een goed einde zou brengen.

‘Je krijgt ook nog een bonus’, zei hij. ‘Wat dacht je van vijfentwintigduizend dollar?’

‘Maak er euro van en ik ben je vrouw.’

Wulong Zhang vertrok geen spier. Panda was de beste in haar vak. Ze was iedere cent dubbel en dik waard.

‘Oké’, zei hij.





10


‘Gaat het een beetje?’ vroeg Saskia bezorgd.

Van In zag asgrauw van vermoeidheid. Na het verhoor van mevrouw Deng vannacht was hij nog een Duvel gaan drinken in een nachtcafé op het Zand. Correctie. Hij had er drie gedronken en bijna twintig sigaretten gerookt. Dat kon hij zich op zijn leeftijd niet meer veroorloven.

‘Ik denk dat het einde nabij is’, zei hij mat.

‘Doe niet flauw. Je zag er gisteren niet beter uit’, grapte Versavel.

‘Is er al nieuws over meneer Deng?’

Van In nam een slok koffie en trok het cellofaantje van een biscuitje dat hij in het café bij de koffie had gekregen. Een speciaal team van de federale politie was bezig de omgeving waar ze de auto van Deng hadden gevonden uit te kammen, maar die zoektocht had tot nu toe nog geen resultaat opgeleverd.

‘Ik heb in ieder geval nog niets gehoord’, zei Versavel.

Hij schatte de kansen dat ze meneer Deng vonden, niet hoog in. Van In trouwens ook niet, maar ze moesten toch iets doen.

‘Hij kan overal zitten.’

‘Overal’, herhaalde Versavel. ‘Misschien zoeken we het te ver.’

Versavel pakte de telefoongids, sloeg hem open en bladerde naar de letter K.

‘Wat ben je van plan?’

‘Het kadaster bellen’, zei Versavel. ‘Wie weet bezit Deng meer dan één huis.’

Het duurde een poosje voor hij met iemand werd doorverbonden die hem kon helpen. Het was net koffiepauze. Versavel moest al zijn gewicht in de schaal leggen om de ambtenaren tot actie aan te zetten. Ondertussen rookte Van In een sigaret. Saskia zette een nieuwe pot koffie. Eigenlijk waren ze niet beter dan de ambtenaren die ze verketterden. Als er geen werk was, deden ze ook niets.

‘Is dat zo?’ hoorde Van In Versavel zeggen.

Ze hadden prijs. Meneer Deng bezat vier huizen, waarvan twee in Zeebrugge. Een misdaad oplossen was meestal een kwestie van minutieus speurwerk, maar af en toe hadden ze ook eens geluk.

‘Mag ik met jullie mee?’ vroeg Saskia hoopvol.

Van In wierp een steelse blik naar Versavel, maar die maakte geen bezwaar.

‘Vooruit dan maar.’

Ze glunderde.

Het was een eenvoudig bakstenen huis uit de jaren vijftig met een aangebouwde garage en een schuurtje. De gordijnen waren dicht en er kwam niemand opendoen toen ze aanbelden. Ze liepen achterom naar de tuin, een wildernis van opgeschoten gras en brandnetels.

‘Volgens mij is het onbewoond’, zei Saskia.

Ze maakte een koker met haar handen, plaatste ze tegen het raam en keek naar binnen.

‘Zie je iets?’

‘Een keuken.’

Op het aanrecht stonden een stapel ongewassen borden en een paar glazen. De gootsteen leek netjes. Aan de muur hing een schilderijtje, een heuvelachtig landschap met een bruisende beek en een ondergaande zon. Niets wees erop dat de keuken onlangs nog was gebruikt.

‘Wat doen we?’ vroeg Versavel.

De achterdeur was voorzien van een eenvoudig slot, het soort dat je met een stukje ijzerdraad kon openmaken. Van In stak een sigaret op. De toegang tot een pand forceren zonder huiszoekingsbevel was een riskante zaak. Er een vragen had geen zin. Geen enkele onderzoeksrechter zou dit afleveren op basis van de povere gegevens waarover ze beschikten.

‘Ik denk dat Saskia gelijk heeft’, zei hij.

In het schuurtje, dat wel open was, stonden een verroeste hark en een spade met een afgebroken steel. Er lagen ook een paar netten, waarschijnlijk om spreeuwen mee te vangen, een illegale bezigheid waar tegenwoordig hoge boetes op stonden.

‘Ik zou hier zeker niet willen wonen’, zei Versavel.

‘Ik ook niet, maar waarom heeft Deng het huis dan gekocht als hij het niet verhuurt?’

‘Dat weten we niet, Sas.’

‘Zal ik de dienst bevolking bellen?’

‘Ja. Doe dat, Guido.’

Van In liep weer naar de voorkant en liet zijn blik over de landweg glijden. Het huis van Deng was behoorlijk afgelegen. De dichtstbijzijnde buur woonde tweehonderd meter verderop. Wie weet kreeg hij daar meer informatie. Hij stak een nieuwe sigaret op en slenterde ernaartoe.

‘Ik ben commissaris Van In’, zei hij.

De man die net de voordeur had opengemaakt droeg een grauwe broek met ouderwetse bretellen. En hij had een pet op. Van In schatte hem een jaar of zeventig. De man keek bijzonder wantrouwig en daar had Van In begrip voor. Iedereen kon zeggen dat hij commissaris was. Daarom liet hij hem zijn politiekaart zien. De oude man maakte een wegwerpgebaar.

‘Doe geen moeite. Ik kan toch niet lezen.’

‘Het gaat om het huis hier verderop.’

Van In wees naar het huis van meneer Deng waar Versavel stond te telefoneren. Van een afstand zag het er nog mistroostiger uit dan van dichtbij. Hij merkte nu pas op dat het dak in een erbarmelijke staat was.

‘Wat is er met het huis?’

‘Ik wil alleen weten of het bewoond is.’

‘Dat zie je toch.’

Het klonk nors. Hoe kun je zo dom zijn? Van In kon het van zijn gezicht aflezen.

‘Ik bedoelde eigenlijk iets anders’, probeerde hij zijn stommiteit te herstellen. ‘We zoeken de eigenaar.’

‘De Chinees.’

‘Kent u hem?’

‘Hij komt hier af en toe voorbij.’

‘Hebt u hem onlangs nog gezien?’

‘Nee’, zei de oude man kordaat. ‘Sinds het huis onbewoond is, komt hij nog zelden.’

De laatste bewoners, een jong gezin met twee kinderen, waren twee maanden geleden verhuisd vanwege het dak dat zo lek was als een zeef.

‘Meer weet ik niet.’

‘Toch bedankt’, zei Van In.

Hij maakte rechtsomkeert. Versavel en Saskia liepen hem een eindje tegemoet. Een eenzame reiger zeilde door de lichtgrijze lucht. Geen geluid verbrak de stilte.

‘Het huis staat al twee maanden leeg’, zei Versavel. ‘En de kans is groot dat het onbewoonbaar wordt verklaard.’

‘Dat ben ik ondertussen ook aan de weet gekomen’, zei Van In moedeloos.

Hij stak een sigaret op. Saskia liep hen voor naar de wagen die voor het huis geparkeerd stond. Ze droeg een strakke spijkerbroek die haar kontje volledig tot zijn recht liet komen.

‘Hoe zou het met Carine zijn?’

Het was de naargeestige plek die Van In aan haar deed denken. Het was alsof hij hier de dood kon ruiken.

‘Ik heb gehoord dat ze weer aan de chemo is.’

‘Het wordt tijd dat we haar nog eens een bezoekje brengen’, zei Van In.

‘Zeker weten’, knikte Versavel overtuigd.

Hij en Carine waren nooit beste vrienden geweest, hij kon veel beter met Saskia opschieten, maar na alles wat ze doorstaan had hoopte hij dat ze spoedig mocht genezen en weer bij het team kwam. Hij had al ettelijke keren in stilte beloofd dat hij dan zijn best zou doen om het goed te maken.

Toen ze in de wagen stapten, kregen ze een bericht over de radio dat de mannen van de federale politie de zoekactie naar meneer Deng voorlopig hadden gestaakt.

‘Had ik het niet gedacht’, gromde Van In. ‘Die kerels houden nooit iets vol.’

Versavel draaide de wagen en keerde met een slakkengangetje terug. Toen ze een meter of twintig voorbij het huis van de oude man waren trapte hij op de rem.

‘Wat doe je nu?’

De wagen kwam met een schokje tot stilstand.

‘Er staat iemand in de deuropening te zwaaien’, zei Versavel, die met één oog in de achteruitkijkspiegel tuurde en met het andere opzij keek.

‘Een oude man met een pet?’

‘Nee, het is een vrouw.’

Ze stapten uit en liepen een eindje terug. De vrouw had een gegroefd gezicht en ze stond een beetje gebogen. Ze had een halsdoek om en zwachtels om haar benen. Net een mummie. Maar ze lachte tenminste.

‘Kunnen we iets voor u doen?’ vroeg Versavel.

Ze mochten in de gang komen, waar een aftandse fiets stond en een voorraadje brandhout lag.

‘Er zijn gisteren wel mensen geweest’, fluisterde ze samenzweerderig. ‘Ze waren met een grijze auto. Ze zijn een tijdje binnengebleven en daarna weer weggereden.’

‘Weet u dat zeker?’

Ze keek Van In verwijtend aan. Haar lichaam was misschien versleten, haar ogen vonkten nog. Wat dacht die snaak wel? Dat ze debiel was? Gusten, haar man, wist amper nog wat ze gisteren hadden gegeten, hij vergat alles. Haar geheugen was nog intact.

‘Ik heb zelfs iemand horen schreeuwen’, zei ze.

‘Hoeveel mensen hebt u gezien?’ vroeg Versavel vriendelijk.

Haar blik werd zachter. Ze zag die kerel met de snor wel zitten. Gusten had vroeger, toen ze pas getrouwd waren, ook een snor laten groeien. Ze hield van mannen met een snor.

‘Drie’, zei ze.

‘Mannen of vrouwen?’

Ze aarzelde.

‘Er was een Chinese vrouw bij’, zei ze.

‘Heb je hen alledrie zien terugkeren?’

‘Nee. Ik heb alleen de auto horen voorbijrijden.’

Van In wierp een blik naar Versavel. Deng reed met een grijze Nissan en mevrouw Deng had verklaard dat haar man iemand had opgehaald aan het station. Het zou dus hem kunnen zijn geweest, maar het was nog te vroeg om die conclusie te trekken.

Van In bedankte de oude vrouw en liep in gedachten verzonken terug naar het leegstaande huis.

De garagedeur was niet op slot. Van In trok ze zachtjes open. Hij hoefde niet binnen te kijken om te weten dat er zich iets vreselijks had afgespeeld. Een fletse lijkengeur sloeg hem in het gezicht, het gebrom van een zwerm opgeschrikte vliegen klonk als het geronk van een motorfiets. Kira zat nog altijd op de metalen stoel. Haar hoofd hing als een geknakte bloem op haar borst. Meneer Deng lag tegen de linkerzijmuur. Zijn dode ogen keken naar het plafond. Saskia bracht haar hand naar haar mond en liep kokhalzend naar buiten, onmiddellijk gevolgd door Van In. Versavel bleef het langst binnen. Hij zag bleek toen hij naar buiten kwam.

‘Wat is hier in godsnaam gebeurd?’

‘Ze hebben haar eerst gemarteld’, zei Versavel. ‘En haar daarna afgemaakt.’

Van In stak bevend een sigaret op om de lijkengeur uit zijn neusgaten te verdrijven. Had meneer Deng haar gemarteld of was hij haar te hulp gekomen en daarom doodgeschoten? Hij kon zich niet herinneren dat hij in zijn carrière ooit met zulke gruwel was geconfronteerd. Wat was er toch mis met die Chinezen? Het meisje was amper eenentwintig. Wat kon zij verkeerd gedaan hebben? Van In werd overspoeld door een eindeloze resem vragen waarop hij geen antwoord wist. Waarom hadden ze haar verdomme gemarteld? Wat had Deng hiermee te maken? Welke rol had Yang Yunxiang in dit perverse drama?

‘Ik heb Beekman op de hoogte gebracht’, zei Versavel. ‘Hij komt zelf ook.’

‘Had ik het niet gedacht’, sakkerde Van In.

Als Beekman zich persoonlijk met de zaak bemoeide, lichtte een van zijn medewerkers de pers in. Niemand wilde dat toegeven, maar iedereen wist het. Straks zou de hel losbreken.

De hel brak los. Twintig agenten hadden de grootste moeite om de pers op een afstand te houden. Fotografen probeerden een glimp van het drama vast te leggen met enorme telelenzen. Journalisten klampten iedereen aan die ze konden vinden. Een cameraploeg van de regionale televisie maakte zich klaar voor een interview met de vrouw van Gusten, die haar halsdoek voor de gelegenheid had afgelegd. Hannelore, die ondertussen ook was gearriveerd, hield zich noodgedwongen afzijdig. Van In had haar ten strengste verboden de garage binnen te gaan.

‘De moordenaar is behoorlijk beestig tekeergegaan’, zei Zlotkrychbrto, die beide slachtoffers had onderzocht. ‘Het meisje heeft de helft van haar tong afgebeten.’

Van In probeerde de walging te onderdrukken die zijn strot dreigde dicht te knijpen. Flitsen uit een oude documentaire over folterpraktijken in Chili schoten door zijn hoofd. Schokkende lichamen op een bed van staaldraad.

‘Dit kan niet ongestraft blijven’, siste hij.

‘Je hebt gelijk’, zei Beekman.

Hij dacht meer aan zijn reputatie dan aan het slachtoffer. Brugge was een rustige stad waar zelden iets gebeurde. Een moord als deze zou de wereld rondgaan. De minister zou hem met argusogen in de gaten houden.

‘Ik heb mankracht nodig’, zei Van In.

‘Ik zorg ervoor dat je krijgt wat je vraagt.’

Een journalist van de openbare omroep nam de procureur even terzijde. Ze kenden elkaar. Ze waren allebei logebroeders. Ondertussen deden de mensen van de technische recherche hun werk. Klaas Vermeulen coördineerde het onderzoek zoals een dirigent een orkest leidde. Meer konden ze voorlopig niet doen.

Louise Demeester kreeg het even koud toen ze het nieuws op de radio hoorde. Ze hadden haar dus toch te pakken gekregen. Ze huiverde. Het slachtoffer werd vooraf gemarteld met elektrische schokken. De woorden van de nieuwslezer bleven door haar hoofd spoken. Ze pakte haar mobieltje en belde Bombé.

‘Heb je het nieuws gehoord?’

‘Natuurlijk heb ik het nieuws gehoord. Ik ben er ziek van.’

‘Je moet me helpen, man. Of besef je niet dat mijn leven in gevaar is?’

‘Waarom zou ik je helpen?’ klonk het geprikkeld.

Louise klemde haar kaken op elkaar. Wat haatte ze die kerel, maar ze had geen keus. Hij was de enige die haar nu kon helpen.

‘Omdat je even diep in de stront zit als ik’, siste ze. ‘Waar denk je dat die vijftigduizend euro die ik je gegeven heb om sms’jes te kopen vandaan komt? Van sinterklaas?’

Bombé bracht zijn hand naar zijn mond.

‘O jee.’

‘Eindelijk’, zuchtte Louise. ‘Je hebt het eindelijk door.’

‘Wat kan ik voor je doen? Zal ik je komen ophalen?’

Louise dacht even na voor ze de vraag beantwoordde. Bombé beschikte over een uitgebreid netwerk van relaties en hij stond bij haar in het krijt, maar was hij wel te vertrouwen? Het geld zou ze nooit meer terugzien, maar hij wist natuurlijk niets af van de bankcheque waarmee Cosyns haar verlies gecompenseerd had. Als het contract over een paar dagen ondertekend werd, zouden ze haar met rust laten.

‘Kom dan zo snel mogelijk’, zei ze.

‘Tot straks.’

‘Tot straks.’

Ze drukte op het rode hoorntje, liep naar de slaapkamer en haalde een koffer van onder het bed. Ze kon natuurlijk niet alles meenemen. Zes lingeriesetjes volstonden. De rest kon ze later kopen. Haar hele lichaam trilde. Het koude zweet brak haar uit. Ze moest even gaan zitten. Water. Ze sleepte zich naar de keuken, haalde een fles mineraalwater uit de koelkast en dronk als een bezetene. Het water stroomde langs haar kin op haar borst. Hij had gelijk. Ze moest kalm blijven. Ze ging op de toppen van haar tenen staan en haalde vijf keer na elkaar diep adem. Het hielp. Ze liep weer naar de slaapkamer en vulde de koffer met kleren. Hoeveel geld heb ik nog, dacht ze. In haar portemonnee zaten twee briefjes van vijftig, drie van tien en wat kleingeld. Gelukkig beschikte ze over een noodfonds. In de onderste lade van haar kast bewaarde ze een kartonnen doosje. Als ze zich niet vergiste zat er tweeduizend euro in. Ze trok de lade open, pakte het doosje en telde het geld. Het klopte. Wat had ze nog nodig? Identiteitskaart. Ze kieperde haar handtas uit boven de keukentafel. Er viel een bont allegaartje uit. Tampons, een nagelknipper, zakdoekjes, make-up, een spiegeltje, munten, een verfomfaaide brief en sleutels. Geen identiteitskaart. Ze werd er bijna radeloos van. Zonder identiteitskaart ben ik ten dode opgeschreven, dacht ze. Blijf rustig, zou Bombé zeggen. Rustig. Wie bleef er nu rustig als de wereld aan het vergaan was? Ze liep terug naar de slaapkamer en begon de laden van haar kast leeg te maken terwijl ze zich probeerde te herinneren wanneer ze haar identiteitskaart voor het laatst gezien had. Verdomme, daar is hij al, vloekte ze toen er werd aangebeld. Bombé bekeek haar met een zorgelijke blik.

‘Ik vind mijn identiteitskaart niet’, snauwde ze toen hij vroeg wat er scheelde.

Hij glimlachte en legde zijn hand op haar schouder.

‘Ik denk niet dat je die hier zult vinden’, zei hij.

‘Hoe kun jij dat weten?’

‘Omdat je identiteitskaart in je dossier zit, samen met je inschrijvingsformulier.’

Als ze op tournee waren en in hotels logeerden, verzamelde Bombé de identiteitskaarten van de meisjes. Zo hoefden ze zich niets aan te trekken van de hele administratieve poespas.

‘Je bent gewoon vergeten die te komen ophalen’, grijnsde Bombé.

De emotie werd haar plotseling te veel. Ze barstte in tranen uit en sloeg haar armen om zijn schouders. Hij drukte haar stevig tegen zich aan.

‘Rustig maar, meid. Frederik laat je niet in de steek.’

In gedachten zag hij haar reeds naast hem in bed liggen.

De huiskamer was karig gemeubileerd. Er stonden twee wrakkige fauteuils, een tafel met metalen poten, vier stoelen met groezelige kussentjes en een televisietoestel zonder afstandsbediening.

‘Mag ik roken?’ vroeg Van In, die zich niet kon voorstellen dat er in een dergelijke ruimte niet mocht worden gerookt.

De vrouw met de halsdoek knikte. Gusten, haar man, had destijds ook gerookt. Ze was de stank gewend. Van In liet haar een aantal foto’s zien van meneer Deng en van Kira Konings. De vrouw zette haar bril op en bekeek ze een voor een. Gusten keek over haar schouder mee.

‘Haar heb ik niet gezien.’ Ze wees een foto van Kira aan.

‘Maar u hebt gezien dat er een vrouw in de wagen zat?’

Ze bekeek de foto’s opnieuw.

‘Ze leek meer op die man’, zei ze na een poosje.

‘Een Chinese?’

Ze knikte niet erg overtuigd, terwijl ze het beeld van de voorbijrijdende wagen uit haar geheugen probeerde op te diepen.

‘Misschien’, zei ze aarzelend. ‘Het ging allemaal zo vlug.’

‘U hoeft zich niet te verontschuldigen, mevrouw. We laten de foto’s in ieder geval hier. Wie weet valt er u toch iets te binnen als u ze nog eens bekijkt.’

De drukte om het huis van meneer Deng was behoorlijk afgenomen toen ze weer buiten waren. Hannelore zat in de auto op hen te wachten.

‘Is Beekman er nog?’ vroeg Van In.

‘De laatste cameraploeg is een kwartier geleden vertrokken’, zei ze.

‘Dan weet ik genoeg.’

Hij stak een sigaret op. Het was allemaal begonnen met een schijnbaar banale aanranding in het park. De vermoedelijke dader, een jonge Chinees, had later zelfmoord gepleegd. En nu dit.

Op het moment dat Johan Cosyns op het punt stond een megacontract te sluiten met een Chinees bedrijf. Wat was het verband tussen Kira Konings en de gebeurtenissen die zich de voorbije dagen hadden afgespeeld? Als hij een antwoord op die vraag vond, was de zaak zo goed als zeker rond. Maar wat had een schoonheidskoningin in godsnaam met containervervoer te maken? Hij slenterde samen met Versavel en Hannelore naar het gruwelhuis, waar de mensen van de technische recherche nog steeds bezig waren.

‘En?’ vroeg Van In.

Klaas Vermeulen zat op zijn hurken in de garage. Een van zijn medewerkers nam foto’s van de vloer.

‘Ik denk dat we een voetafdruk hebben’, zei Vermeulen.

Hij liet het licht van zijn zaklamp schuin op de vloer invallen.

‘Kijk maar.’

Van In ging onhandig door de knieën en zocht steun met zijn hand om te vermijden dat hij zijn evenwicht verloor.

‘Ik zie niets.’

‘Ik wel.’

Vermeulen haalde een rolmeter uit zijn borstzak en mat de afdruk op.

‘Maat achtendertig’, zei hij redelijk zelfverzekerd.

‘Een vrouw dus.’

‘Dat lijkt me aannemelijk.’

‘Kira Konings?’

Vermeulen schudde het hoofd.

‘Het slachtoffer heeft maat negenendertig.’

De vrouw van Deng had verklaard dat haar man iemand had opgehaald aan het station. Van In was er automatisch van uitgegaan dat het een man was, maar het had ook een vrouw kunnen zijn, een Chinese vrouw. De buurvrouw had immers net verklaard dat de vrouw in de auto waarschijnlijk een Chinese was.

‘Kan het een oude afdruk zijn?’

‘Dat denk ik niet.’

‘Dank u, Klaas.’

Vermeulen keek verbaasd op. Van In had hem nog nooit met zijn voornaam aangesproken en het was jaren geleden dat hij nog eens ‘dank u’ had gezegd.

‘Ik kan moeilijk geloven dat een vrouw tot zoiets in staat is’, zei Hannelore toen ze weer buiten stonden.

‘Ik ook niet, maar het is voor het ogenblik de enige aanwijzing waarover we beschikken.’

‘Dan kunnen we beter een opsporingsbericht laten verspreiden’, zei ze.

‘Is dat wel verstandig?’

Ze keken allebei naar Versavel, die bedachtzaam aan zijn snor stond te pulken.

‘Deng heeft de vrouw opgehaald aan het station. Ze woont dus niet in de buurt.’

‘Of ze kwam van de luchthaven’, zei Hannelore, die begreep waar Versavel naartoe wilde. ‘In dat geval is de vogel allang gevlogen.’

‘Er is natuurlijk nog een kleine kans dat ze in het land verblijft’, zei Versavel. ‘En dan vind ik het stom om een vaag opsporingsbericht te verspreiden. Als de vrouw weet dat ze gezocht wordt, verdwijnt ze gegarandeerd.’

‘Dank je, Guido, dat je me een hart onder de riem steekt. Als ik jou mag geloven kunnen we het beter opgeven.’

‘Pieter geeft nooit op’, steigerde Hannelore.

‘Natuurlijk niet’, glimlachte Versavel. ‘Als Van In niet naar de berg gaat, komt de berg naar Van In.’

Journalisten beschikken vaak over waardevolle bronnen. Jo De Ryck had in de loop van zijn carrière een netwerk opgebouwd van mensen op wie hij steeds een beroep kon doen. Hij had informanten bij de politie en in politieke en financiële kringen. Hij raadpleegde hen meestal over vrij banale feiten, maar af en toe confronteerde hij hen ook met een delicate kwestie. Dit keer ging het om een uiterst delicate kwestie. Daarom had hij een rustig tafeltje gereserveerd in een chic restaurant en toen de kelner de bestelling kwam opnemen, koos hij een dure fles wijn.

‘En hoe gaat het met de kinderen?’ vroeg hij aan de man die tegenover hem zat.

‘Jeroen heeft net het voorlaatste jaar van de middelbare school afgemaakt.’

‘En Elke?’

‘Elke is geslaagd voor het toelatingsexamen tandarts’, antwoordde de man met gepaste trots.

‘Dat is fijn’, glimlachte De Ryck.

Hij vroeg niet hoe het met de vrouw van de man ging. Hij wist dat hun relatie uitgeblust was en het was nu het moment niet om het gesprek een sombere wending te geven. Het was de bedoeling dat zijn informant zich prettig in zijn vel voelde en veel wijn dronk.

‘Waar ben jij eigenlijk mee bezig?’ vroeg de man.

De Ryck boog zich naar voren en liet zijn stem zakken tot een schor gefluister.

‘Ik mag een belangrijke zaak onderzoeken, maar daarover vertel ik je straks meer.’

Hij vertelde een paar anekdotes om de tijd te rekken. Ondertussen liet hij nog een fles wijn aanrukken, een krachtige Montepulciano. De Ryck zorgde ervoor dat het glas van zijn informant op tijd werd bijgevuld. Zelf dronk hij zo weinig mogelijk. Ze namen ganzenlever als voorgerecht, gevolgd door een tournedos van het huis. Bij de koffie dronken ze cognac.

‘Ik onderzoek een fraudezaak’, zei hij. ‘En daarom heb ik jouw hulp nodig.’

De informant trok zijn wenkbrauwen op. Hij werkte bij een grote bank. Het woord fraude gaf hem een naar gevoel.

‘Je weet toch dat ik gebonden ben aan het bankgeheim’, zei hij.

‘Het gaat om een detail.’

‘Wat noem jij een detail?’

‘Mijn baas heeft er wel iets voor over’, zei De Ryck. ‘Studerende kinderen kosten handen vol geld. Als je begrijpt wat ik bedoel.’

De informant sloeg zijn hand voor zijn mond en onderdrukte een geeuw. De wijn had hem loom gemaakt.

‘Natuurlijk begrijp ik wat je bedoelt. Je wilt me omkopen.’

‘Sst.’

De informant sprak met een dubbele tong. Nog meer drinken zou niets meer uithalen. Het was nu of nooit.

‘Ik wil een overzicht van de rekening van Frederik Bombé en van de bedragen die de finalistes van de missverkiezing de voorbije maanden op die rekening hebben overgeschreven. De grote bedragen.’

‘Wat bedoel je met grote bedragen?’

‘Vijfduizend euro en meer.’

De informant walste de cognac in zijn glas. Zijn baas was corrupt en de baas van zijn baas was dat waarschijnlijk ook. Hij was maar een kleine garnaal. Als ze hem betrapten, stuurden ze hem onverbiddelijk de laan uit. Aan de andere kant kon hij best een extraatje gebruiken.

‘Ik zeg niet dat ik het ga doen’, zei hij. ‘Ik ben alleen benieuwd hoeveel dergelijke informatie waard is.’

‘Laten we nog iets drinken’, stelde De Ryck voor. ‘Oké.’

De kelner was er als de kippen bij. Hij glimlachte beleefd, hoewel het al behoorlijk laat was.

‘Een etentje voor twee kost hier algauw tweehonderdvijftig euro’, zei de informant. ‘Vermenigvuldig dat bedrag met tien en ik ben je man.’

De Ryck verpinkte niet. Tweeduizend vijfhonderd euro was meer dan hij had verwacht en veel meer dan hij kon betalen. De hoofdredacteur zou hem kielhalen als hij de rekening gepresenteerd kreeg.

‘Ik kan je niet meer dan duizend bieden’, zei hij.

‘Maak er vijftienhonderd van.’

‘Twaalfhonderdvijftig. Meer kan ik echt niet aanbieden.’

Het klonk als een smeekbede. De informant had door dat het te nemen of te laten was. Twaalfhonderdvijftig of niets. De wijn miste zijn effect niet.

‘Vooruit dan maar’, lispelde hij.

De Ryck hief het glas en nam een slokje. Hij hield niet echt van cognac, maar het smaakte. Winnen smaakte altijd goed.

Johan Cosyns legde de afstandsbediening van de televisie op het nachtkastje, keek even naar zijn vrouw, die een halfuur geleden in slaap was gevallen en deed het licht uit. Wat was er in godsnaam aan de hand? Het verslag over de moorden in Zeebrugge had hem diep geschokt. Het meisje dat ze net hadden laten zien, leek verdacht veel op het meisje dat hem chanteerde. Zaken waren zaken, maar hij wilde niets te maken hebben met moord. Wat moest hij doen? De politie bellen en alles eerlijk opbiechten? Wat zou dat opleveren? Hij ging op zijn zij liggen, maar hij kon de slaap niet vatten. De foto van het vermoorde meisje bleef hem achtervolgen. Wat had meneer Wulong Zhang eigenlijk te verbergen? Welke schande probeerde hij uit te wissen met bloed? Cosyns sloop zachtjes uit zijn bed en liep op de toppen van zijn tenen naar beneden. De tafel was nog niet afgeruimd. Hij schonk zich een glas wijn in en stak een dun sigaartje op om de onrust te verdrijven die hem belette te slapen. Het contract was zo goed als rond. Er mocht niets meer mislopen. Toch kon hij een moord niet zomaar onder tafel schuiven. Hij vulde zijn glas bij. De alcohol deed zijn werk. De onrust ebde langzaam weg. Het derde glas bezorgde hem een licht euforisch gevoel en ontlokte hem de gedachte dat je geen omelet kunt maken zonder eieren te breken.

‘Johan.’

Hij herkende de stem van zijn vrouw, dus riep hij: ‘Ja’.

‘Wat doe je beneden?’

‘Iets drinken’, riep hij terug. ‘Ik kom dadelijk.’

Hij dronk zijn wijn op en slofte door de woonkamer naar de trap, in het vaste voornemen iets te ondernemen. Er mochten geen doden meer vallen. Geen enkel contract was nog een mensenleven waard.





11


Het gebeurde zelden dat iemand Van In een brief stuurde. Toch niet op dit adres. Wie deed zoiets? Een stalker misschien. Een stille bewonderaarster. Of was het een dreigbrief? Zijn nieuwsgierigheid was in ieder geval gewekt. Hij bekeek de envelop die Saskia hem net had aangereikt. Geen logo. De brief was gericht aan Commissaris Van In, Louis Coiseaukaai, 8000 Brugge. Hij draaide hem om. Geen afzender. Hij sneed de envelop open met de achterkant van een theelepeltje. De brief was niet gedateerd en er stond geen naam onder. Dat zag hij in een oogopslag.

Geachte commissaris Van In,

Ik schrijf u anoniem. Ik hoop dat u daar begrip voor hebt en dat u mij serieus neemt. Het gaat over Louise Demeester, die u wellicht kent. Ze is een paar dagen geleden eredame geworden bij de verkiezing van Miss Flanders 2009. Ik heb zwaarwichtige redenen om aan te nemen dat haar leven gevaar is. Daarom wil ik u nadrukkelijk verzoeken haar te beschermen. Als alles goed gaat kan ik u in de nabije toekomst meer uitleg verschaffen. Het enige wat ik u nu kan zeggen is dat de moord op Kira Konings een vergissing was, een tragisch geval van persoonsverwisseling. Gelooft u mij, commissaris. Alles draait om Louise Demeester.

Met de meeste hoogachting.

Van In las de brief twee keer voor hij hem aan Versavel gaf. De envelop was afgestempeld in Brugge. De brief was niet met een printer afgedrukt. Hij was getypt, net als de envelop. De auteur was ouderwets of hij was bijzonder goed op de hoogte van de meest recente ontwikkelingen op het gebied van sporenonderzoek. Een printer kon immers getraceerd worden aan de hand van een elektronisch spoor dat elk apparaat uniek maakte. Het was een tijdrovende klus, maar het was mogelijk.

‘Wat denk je ervan?’

‘Ik denk niet dat we met een grappenmaker te doen hebben’, zei Versavel.

‘Ik ook niet. Anders zou hij niet schrijven dat hij bereid is om in de nabije toekomst meer uitleg te verschaffen.’

‘Aan zijn stijl te oordelen heeft hij gestudeerd.’

‘Dan kunnen we Bombé onmiddellijk elimineren’, glimlachte Van In.

‘Een journalist?’

‘Hij schrijft in ieder geval helder.’

‘Wat zou hij bedoelen met “alles draait om Louise Demeester”?’

‘Geen idee.’

‘Wat ben je van plan?’

‘Ik ben geneigd om te doen wat hij vraagt.’

‘Of zij?’

‘Of zij’, gaf Van In schoorvoetend toe.

Hij haalde een papieren zak uit de onderste bureaulade en liet de brief en de envelop erin glijden. Het was onwaarschijnlijk dat de envelop en de brief bruikbare vingersporen opleverden, maar hij kon zich niet veroorloven de brief niet naar het lab te sturen.

‘Zal ik het adres van Louise Demeester natrekken?’

‘We kunnen evengoed Bombé bellen’, zei Van In.

Het parkeerterrein aan de jachthaven van Blankenberge stond aardig vol. De zon scheen en dat trok volk aan. Bombé parkeerde zijn wagen tussen een bestelwagen en een bmw x5. Een man met rubberlaarzen en een zeemanstrui keek hem met vraagtekens in de ogen aan. In normale omstandigheden streelde het zijn ego dat iemand hem herkende, nu keek hij de andere kant op en haastte zich naar de uitgang. Louise tippelde hem achterna met haar wielkoffer die ongelooflijk veel lawaai maakte. Ze liepen langs de kaai naar de Franchommelaan, waar de terrasjes druk bevolkt waren. In Blankenberge waren ze mensen met koffers gewoon. De meeste appartementen dienden er als tweede verblijf. Vreemdelingen vielen niet op, zelfs als ze min of meer bekend waren. Het appartement dat Bombé van een vriend had geleend, bevond zich boven een makelaarskantoor. Ze namen de lift naar de achtste verdieping.

‘Hier vind niemand je’, zei Bombé.

Louise knikte schuw. Het krantenbericht over de moord op Kira liet haar niet los. Ze voelde zich tien jaar ouder. Wat begonnen was als een spannend avontuur, dreigde als een nachtmerrie af te lopen.

‘Probeer zo weinig mogelijk buiten te komen. De diepvriezer zit vol eten en er is genoeg te drinken.’

Hij deed de voordeur open en liet haar binnen. Het appartement was smaakvol gemeubileerd en je had een prachtig uitzicht op de haven en op de polder. Het liet Louise behoorlijk onverschillig. Ze liet het handvat van haar koffer uit haar hand glijden en liep naar de bank die bij het raam stond. Het was allemaal haar schuld. Eigenlijk verdiende ze het om te sterven. Ze was niet bang om te sterven, ze kon alleen geen pijn verdragen.

‘Ik kom je over een paar dagen opzoeken’, zei Bombé. ‘Wie weet heb ik dan meer nieuws.’

Ze reageerde met een zure glimlach. Het was zijn idee geweest om Cosyns te chanteren en hij had haar het vuile werk laten opknappen. Nu zat zij met de gebakken peren. Bombé was niets meer dan een ordinaire vrouwenversierder en een dikke profiteur. Ze had zich laten inpakken als een naïef schoolmeisje. Ze had moeten weten dat Kira zijn favoriet zou blijven.

‘Ik red me wel.’

Ze liet zich tegen haar zin zoenen. Zijn hand gleed achteloos over haar billen, maar daar bleef het gelukkig bij.

‘Hallo.’

Bombé bleef staan ter hoogte van de jachtclub en hield zijn hand tegen het mondstuk van zijn mobieltje.

‘U spreekt met Guido Versavel. Lokale opsporingsdienst Brugge. Kunt u mij het telefoonnummer en het adres van Louise Demeester doorgeven alstublieft?’

‘Het adres van Louise’, stamelde Bombé.

Waarom hadden de flikken het adres van Louise nodig?

‘Ik ben op dit ogenblik niet thuis’, zei Bombé. ‘Kan ik u later terugbellen.’

‘Het is dringend.’

‘Momentje. De lijst met adressen ligt in mijn wagen.’

Bombé kende haar adres, hij had haar thuis opgehaald, maar hij was bang dat de flik argwaan zou koesteren als hij het uit zijn blote hoofd zou zeggen.

‘Staat uw wagen ver bij u vandaan?’

‘Nee, ik loop er nu naartoe.’

‘Dan wacht ik wel even’, zei Versavel.

Hij hoorde aan Bombés ademhaling dat hij zich haastte. Het portier klikte open. Geritsel van papier.

‘Ze woont op kamers in Gent’, zei Bombé.

Hij gaf het adres en het telefoonnummer door. De flik zei ‘dank u’ en hing op. Bombé reageerde vliegensvlug. Hij belde Louise op en vertelde haar wat er aan de hand was en liet haar beloven dat ze de telefoon onder geen beding zou opnemen.

‘Het is voor je eigen veiligheid, meid.’

Bombé probeerde lief te klinken, hoewel hij de situatie erg vervelend vond. Hij had zich nooit met haar mogen inlaten en haar nooit mogen beloven dat ze kans maakte Miss Flanders 2009 te worden als ze extra fondsen kon verzamelen. Wie had ooit kunnen vermoeden dat de Chinezen op die manier wraak zouden nemen?

Het huis aan de Hundelgemsesteenweg was onderverdeeld in tien kleine studio’s. Er woonden uitsluitend studenten. Louise gaf niet thuis, maar na vier keer aanbellen vonden ze eindelijk iemand bereid om hen binnen te laten. Een meisje met lang ros krulhaar, in een slobberbroek en een veel te kort T-shirt kwam opendoen. Ze keek hen verbaasd aan.

‘We zijn op zoek naar Louise’, zei Van In. ‘Het is dringend.’

‘Jullie zijn blijkbaar niet de enigen.’

Van In probeerde vriendelijk te glimlachen en vroeg of ze even mochten binnenkomen. Dat ze niet de enigen waren die op zoek waren naar Louise, verontrustte hem. Het meisje leidde hen naar de gemeenschappelijke keuken, waar een tafel en een achttal stoelen stonden.

‘Ik dacht eerst dat het een studente was’, zei het meisje toen Van In haar vroeg wie er vanochtend naar Louise had geïnformeerd.

‘Een jonge vrouw dus.’

‘Het bleek dat ze Louise had leren kennen toen ze in Shanghai verbleef.’

‘Shanghai?’

‘Louise studeert sinologie, moet u weten.’

Van In wist niet goed meer wat te zeggen. Sinologie. Waarom nam een meisje dat sinologie studeerde deel aan een idiote schoonheidswedstrijd?

‘Kun je die jonge vrouw ook beschrijven?’

‘Het was ook een Chinese’, lachte het meisje. ‘Groot, slank en gespierd. Ik schat haar een jaar of vijfentwintig, hoewel je dat van een Aziatische moeilijk met zekerheid kunt zeggen.’

De anonieme briefschrijver had gelijk. Het leven van Louise was in gevaar. Als de Chinese een huurmoordenaar was, kende ze haar vak. Ze had Louise sneller weten op te sporen dan zij. Het rosse meisje leek te vertrouwen, dus vertelde hij in een paar woorden wat er op het spel stond. Ze schrok zichtbaar.

‘Kun je haar dan niet bellen?’ zei ze een beetje verwijtend.

‘Dat hebben we gedaan. Ze neemt niet op.’

‘Oh my God.’

‘Wat scheelt er?’

‘Louise is gisteravond vertrokken met een man’, zei ze.

‘Een Chinees?’

‘Nee, een blanke. Een dikke kaalkop in een maatpak.’

‘Bombé.’

‘Wat zeg je?’ vroeg het meisje.

‘Laat maar’, zei Van In. ‘Je bent in ieder geval bedankt.’

‘Zal ik hem bellen?’ vroeg Versavel toen ze weer buiten stonden.

‘Nee’, zei Van In. ‘Ik wil zijn gezicht zien als we het hem vertellen.’

Ze stapten in de auto en reden weg. Een witte bestelwagen die al sinds vanochtend voor het studentenhuis stond geparkeerd, kwam in beweging en volgde de politiewagen op een veilige afstand.

Anders dan zijn levenswijze deed vermoeden, woonde Bombé in een bescheiden rijhuis. Zijn vrouw was mollig en het was duidelijk dat ze haar kleren niet in dure boetieks kocht. Ze zag er niet erg gelukkig uit, maar ze probeerde toch vriendelijk te zijn. Van In had een beetje medelijden met haar. Vrouwen van boven de veertig die niet meer pasten in het ideaalbeeld van mannen als Bombé werden aan de kant geschoven, waardoor ze zichzelf gingen verwaarlozen.

‘We zouden uw man graag spreken’, zei Van In.

Ze aarzelde, alsof ze bang was dat ze iets verkeerds zou zeggen. Frederik was een uur geleden thuisgekomen en hij had zich zonder een woord te zeggen in zijn kantoor teruggetrokken. Ze wist uit ervaring dat er wat zou zwaaien als ze hem nu stoorde, maar ze kon de Brugse politiecommissaris toch niet wegsturen?

‘Het is dringend.’

Nu reageerde ze wel. Ze zette een stap achteruit en liet hen binnenkomen.

‘Een ogenblikje’, zei ze.

Ze sloop als een schuw dier de trap op terwijl ze zachtjes zijn naam riep. Op de eerste verdieping ging een deur open.

‘Wat is er nu weer?’ hoorden ze Bombé wrevelig uitvallen.

Toen hij de trap afkwam, lag er een brede glimlach op zijn gezicht. Hij stak zijn arm uit en drukte Van In energiek de hand. Nooit laten zien dat je iets te verbergen hebt, het was een van zijn motto’s.

‘Wat kan ik voor u doen, commissaris?’ vroeg hij gemaakt vrolijk.

‘Het gaat over Louise.’

‘Is ze niet thuis dan?’

‘Ik heb geen tijd voor gelul, Bombé. U bent haar gisteren zelf gaan ophalen. Waar is ze?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Ontkent u dat u haar gisteren bent gaan ophalen?’

‘Dat ontken ik zeker niet’, reageerde Bombé hoofdschuddend. ‘Ik weet alleen niet waar ze is.’

‘Waar hebt u haar naartoe gebracht?’

Bombé had voldoende tijd gekregen om een aanvaardbare leugen te bedenken.

‘Ik heb haar een lift gegeven naar het Zuidstation in Brussel. Als ik het goed begrepen heb, wilde ze er een paar dagen tussenuit met een vriendin.’

Hij bekeek Van In met een blik van daar-moet-je-het-maar-mee-doen. Niemand kon hem iets maken. Hij had alle sporen zorgvuldig uitgewist.

‘Weet je waar ze naartoe is?’

‘Dat heeft ze niet gezegd.’

Van In durfde er zijn huis om verwedden dat Bombé loog. Hij beschikte echter over geen enkel wettig middel om hem onder druk te zetten. En dat werkte op zijn zenuwen, want hij kon Bombé niet luchten.

‘Speelt u vaak voor taxi?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Barmhartige mensen zijn tegenwoordig zeldzaam, meneer Bombé. Louise woont in Gent. Als zij naar Brussel wilde, kon ze toch de trein nemen. Daarvoor heeft ze uw diensten niet nodig. Of moet ik me het anders voorstellen?’

Bombé vergewiste zich met een blik dat zijn vrouw niet in de buurt was. Zijn lippen vormden een strakke lijn. Zijn ogen keken boos.

‘Ik hoef uw insinuaties niet te pikken, commissaris.’

‘Nee, maar neem van mij aan dat we u in het oog blijven houden.’

Van In haalde een kaartje uit zijn binnenzak en gaf het hem.

‘U kunt me altijd bellen mocht u van mening veranderen’, zei hij.

Het was gezellig druk in het buffet van het Sint-Pietersstation in Gent. De meeste reizigers waren gehaast. Ze dronken snel een kop koffie voor ze naar het perron gingen of ze bladerden in de krant. Anderen, die langer op de trein moesten wachten, genoten van een trappist of ze namen een snack. Het was een ideale plek voor iemand die niet wilde opvallen. Jo De Ryck zat dicht bij de deur, vanwaar hij alles in het oog kon houden. Zijn tipgever kwam vijf minuten later dan ze hadden afgesproken.

‘Ze hebben me bijna betrapt’, zei hij zenuwachtig.

Hij ging zitten en haalde een envelop uit zijn aktetas. De Ryck stak zijn hand op vroeg wat hij wilde drinken.

‘Het voornaamste is dat ze je niet betrapt hebben’, zei hij minzaam.

‘Je moet me dit soort dingen nooit meer vragen.’

‘Niemand komt er ooit achter dat je dit voor mij hebt gedaan’, suste De Ryck.

Hij stak de envelop in zijn binnenzak en nipte van zijn wijn.

‘Het hoogste bedrag was afkomstig van ene Cynthia Brouwers’, zei de tipgever. ‘Haar bijdrage torent boven alle andere uit. Daarna komt Louise Demeester. Kira Konings staat op de achtste plaats. Je kunt het allemaal nalezen op de afschriften.’

‘Dan had Cynthia Brouwers de missverkiezing moeten winnen.’

‘Normaal wel.’

‘Tiens’, zei De Ryck.

Hij had al jaren een vermoeden dat Bombé sjoemelde met de televoting. De kopieën van de bankafschriften waren het bewijs dat hij gelijk had, maar er was iets dat nog veel belangrijker was. Waarom had Kira Konings, die veel minder geld had ingezameld, de verkiezing gewonnen? En had haar overwinning iets te maken met het feit dat ze een dag later op een beestachtige manier was vermoord? Bestond er een verband tussen de moord en het feit dat ze door een Chinees was aangerand in het park? Het was allemaal een beetje verwarrend. Misschien kon hij beter Bombé een bezoekje brengen en hem met zijn bevindingen confronteren.

‘Je bent in ieder geval bedankt.’

De tipgever knikte.

‘Ik heb nog iets van jou te goed’, fluisterde hij.

De Ryck haalde een witte envelop uit zijn andere binnenzak en schoof hem over tafel door. De tipgever scheurde hem open, controleerde de inhoud in een oogopslag, maar hij telde het geld niet.

De lucht was grijs. Meeuwen zeilden voorbij langs het raam. Louise deed de televisie uit en keek naar buiten, naar de ranke zeiljachten die op het water dobberden. Hier zat ze dan, opgesloten en afgesloten van de buitenwereld omdat Bombé haar had verboden haar mobieltje aan te zetten. Het is een klein kunstje om je op die manier op te sporen, had hij gezegd. Eerst had ze hem geloofd, maar nu begon ze te twijfelen. Ze ijsbeerde door de kamer, bladerde in een oud tijdschrift en nam ten slotte een douche om de tijd te doden. Toen ze weer in de woonkamer was, waren er amper twintig minuten verstreken. Ze slaakte een diepe zucht en liet zich op de bank neerploffen. Kon ze maar slapen. Ze had de voorbije nacht geen oog dichtgedaan. Telkens als ze op het punt stond in slaap te vallen had een vreemd geluid haar doen opschrikken. Ze had wel vijf keer de brandtrap gecontroleerd en evenveel keren door het spionnetje in de voordeur gegluurd om te zien of er iemand voor de deur stond. Ze wist bijna zeker dat ze haar zouden vinden en vermoorden. Waarom nog langer lijden? Ze trok haar jas aan en liep naar de voordeur. Ze bedacht zich op het laatste moment. Onrust knaagde aan haar maag tot het pijn begon te doen en ze kon niet tegen pijn. Ze was op een nacht ooit eens naar het ziekenhuis gereden omdat ze haar vinger had verbrand aan een sigaret. Ze mocht er niet aan denken wat ze haar zouden aandoen als ze haar vonden. De pijn in haar maag werd met de minuut heviger. Ze werd er misselijk van. Ze haalde het medicijnkastje in de badkamer overhoop, maar vond geen pijnstillers. Er waren ondertussen weer twaalf minuten voorbij. In de barkast stond een nog een halfvolle fles whisky. Ze schonk een glas vol en dronk het in één keer op. Het tweede glas deed haar de das om. Ze viel stomdronken naast de bank en toen werd alles zwart.

Het was bijna vijf uur toen Versavel de wagen parkeerde. Hij was blij dat hij kon uitstappen want Van In had de hele rit zitten roken. Het feit dat hij geen greep kreeg op Bombé zat hem behoorlijk dwars.

‘Ik denk dat ik morgen toch eens die Wulong Zhang aan de tand ga voelen’, zei hij toen ze de trap opliepen.

Versavel wist dat het geen zin had om Van In op andere gedachten te brengen, maar hij probeerde het toch.

‘En dan’, zei hij. ‘Wulong Zhang is een gerespecteerde zakenman. Als hij er iets mee te maken heeft, laat hij het vuile werk door iemand anders opknappen. Vergeet ook niet wat er op het spel staat. Alles wijst op een afrekening.’

‘Een afrekening’, hoonde Van In. ‘Leg mij dan eens uit welke rol er voor Kira Konings was weggelegd?’

‘Als we dat wisten, was de zaak onmiddellijk opgelost, Pieter. We zouden ons beter afvragen welke rol Louise Demeester speelt.’

‘Ze hebben haar misschien als tolk ingehuurd.’

‘Op dat niveau doet men geen beroep op studenten.’

‘Misschien heeft ze iets gehoord wat ze beter niet had gehoord.’

‘Wie weet’, zuchtte Versavel.

Ze namen de lift naar de derde verdieping en liepen de gang door naar kamer 204, waar Saskia hen met een geheimzinnig lachje begroette.

‘Ik heb net goed nieuws gekregen’, zei ze. ‘Van de Belgische ambassade in Beijing. Een van hun medewerkers kende Yang Yunxiang.’

‘De Chinees die zelfmoord pleegde.’

Ze knikte enthousiast.

‘En je raadt het nooit’, zei ze. ‘Hij werkte vroeger voor Wulong Zhang.’

‘Wat is vroeger?’

Saskia schoof Van In een papiertje toe waarop ze alles had genoteerd.

‘Tot in juli van vorig jaar’, zei ze. ‘Heb ik nu een zoen verdiend?’

Ze kwam heupwiegend voor hem staan.

‘je hebt er meer dan één verdiend, meid. Kom hier.’

Hij pakte haar stevig vast en zoende haar twee keer op beide wangen.

Louise hield het niet langer vol. De muren leken op haar af te komen. De grijze lucht maakte haar depressief. Ze stak een sigaret op, ging voor het raam staan en keek naar beneden. Een groepje oudere mensen flaneerde langs de haven. Ze dacht aan Bombé. Waarom had ze hem eigenlijk in vertrouwen genomen? De klootzak. Hij dacht alleen aan zichzelf. Ze was er mooi in getrapt. Gelukkig had ze de cheque nog. Ze liep naar de gang, trok haar jas aan en bestelde de lift. Beneden zette ze haar mobieltje aan. Wie kon ze bellen? Aan wie kon ze haar ellende kwijt? Ze ging een brasserie binnen en ging aan de bar zitten. De kelner, een grote kerel met donkere ogen en kort zwart haar, vroeg wat ze wilde drinken.

‘Geef mij maar een whisky-cola’, zei ze.

Er waren niet veel klanten en Louise was best een mooie meid. Dus waagde de kelner zijn kans.

‘Ben je hier op vakantie?’ vroeg hij.

‘Wat noem jij vakantie?’

De kelner had in de loop van zijn carrière een boel mensenkennis opgedaan. Hij herkende snel een eenzame misnoegde vrouw.

‘Je bent in ieder geval niet van hier’, zei hij.

‘Meneer is waarschijnlijk psycholoog’, merkte ze schamper op.

De reactie liet geen seconde op zich wachten.

‘Nee, ik ben vrijgezel’, zei de kelner.

Ze sloeg haar ogen op. Het was geen onknappe jongen en hij had een zachte, bijna reeachtige blik in zijn ogen.

‘Probeer je me te versieren?’ Ze glimlachte.

Hij keek haar hoopvol aan. Meiden wisten tegenwoordig wat ze wilden. Een directe aanpak had meestal succes.

‘Over een uur zit mijn dienst erop. Zin om iets te gaan drinken?’

Het klonk niet echt als een vraag. Hij wist bijna zeker dat ze ja zou zeggen. Hij overwoog of hij nu al zou zeggen dat hij een eindje verderop een appartement had, maar misschien was het daarvoor nog te vroeg. Hij bekeek haar vanuit zijn ooghoeken. Ze knikte.

‘Hoe heet je?’

‘Tom. En jij?’

‘Louise.’

Het contract werd over een paar dagen ondertekend. Als ze ondertussen bij hem kon onderduiken, hoefde ze geen rekening meer te houden met Bombé. Ze nipte van haar drankje en haalde een sigaret uit haar pakje.

‘Het leven zit vol verrassingen’, zei ze.

‘Gelukkig maar’, lachte Tom.

Er dreef een aangename geur van gebraad door het restaurant. Meneer Wulong Zhang zat alleen aan een tafeltje. Hij was nog bezig met het voorgerecht: carpaccio van sint-jakobsoesters.

‘Stoor ik?’

Wulong Zhang had Van In zien binnenkomen, maar hij had gedaan alsof hij niets had gemerkt. Hij had hem eerder verwacht.

‘Gaat u zitten.’

De Chinees maakte een uitnodigend gebaar, legde zijn bestek neer en veegde zijn dunne lippen schoon met een servet. Zijn gezicht verraadde geen enkele emotie. Van In wierp een blik op zijn gemanicuurde handen. Zakenmensen verscholen zich achter een masker, waardoor het moeilijk was hen te doorgronden. Chinese zakenmensen hadden veel weg van sfinxen. Het enige zachte aan meneer Wulong Zhang waren zijn handen.

‘Ik ben commissaris Van In.’

‘Dat weet ik.’

Wulong Zhang wist ook dat de commissaris strikte orders had gekregen hem niet te verhoren. Het feit dat hij het wel had aangedurfd, strekte hem tot eer. Bovendien had hij niets te vrezen. Hij was onkwetsbaar, het contract was te belangrijk.

‘Ik wil u niet lastigvallen, meneer Wulong Zhang’, zei Van In. ‘En ik kan u niet dwingen om mijn vragen te beantwoorden, maar u zou me een grote dienst bewijzen als u het wel deed. Het gaat om een van uw vroegere medewerkers.’

‘Yang Yunxiang.’

‘Inderdaad.’

‘Ik heb niets meer met die man te maken’, zei Wulong Zhang. ‘Hij werkte al een tijdje niet meer voor ons.’

‘Is hij uit vrije wil opgestapt of hebt u hem ontslagen?’

De vraag klonk een beetje grof, zeker voor een Chinees, maar niets wees erop dat Wulong Zhang dat erg vond. Hij nam zijn vork en prikte er een stukje sint-jakobsoester aan. Van In had zelfs de indruk dat hij glimlachte.

‘Iemand in mijn positie houdt zich daar niet mee bezig, commissaris.’

Hij gaf het niet toe en hij ontkende het niet. Verder aandringen had geen zin. Een beter antwoord zou hij niet krijgen.

‘Hebt u enig idee waarom uw voormalige medewerker in Brugge was?’

‘Waarom zou ik daar enig idee van hebben, commissaris? Ik stel duizenden mensen te werk. Ze komen en ze gaan.’

‘U kende hem dus niet persoonlijk?’

‘Yang Yunxiang was een gewone werknemer.’

De lichte irritatie in zijn stem was veelzeggend. In zijn positie had Wulong Zhang geen contact met gewone werknemers. Van In kon het beter over een andere boeg gooien.

‘Acht u het mogelijk dat hij voor een concurrerend bedrijf werkte?’

‘Als spion?’

‘Dit soort dingen gebeurt nu eenmaal’, zei Van In.

Wulong Zhang knikte. De politie zat op een dood spoor.

Het zag ernaar uit dat de waarheid voor altijd verborgen zou blijven. Zijn medewerkers hadden het contract helemaal uitgevlooid en behalve een aantal detailkwesties leek alles in orde. Als Panda haar opdracht tot een goed einde bracht, stond niets de ondertekening nog in de weg. Daarna zou alles weer worden als vroeger.

‘Mag ik u een glas wijn aanbieden, commissaris?’

Van In wierp een blik op zijn horloge. Het was nog vroeg.

‘Waarom niet?’ zuchtte hij.

Hij had zijn best gedaan. Voor de eerste keer in zijn carrière moest hij toegeven dat hij gefaald had. Er bleven te veel vraagtekens over. Als hij er niet in slaagde Louise of de geheimzinnige briefschrijver op te sporen, zouden alle vragen onbeantwoord blijven. Hatelijk.

Het stuk was af. Jo De Ryck zette zijn bril af en wreef zijn ogen uit. Hij had er lang over nagedacht en had de hoofdredacteur verscheidene keren gebeld terwijl hij ermee bezig was. Hij hield niet van stukken in de voorwaardelijke wijs en hij probeerde woorden ais ‘wellicht’ en ‘anonieme bron’ te vermijden, maar het kon niet anders. Als hij het niet deed, zou de eindredacteur het doen. Het zou immers niet de eerste keer zijn dat Bombé een krant liet vervolgen wegens laster. Hij zette zijn computer uit en slofte naar beneden. Hij had nog twee uur voor de deadline verstreek.

‘Wat ga je nog doen?’ vroeg zijn vrouw toen hij zijn schoenen aantrok.

‘Een frisse neus halen. Ik ben over een uurtje terug.’

Bombé woonde op loopafstand van zijn huis. Misschien konden ze beter nog eens met elkaar praten voor hij het stuk doorstuurde. Het was rustig op straat. De meeste mensen zaten thuis televisie te kijken of ze waren aan het chatten op het internet. Tegenwoordig deden ze niets anders meer. In muffe kamers, zonder nog een oog dicht te doen. Om ziek van te worden. De frisse avondlucht deed hem goed. Hij zette er flink de pas in. ‘Verdomme.’

Hij vloekte binnensmonds toen hij de straat insloeg waar Bombé woonde en hij hem zag wegrijden met zijn vrouw. Hij nam aan dat het zijn vrouw was omdat er een vrouw op de passagiersstoel zat, maar toen hij binnen licht zag branden belde hij toch maar aan. Niemand kwam opendoen. Ook niet toen hij tegen het raam tikte.





12


Van In ging tegen Hannelore aan liggen en liet zijn gehaakte vingers over haar rug glijden. Ze kreunde zachtjes. Nog nagenietend. Seks maakte het leven aangenamer. Een mens werd er rustiger van. Ze hadden het allebei net aan den lijve ondervonden.

‘We moeten dit meer doen’, zei ze.

‘Dat vind ik ook.’

De warmte van haar lichaam deed hem weer knikkebollen. Het leek of de tijd stilstond. Zo had hij zich de eeuwigheid voorgesteld. Het was gelukkig nog donker buiten. Ze hadden nog tijd. Voor één keer was zijn hoofd leeg. Er waren alleen de kamer en Hannelore. En de gloed van haar lichaam.

‘Mamaa, mamaa… waar ben je?’

De scherpe stem van Sarah prikte haar droom door. Hij liep leeg als een ballon en loste op in het halfduister. Ze schrok wakker en schudde Van In bij de schouder. Een blik op de wekker was voldoende. Ze hadden zich verslapen.

‘Mama komt’, riep ze terug.

Ze gooide de donsdeken van zich af, sprong het bed uit en sloeg haastig haar ochtendjas om die naast haar op de grond lag. Van In gromde als een dier dat verstoord werd in zijn winterslaap. Hij probeerde de donsdeken terug te trekken maar zijn armen waren te kort. Ze keek even naar zijn naakte lichaam. Hij lag op zijn zij met opgetrokken benen. Hulpeloos als een kind. Hij had een helse week achter de rug. Daarom liet ze hem liggen.

‘Papa komt zo’, zei ze toen de kinderen vroegen waar hij bleef.

Ondertussen zette ze koffie, knipte een drinkkarton vruchtensap open en haalde de jam en de smeerkaas uit de koelkast. Het echte leven begon weer. Papa verscheen om twintig voor acht aan de ontbijttafel. Hij zag er niet fris uit, maar hij was in een opperbeste stemming, wat ’s ochtends zelden het geval was.

‘Koffie, schat?’

Hij knikte. Zijn pakje sigaretten lag op de kast. Hij liet ze liggen toen hij haar in profiel zag staan, hoewel hij ongelooflijke trek had in een sigaret. Haar welvende buik was het enige verbodsteken dat hij respecteerde.

‘Daar is Guido al’, zei ze toen de voordeurbel ging. ‘Wil jij opendoen?’

Ze was melk over de cornflakes aan het gieten. Van In reageerde vlugger dan gewoonlijk. Ze had gelijk. Seks maakte een mens vitaler.

‘We hebben tijd, Guido. Ook een kop koffie?’

Versavel gaf eerst de kinderen een kus en daarna Hannelore. Hij bekeek haar goedkeurend. Ze zag er niet uit in haar negligé, haar haar zat nog in de war en ze had zich nog niet opgemaakt, maar ze bleef de knapste vrouw die hij kende. Hij pakte een stoel en ging naast Van In zitten.

‘Herinner je je die journalist van Het Nieuwsblad nog?’ vroeg hij.

Van In haalde zijn schouders op. Waarom zou hij zich een journalist herinneren? Een journalist was voor hem synoniem met pita, pain in the ass.

‘Moet ik me die kerel herinneren?’

‘Hij heeft gisteravond de officier met wachtdienst gebeld’, zei Versavel. ‘Hij wilde je spreken.’

‘Waarover?’

‘Dat weet ik niet. Ze hebben je nummer niet doorgegeven.’

Van In nam een slokje koffie en beet een stukje van een beboterde toast met kaas.

‘Zo hoort het ook’, zei hij.

‘Hij heeft een halfuur geleden teruggebeld’, zei Versavel. ‘Het gaat over Bombé.’

Jo De Ryck had de hoofdredacteur gebeld en die had gezegd dat hij beter ter plaatse kon blijven. Je weet maar nooit, had hij eraan toegevoegd. De politiewagen draaide om vijf voor tien de straat in. Hij was blij dat ze er waren, maar aan de andere kant was hij ook een beetje bang dat hij zich belachelijk zou maken. Het feit dat het licht ten huize Bombé nog altijd brandde en dat niemand opendeed als hij aanbelde, bewees niet dat er iets ernstigs aan de hand was.

‘Goedemorgen, commissaris.’

Van In drukte hem de hand. Versavel bleef zoals gewoonlijk op de achtergrond.

‘Hebt u hen al proberen te bellen?’

Het was een stomme vraag, maar met journalisten wist je maar nooit. Hij had het eigenlijk zelf moeten doen voor ze uit Brugge vertrokken. Gelukkig was het antwoord op de vraag positief. De Ryck had Bombé zowel op zijn vaste nummer als op zijn mobieltje proberen te bereiken.

‘Waarom had u hem nodig?’

‘Ik wilde hem een paar cijfers laten zien.’

De Ryck vertelde dat hij erachter was gekomen dat de verkiezing van Miss Flanders 2009 oneerlijk was verlopen, dat Bombé gesjoemeld had met de sms’jes en dat Kira Konings nooit verkozen had mogen worden.

‘Cynthia Brouwers heeft het grootste bedrag op zijn rekening overgeschreven.’

‘En wie het meeste geld inzamelt wordt automatisch Miss Flanders.’

‘Daar zorgt Bombé wel voor.’

‘Dan was Kira Konings de tweede’, zei Van In.

‘Nee. Dat was Louise Demeester. Kira was achtste.’

‘Tiens.’

Van In stak een sigaret op. De anonieme briefschrijver had gelijk. Alles draaide om Louise Demeester, het meisje dat nu spoorloos verdwenen was. Het werd nu ook stilaan duidelijk dat de moordenaar zich had vergist.

‘Er is nog iets’, zei De Ryck. ‘Louise Demeester heeft haar laatste en omvangrijkste bijdrage pas vorige week overgemaakt. Vijftigduizend euro.’

‘Dat kan inderdaad tellen.’

Van In nam een trek van zijn sigaret. Hij had niet veel zin om de hulp van de lokale politie in te roepen. Hij hield nu eenmaal niet van pottenkijkers. Op eigen houtje een slotenmaker vorderen zonder huiszoekingsbevel was riskant en onverstandig, omdat het bewijsmateriaal dat hij op die manier verkreeg waardeloos was. Hij bekeek de huizenrij. Ze deed hem een beetje denken aan de straat waarin zijn grootmoeder vroeger woonde. Alle huizen leken op elkaar.

‘Misschien kunnen de buren ons helpen’, zei hij.

Ze staken de straat over en belden aan bij een van de buren. Een norse man van een jaar of vijfenveertig met een hoog voorhoofd en een versleten spijkerbroek kwam geeuwend opendoen. Hij was duidelijk nog niet lang op.

‘We zijn van de politie’, zei Van In. ‘Maar u hoeft zich geen zorgen te maken. We willen alleen maar een inlichting’, voegde hij er met een geforceerde glimlach aan toe.

De man bekeek hen achterdochtig. Je moest geen mensenkenner zijn om te zien dat hij niet veel ophad met de politie.

‘Ik neem aan dat u een tuin hebt?’ zei Van In.

De achterdocht op zijn gezicht veranderde in verbazing. Wat moest die flik in hemelsnaam over zijn tuin weten.

‘Bent u echt van de politie?’

Van In legitimeerde zich. De man bekeek de kaart, maar hij zei niets. Hij kon toch niet lezen zonder bril.

‘Wat moet u over mijn tuin weten?’ vroeg hij.

‘Ik wil hem zien. Mogen we even binnenkomen?’

De man maakte geen bezwaar. Hij had nog een paar onbetaalde boetes en was al blij dat ze niet daarvoor kwamen.

De tuin was verwilderd. Het gras stond enkelhoog en de struiken hadden dringend een snoeibeurt nodig. En het stonk er naar rottende vegetatie. Een bakstenen muur scheidde de tuin van die van Bombé.

‘Hebt u een ladder?’

De man vroeg niet waarom Van In een ladder nodig had. Hij slofte naar een bouwvallig schuurtje achter in de tuin en kwam terug met een houten ladder waarvan de tweede sport stuk was.

‘Wat ga je doen?’ vroeg Versavel toen Van In de ladder tegen de muur zette.

‘Een kijkje hiernaast nemen, natuurlijk.’

‘Is dat wel verstandig?’

Van In had last van hoogtevrees en erg lenig was hij niet. Als hem iets overkwam zou Hannelore hem de schuld geven, dus duwde Versavel zijn vriend kordaat opzij en beklom zelf de ladder. De tuin van Bombé was een toonbeeld van orde en netheid. Het gazon was gemillimeterd. De bloemperken waren netjes afgelijnd en onkruidvrij. Er stond zelf een prieeltje en een kopie van een ouderwetse waterput. Een tuin zegt net als een interieur veel over de bewoner.

In dit geval viel de tuin moeilijk te associëren met een flamboyante man van de wereld als Bombé. Versavel ging schrijlings op de muur zitten, trok de ladder op en plaatste hem aan de andere kant van de muur.

‘Zie je iets?’ riep Van In ongeduldig.

‘Nee.’

Aan de achtergevel was een veranda aangebouwd en zoals het wel vaker voorkomt, was de schuifdeur van de veranda niet op slot.

‘Hallo. Is hier iemand?’

Versavel bleef in de deuropening staan. Toen er geen antwoord kwam, riep hij nog eens. Op de veranda stonden een plastic tafel, vier stoelen en een vitrinekastje met geruite gordijntjes. Het grootste deel van de ruimte werd ingenomen door planten. Versavel baande zich voorzichtig een weg door het oerwoud, legde zijn hand op de klink en duwde ze langzaam naar beneden. Hij had geluk. De achterdeur was ook open. De keuken was aan kant. De vloer glom en er dreef een citroengeur. In de gang wachtte hem echter een lugubere verrassing.

‘En?’ vroeg Van In toen hij Versavels hoofd boven de muur zag verschijnen.

‘Ze is dood.’

‘Vermoord?’

‘Haar hersens hangen in het rond.’

Hij klom naar beneden, liep terug en deed de voordeur open zodat ze ook naar binnen konden. De vrouw van Bombé lag op haar rug in een grote plas gestold bloed. Haar starre ogen staarden in het niets. Je moest geen wetsdokter zijn om de doodsoorzaak vast te stellen. Er zat een groot gat in haar schedel. Van In wendde zijn hoofd af. Het nare beeld bleef op zijn netvlies geëtst. Zijn maag trok samen en het kostte hem moeite om niet te kokhalzen.

‘Ze is van dichtbij doodgeschoten, zei Versavel. ‘Waarschijnlijk toen ze de voordeur opendeed.’

Jo De Ryck nam stiekem een foto met zijn mobieltje voor hij dichterbij kwam. Een dergelijke kans kreeg hij nooit meer. De hoofdredacteur zou tevreden zijn.

‘Ik heb de lokale politie gebeld’, zei Versavel. ‘Ze sturen onmiddellijk een ploeg.’

Van In knikte, liep naar buiten en stak een sigaret op. De misselijkheid ebde langzaam weg. Hij probeerde helder na te denken. De moordenaar nam geen enkel risico. Ze ruimde iedere getuige vakkundig uit de weg, zelfs mevrouw Bombé, die waarschijnlijk niet wist waarover het ging, had het moeten bekopen. Waarom had ze Bombé dan gespaard? Omdat hij wist waar Louise Demeester zich schuilhield? Hij kon geen andere reden verzinnen waarom de Chinese hem anders had gespaard. Het was een bittere pil, maar zoals de zaken ervoor stonden, was het zeer waarschijnlijk dat zowel Bombé als Louise dood was. Straks bleef er niemand over die hem nog kon vertellen wat er gaande was. Behalve mevrouw Deng misschien.

‘Guido.’

‘Ja, chef.’

‘Bel de officier met wachtdienst en zeg hem dat hij asap een paar mannetjes naar De Blauwe Lotus stuurt.’

Een lichte vrachtwagen met rolluiken aan de zijkant stopte discreet voor het huis van Bombé. Er stapten drie mannen en een vrouw uit. Ze trokken witte plastic overalls aan. De vrouw, die blijkbaar de leiding had, schoof een van de rolluiken naar boven en haalde een metalen koffer uit de laadruimte van de lichte vrachtwagen.

‘Mijn naam is Lydia Vromman’, zei ze. ‘Technische recherche Kortrijk.’

Haar stem klonk onaangenaam en ze keek ook niet bijzonder vrolijk.

‘Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig’, grapte Van In, die maar al te goed begreep dat ze hem liever kwijt dan rijk was. En eigenlijk kon hij haar geen ongelijk geven. De forensische wetenschap werd steeds belangrijker bij het oplossen van misdaden. Het zou zonde zijn dat hij sporen verknoeide op de plaats van de misdaad.

‘Fijn’, zei ze.

Haar lippen bewogen amper. Van In gooide zijn sigaret met een boogje op de rijweg.

‘Ondertussen kijken wij even rond op de eerste verdieping. Als u dat niet erg vindt, tenminste.’

‘U doet wat u niet laten kunt, commissaris. Zolang u maar buiten de perimeter blijft tot wij klaar zijn.’

‘Geen probleem’, zei Van In. ‘Wij gaan wel achterom.’

Het bureau van Bombé op de eerste verdieping was een toonbeeld van orde en netheid. Papieren en documenten lagen netjes in stapeltjes, de computer leek nog nagelnieuw hoewel het een oud model was, en de ringmappen op de plank stonden alfabetisch gerangschikt. Boven het bureau, dat er redelijk imposant uitzag, hing een ingelijste spreuk. Semper Laborosius stond erop. Met twee hoofdletters. Van In had een hekel aan mensen die ieder woord dat ze belangrijk vonden met een hoofdletter schreven, maar van een man als Bombé had hij niet anders verwacht. Semper Laborosius, altijd bedrijvig, het leek wel een wapenspreuk van iemand die op een adellijke titel zat te wachten.

‘Hij boert in ieder geval niet slecht’, zei Versavel.

Hij hield een mapje met bankafschriften in zijn hand. Het saldo op de rekening van de bvba Choose or Lose bedroeg meer dan driehonderd duizend euro. Met het geld dat op diverse privé- en spaarrekeningen stond, kwamen ze op bijna een half miljoen euro uit. En dan waren er nog de beleggingen.

‘Heeft hij nog andere eigendommen?’

In de ringmap ‘Onroerende voorheffing’ troffen ze alleen documenten en betalingsbewijzen aan die verwezen naar het huis waar ze zich nu bevonden. Bombé hield blijkbaar meer van geld dan van bakstenen.

‘De Ryck heeft: in ieder geval gelijk’, zei Versavel.

Hij liet Van In een notitieboekje zien waarin Bombé minutieus alle bijdragen van de finalisten van de Miss Flandersverkiezing 2009 had genoteerd. De meeste vonden ze terug op de bankafschriften. Die stonden in rode inkt, de andere had Bombé met een zwarte pen genoteerd. De verklaring daarvoor lag voor de hand: de bedragen in het rood waren officieel, de andere zwart. Toen ze even later een muurkluis ontdekten, wisten ze waar Bombé zijn zwart geld bewaarde. De computer echter gaf zijn geheimen niet prijs. Alle bestanden waren beveiligd met een wachtwoord.

‘Moet je dit zien.’

In een archiefkast stonden tientallen dozen met persknipsels. Versavel bekeek er een aantal. Ze gingen allemaal over de Miss Flandersverkiezingen van de voorbije jaren. Bombé prijkte op bijna iedere foto.

‘IJdel was hij wel’, zei Van In.

‘Was?’

Van In stak een sigaret op. Bombé had Louise waarschijnlijk naar een onderduikadres gebracht en daar was de moordenaar op een of andere manier achter gekomen en De Ryck had hem gisteravond zien wegrijden in het gezelschap van een vrouw. Het zou een mirakel zijn als de missmaker nu nog leefde.

‘Volgens mij is hij dood’, zei hij. ‘Wat is er verdomme vier mensenlevens waard?’

‘Vijf’, corrigeerde Versavel. ‘Je vergeet de jonge Chinees.’

‘Dat was zelfmoord.’

‘Dood is dood, Pieter.’

‘Ja, maar moord is moord.’

‘Moet jij dan altijd gelijk…’

Versavel brak zijn zin abrupt af. Hij boog zich voorover en raapte een envelop op die door het verschuiven van de dozen zichtbaar was geworden.

‘Iets gevonden?’

De envelop bevatte enkele foto’s en een briefje. De foto’s lieten niets aan de verbeelding over. Bombé naakt voor de spiegel met Kira achter hem in het spiegelbeeld. Ook zij naakt. De tekst was bondig: Als ik niet win, krijgt je madame de foto’s te zien. Liefs, Kira.

‘Vrouwen zijn feeksen’, zei Van In.

‘Dat zal Hannelore graag horen.’

‘Oké. Sommige vrouwen dan.’

Ze wisten nu tenminste waarom Kira Konings de missverkiezing had gewonnen, maar dat was een onbelangrijk detail. Niet daarom was zij vermoord.

Louise rekte zich uit en keek naar de jonge kelner die naast haar lag. Hij sliep nog vredig en daar had ze begrip voor. Hij had vannacht zijn best gedaan. Ze sloeg de dekens weg en wipte lenig uit het bed. Haar kleren lagen op de grond. Ze rekte zich uit en liep – ze betrapte zich erop dat ze bijna huppelde – naar de badkamer. De vrijpartij had de muizenissen verdreven. Ze voelde zich kiplekker. En veilig. Het hete water in de douche maakte haar gevoel van welbehagen compleet. Haar lichaam tintelde. De geur van zeep en shampoo gaf haar een fris gevoel.

‘Verdomme.’

Ze vloekte binnensmonds. Het was gisteren allemaal zo vlug gegaan dat ze vergeten was haar koffer te halen. Nu stond ze hier zonder schoon ondergoed.

‘Schatje.’

Ze boog zich voorover en gaf hem een zoentje. Hij bewoog niet, zelfs niet toen ze haar hand onder de dekens stak en zijn onderbuik streelde. Geen nood. Ze trok snel haar vieze kleren aan, pakte de sleutel die nog op de voordeur zat en sloop stilletjes naar buiten. De oude vrouw in de lift bekeek haar, maar ze zei geen woord. Ze kende de reputatie van de kelner. Louise knikte vriendelijk toen ze uitstapte. Op straat kwam ze niemand tegen, maar het was dan ook niet ver. Ze stapte in de lift en drukte op de knop. Toen ze de sleutel in het slot stak, wist ze dat er iets mis was. De deur was niet op slot, hoewel ze zeker wist dat ze gisteren de sleutel twee keer had omgedraaid. De glazen deur naar de woonkamer stond open. Ze schreeuwde niet toen ze Bombé zag liggen. Ze deed ook geen poging om hem te helpen. Het enige wat ze deed was naar de slaapkamer strompelen, haar koffer pakken en met haar hand voor haar mond naar buiten lopen. Een voorbijrijdende auto deed haar opschrikken. Ze kromp in elkaar toen de man achter het stuur haar toelachte. Niemand mag mij hier zien, dacht ze wanhopig. Ze weten waar ik ben. Wat moet ik doen? Ze zullen me vermoorden. Ze struikelde bijna over een losliggende tegel. Haar handen beefden toen ze de voordeur openmaakte. De lift. Wat deed de lift op de negende verdieping? Ze drukte drie keer na elkaar op de knop. Het duurde een eeuwigheid voor hij begon te zakken. Ze telde de seconden af, terwijl ze angstig om zich een keek. Eindelijk. De deur schoof open. Ze schreeuwde. De man in de lift keek haar meewarig aan.

‘Je hoeft niet bang te zijn, meisje’, zei hij. ‘Ik doe je echt geen kwaad.’

Ze duwde hem opzij. De koffer die ze met zich meesleepte, schuurde langs zijn been. De man schudde zijn hoofd en vervolgde zijn weg.

‘Wakker worden.’

Ze schudde hem ruw bij de schouder.

‘Wakker worden, godverdomme.’

Tom trok zijn ogen open en keek haar verdwaasd aan. Waarom had ze haar kleren aangetrokken en waarom had ze een koffer bij zich? Wilde ze nu al weg?

‘Er is iets vreselijks gebeurd’, snikte ze. ‘Je moet me helpen.’

‘Rustig.’

Hij gooide met een vermoeid gebaar de dekens weg, wreef zijn ogen uit en ging op de rand van het bed zitten. Zij liet zich naast hem neerploffen en klampte zich snikkend aan hem vast. Hij liet haar uithuilen terwijl hij zachtjes haar rug streelde. Meisjes kon je beter laten uithuilen en je mocht hen nooit de indruk geven dat je hun probleem niet serieus nam. Een beetje aandacht kon wonderen doen.

‘Vertel me nu maar eens rustig wat er scheelt’, zei hij begrijpend.

Het kon best dat ze een spin had gezien of dat iemand een scheve opmerking had gemaakt over haar kleding.

Ze rechtte haar rug en keek hem met betraande ogen aan.

‘Ze hebben hem vermoord’, snikte ze.

‘Wie hebben ze vermoord, schatje?’

‘Bombé. Hij ligt dood in het appartement hiernaast.’

‘Je hebt toch niets geslikt?’

Hij had ooit een meisje gekend dat aan de drugs zat en hallucineerde als ze het verkeerde spul had genomen. Louise zag er clean uit, maar een mens wist maar nooit. Ze was vannacht behoorlijk wild tekeergegaan en had dingen met hem gedaan die de meeste meisjes normaal niet deden, tenzij ze onder invloed waren. Hij legde zijn arm om haar schouder, maar ze weerde hem af.

‘Kom dan mee als je me niet gelooft’, reageerde ze behoorlijk boos.

‘Waarom zou iemand Bombé willen vermoorden?’

Hij kende de man van de televisie en hij had over hem gelezen in een populair weekblad.

‘Omdat ze mij willen hebben.’

‘Sorry, schatje, maar nu begrijp ik er niets meer van.’

Hij legde zijn arm weer om haar schouder. Ze liet hem dit keer begaan. Haar lichaam trilde. Hij voelde haar hart kloppen in haar hals. Een gevoel van onbehagen maakte zich van hem meester. Stel dat ze gelijk had. Hij mocht er niet aan denken.

‘Kom dan mee naar hiernaast.’

Ze keek hem smekend aan. Haar vochtige ogen leken hem te hypnotiseren. Hij wendde zijn blik af naar haar borsten, die langzaam op en neer gingen. Als hij haar nu in de steek liet, zou ze wellicht boos weglopen en dan zou hij nooit meer de warmte van haar lichaam mogen proeven. De lust die ze bijna had weten te blussen kwam langzaam terug.

‘Oké. Ik ga met je mee.’

Geslooten wegens omstandiheden stond er op het papier dat met tape op de voordeur was bevestigd.

‘Ze doen hun best, maar ze zullen het nooit leren’, zei Van In. ‘Wedden dat de deur niet op slot is?’

Hij zette zijn schouder tegen de deur en duwde de klink naar beneden. Hij had gelijk. De deur ging open en activeerde een belletje dat erboven hing. De eetzaal baadde in een gezellig halfduister. De tafels waren gedekt en de stoelen stonden netjes in het gelid. Hun voeten zakten weg in het dikke vuurrode tapijt. In een zijmuur was een aquarium ingebouwd met veelkleurige vissen en een pagode tussen warrelende groene waterplanten. Aan de andere kant hing een grote heliogravure van een landschap met waterval. Mevrouw Deng zat achteraan in het restaurant. Ze dronk thee. Naast haar lag een Chinese krant.

‘Goedemiddag, mevrouw Deng. Mag ik u eerst onze deelneming betuigen met het overlijden van uw man.’

Ze glimlachte triest. Oosterlingen kijken anders tegen de dood aan dan westerlingen. Haar blik was al op de toekomst gericht.

‘Het leven is niet meer dan een korrel zand in de handpalm van een kind’, zei ze met een dromerige blik. ‘En kinderen kunnen wispelturig zijn.’

Van In vroeg niet wat ze daarmee bedoelde. Hij glimlachte beleefd en vroeg of ze bij haar aan tafel mochten gaan zitten. Mevrouw Deng knikte en ging prompt twee kopjes halen.

‘Het gaat over die Chinese vrouw die uw man aan het station is gaan ophalen’, zei Van In. ‘We beschikken over sterke aanwijzingen dat zij uw man heeft vermoord.’

Mevrouw Deng schonk de kopjes vol. De mensen van de politie zouden er ondertussen wel achter gekomen zijn dat haar man boven zijn stand leefde. De Blauwe Lotus bracht voldoende op om behoorlijk van te leven, maar niet genoeg om er vier huizen van te kopen. En dan wisten ze de helft nog niet. Ze was zelf geschrokken toen ze de bankafschriften onder ogen had gekregen.

‘Waarom zou zij mijn man vermoord hebben?’

‘Misschien wist uw man iets wat hij beter niet had geweten.’

De politieman sloeg spijkers met koppen. Haar man had Wulong Zhang nooit in vertrouwen mogen nemen. Hij had hem nooit mogen zeggen dat Yang Yunxiang alles verteld had. Maar ja, hij deed alles voor geld. Dat was hem duur te staan gekomen. Wulong Zhang was een man van eer, die geen mededogen kende als hij gezichtsverlies dreigde te lijden. Voor hem was een mensenleven niets waard.

‘U zou het wellicht vlugger begrijpen als u ook een Chinees was’, zei ze.

‘Wat bedoelt u daarmee, mevrouw?’

‘Ik bedoel exact wat ik zeg, maar eigenlijk heb ik daarmee al te veel gezegd.’

‘Heeft het iets te maken met Wulong Zhang?’

Ze schrok zichtbaar. De dood maakte haar niet bang. Als Wulong Zhang erachter kwam dat ze met de politie had gepraat, zou hij geen risico nemen. Toch kon ze hem niet verraden. Zoiets deed je niet. Ze dacht aan haar kinderen en aan haar kleinkinderen. Het liefst was ze naar China teruggekeerd om daar in haar dorp de rest van haar leven te slijten. Maar dat kon ze hen niet aandoen.

‘Wat heeft die kerel te verbergen?’ drong Van In aan.

Mevrouw Deng wist iets. Zoveel was zeker. En ze was bang dat er haar iets zou overkomen als ze haar mond voorbijpraatte. Of haar kinderen.

‘Hebt u kinderen, mevrouw Deng?’

Angst kun je moeilijk verbergen. Ogen logen nooit. Daarom keken seriemoordenaars hun slachtoffers recht in de ogen voor ze hen vermoordden. Omdat ze de angst wilden zien. Daar genoten ze intenser van dan van het doden op zich. Mevrouw Deng sloeg haar ogen neer, maar het was te laat. Zowel Van In als Versavel hadden de angst in haar ogen gezien.

‘Misschien kunnen zij ons iets vertellen’, ging Van In door.

Hij had een beetje medelijden met de oude vrouw. Kinderen gebruiken om een moeder onder druk te zetten was het gemeenste wat een mens kon doen. Toch had hij geen andere keus. De zaak zat hopeloos vast en er kwam geen einde aan de moorden.

‘Mijn kinderen weten niets’, zei ze met een gebroken stem.

‘U hebt toch een zoon?’

Ze knikte terwijl ze haar kleine handen met elkaar verstrengelde tot een onontwarbaar kluwen van knoken en gerimpelde huid.

‘Chinese namen hebben allemaal een betekenis’, zei ze benepen. ‘Weet u wat Wulong betekent?’

Van In schudde het hoofd. Hij had goed gegokt, hoewel hij daar niet trots op was. Alle moeders doen hetzelfde als ze voelen dat hun kinderen in de problemen dreigen te komen. Ze geven toe.

‘Wulong betekent “strijdlustige draak”’, zei ze met een zucht.

‘Wat moet ik daarmee?’

‘Meer kan ik niet verklappen’, zei mevrouw Deng. ‘Ik heb al veel te veel gezegd.’

Van In nam een slokje van de voortreffelijke thee die ondertussen lauw was geworden en stak ongevraagd een sigaret op. Strijdlustige draak, herhaalde hij bij zichzelf. Er flitste een beeld voorbij dat hij niet had weten vast te houden, maar hij had iets gezien. Ze bleven nog een halfuurtje in de hoop dat mevrouw Deng toch nog iets zou loslaten. Het was vergeefse moeite. Het enige wat ze kregen was een verse pot thee.

‘Jezus.’

Tom, de kelner, sloeg de hand voor zijn mond. Bombé was met twee handen vastgeketend aan de radiator. Zijn penis lag tussen zijn gespreide benen in een plas bloed. Zijn mond was dichtgekleefd met tape. Aan zijn tepels waren twee elektrodes bevestigd. Het snoer zat nog in het stopcontact.

‘Wat is hier in godsnaam gebeurd?’

‘Ik weet het niet’, huilde Louise.

‘We moeten de politie waarschuwen.’

‘Nee, geen politie.’

Tom bekeek haar argwanend terwijl hij zich afvroeg in welk wespennest hij was terechtgekomen. Wie was zij en wat had zij hiermee te maken? Ze pakte hem vast en drukte hem stevig tegen zich aan. Haar warme lichaam bracht hem in een vreemde roes.

‘Wat doen we dan?’

‘Je moet me helpen. Ik heb geld. Laten we samen naar het buitenland vluchten.’

‘Ik kan hier onmogelijk weg’, zei Tom. ‘Mijn baas schiet me dood als ik hem nu in de steek laat.’

‘Kelners vinden altijd werk. Dat weet je toch.’

Ze had gelijk. Een goede kelner vond altijd werk en bazen waren bazen. Ze waren alleen op geld uit, mensen interesseerden hen zolang ze geld opbrachten. Zijn baas zou wel een andere kelner vinden. Hij dacht aan haar lichaam en het genot dat ze hem vannacht had gegeven.

‘Dan moeten we elk spoor uitwissen’, zei hij.

‘Je doet het dus.’

‘Dat weet ik niet.’

Hij liep naar de keuken en maakte een vaatdoek nat onder de kraan, terwijl hij zich probeerde te herinneren wat hij had aangeraakt.

‘Heb je hier nog persoonlijke bezittingen?’

Ze dacht even na. Haar inlegkruisjes lagen in het toilet. Voor de rest had ze alleen haar tandpasta en tandenborstel uitgepakt. Ze liep verdwaasd naar de badkamer. Ze had Bombé nooit een warm hart toegedragen, maar niemand verdiende het op die manier aan zijn einde te komen. Ze durfde zich niet voor te stellen wat er met haar gebeurd zou zijn als ze in het appartement was gebleven. Ze trilde op haar benen. Een golf van misselijkheid overspoelde haar. Ze hadden zijn penis afgesneden en hem met elektrische schokken bewerkt. Wat zouden ze met haar hebben gedaan? Ze liet zich op haar knieën neerzijgen voor het toilet, klapte het deksel open en kotste tot haar slokdarm pijn begon te doen.

‘Gaat het een beetje?’

Tom stak zijn hoofd door de deuropening. Hij had nog altijd de natte vaatdoek in zijn hand. Ze kwam kreunend overeind. Een sliert speeksel bungelde aan haar kin. Ze keek hem wanhopig aan.

‘We moeten hier weg’, fluisterde ze. ‘Ze zullen ons vinden. We moeten hier weg.’

‘We?’

Ze krabbelde op en ging voor de spiegel staan. Ze herkende zichzelf bijna niet meer. Haar mascara was uitgelopen en haar gezicht was bleek en ingevallen. Ze zag eruit als iemand die een paar nachten was doorgezakt.

Panda was moe, ze had het appartement de hele nacht in het oog gehouden omdat ze ervan uit was gegaan dat Louise vroeg of laat toch zou terugkeren. Haar geduld werd beloond. Ze had Louise zien voorbijkomen, de eerste keer alleen, de tweede keer in het gezelschap van een jongeman. Wat moest ze nu doen? De vermoeidheid was geen probleem, ze kon desnoods achtenveertig uur zonder slaap, het was haar blaas die haar parten speelde. Een man kon zich in de auto met een fles behelpen. Als zij nog lang bleef zitten, zou ze op haar stoel moeten plassen. Aan de overkant waren al een paar cafés open. Het vooruitzicht nog een aantal uren op een natte stoel door te brengen trok haar niet aan. Ze stapte uit en liep met toegeknepen billen de straat over. Toen ze vijf minuten later terug was, stonden er twee politiewagens op het parkeerterrein. Ze keerde op haar stappen terug, bestelde een kop thee en ging bij het raam zitten. Twee agenten stonden bij de auto van Bombé, een andere liep de rijen geparkeerde auto’s af. Het was natuurlijk te verwachten dat ze zijn auto na verloop van tijd zouden lokaliseren. Ze had echter nooit gedacht dat het zo vlug zou gaan.

‘Ik vind dat we de politie op de hoogte moeten brengen’, zei Tom resoluut.

Er was ondertussen nog een politiewagen gearriveerd. Bewoners van de Franchommelaan, meest gepensioneerden die toch niets anders te doen hadden, keken vanaf hun balkon naar wat er gaande was. Tom, die ook op zijn balkon was gaan staan toen hij de politiewagens het parkeerterrein had zien oprijden, deed de schuifdeur dicht en stak een sigaret op.

‘Vind je dat verstandig?’

Louise had een douche genomen en zich wat gemaquilleerd, waardoor ze er weer goed uitzag.

‘Denk toch eens na, schat.’

Ze kwam bij hem staan en gaf hem een zoentje achter zijn oor. Ze had alleen een badjas aan.

‘Je denkt toch niet dat de politie ons verhaal zal geloven? Ze zullen denken dat jij mijn minnaar bent en dat we hem samen vermoord hebben.’

‘Ik ben je minnaar niet.’

‘Nee? Waarom heb je me dan geholpen om alle sporen uit te wissen? Stel dat ik hem toch vermoord heb. Wat ben jij dan?’

Ze keek hem spottend aan. Hij fronste zijn voorhoofd. Haar zelfverzekerde houding bracht hem in de war.

‘Medeplichtig, schatje. En weet je wat dat betekent? Dat je evenveel gevangenisstraf riskeert als ik.’

Ze schurkte zich tegen hem aan en liet haar vingers langs zijn ruggengraat glijden. Toen hij begon te kreunen liet ze de badjas van haar schouders glijden en stak haar hand tussen zijn broekriem.

‘Kom’, zei ze. ‘Ik wil je nog eens voelen.’





13


Van In feliciteerde de collega’s van de Blankenbergse politie die de auto van Bombé hadden opgespoord en het was gemeend. Politiepatrouilles kregen iedere dag de opdracht verdwenen of gestolen wagens op te sporen. De meeste besteedden er weinig aandacht aan omdat ze vonden dat ze wel wat beters te doen hadden.

‘Wat denk je?’ vroeg hij aan Versavel.

‘Dat Bombé in de buurt is of dat de moordenaar ons wil misleiden.’

‘Als hij in de buurt is, is hij zo goed als zeker dood.’

Van In keek naar de appartementen aan de overkant van de straat. Ongeveer twintig procent ervan stond leeg en werd tijdens de zomermaanden aan toeristen verhuurd. Het kon dus best dat Bombé Louise hiernaartoe had gebracht en dat de Chinese huurmoordenaar hem had gedwongen haar schuilplaats te verklappen. In dat geval was zij waarschijnlijk ook dood.

‘De collega’s zijn druk bezig met het opstellen van een lijst van alle leegstaande appartementen’, zei Versavel. ‘Maar dat kan nog een tijdje duren. Wellicht levert een buurtonderzoek meer op.’

‘Dat denk ik ook.’

Er stonden nog altijd mensen op de balkons te kijken naar wat er beneden gaande was. Van In stak een sigaret op en keek uit over de jachthaven, waar honderden boten rustig lagen te dobberen.

‘Ze kunnen ook op een boot zitten’, zei hij.

‘Of aan de Zeedijk’, knikte Versavel.

De Zeedijk liep evenwijdig met de Franchommelaan. Het aantal leegstaande appartementen was er nog groter.

‘Dan hebben we versterking nodig.’

‘Dat denk ik ook.’

Het kostte Van In heel wat moeite om de hoofdcommissaris van Blankenberge ervan te overtuigen extra manschappen ter beschikking te stellen. Het was pas toen de pers lucht kreeg van de zaak, dat hij toehapte. Toen de versterking eindelijk arriveerde, belde Van In Jo De Ryck.

‘U bent bedankt voor de tip, meneer De Ryck’, zei hij. ‘Zonder uw tussenkomst was het ons waarschijnlijk niet gelukt.’

‘Fijn’, zei de journalist van Het Nieuwsblad. ‘Tot straks.’

‘Tot straks’, zei Van In.

In ruil voor het telefoontje aan de hoofdcommissaris van Blankenberge had Van In De Ryck de primeur beloofd. Hij had normaal een hekel aan journalisten, maar ere wie ere toekomt. De man had zijn best gedaan.

Het buurtonderzoek leverde inderdaad resultaat op. Het duurde zelfs minder lang dan ze verwacht hadden. Een andersvalide vrouw die de hele dag bij het raam naar buiten zat te kijken omdat ze toch niets anders had te doen, had gisteravond een kale man en een jonge vrouw uit een auto zien stappen. Het paar was de straat overgestoken, maar ze had niet kunnen zien of ze een van de appartementsgebouwen waren binnengegaan. Een agent van de Blankenbergse politie bracht hen naar het appartement van de ooggetuige. ‘Dag mevrouw.’

De vrouw zat in een rolstoel. Ze had lang, grijs haar en een bol gezicht. Ze glimlachte een beetje kinderlijk toen Van In haar de hand drukte. In de woonkamer stonden twee leren banken, een kast met daarop een televisietoestel, een tafel met twee stoelen en een ziekenhuisbed. Er stonden overal asbakken. De meeste lagen vol met peuken.

‘Ik ben al een tijdje ziek, moet u weten’, glimlachte de vrouw.

‘Woont u hier alleen?’

Ze knikte.

‘Sinds mijn man me in de steek heeft gelaten.’

Van In kon de man geen ongelijk geven, hoewel hij hem niet kende.

‘Hij kon niet verdragen dat ik ziek ben’, zei ze met vochtige ogen. ‘Maar ja, zo zijn mannen nu eenmaal. Op een bepaalde leeftijd willen ze alleen nog van die geschminkte poppemietjes. Na alles wat ik voor hem heb gedaan’, zuchtte ze.

‘Ik vind het erg voor u’, zei Van In niet bepaald overtuigd. ‘Maar we zijn hier niet om over uw ex-man te spreken.’

‘Dat weet ik, maar toen ik gisteren die kale kerel met een jong ding zag uitstappen, moest ik aan hem denken. Die denken maar aan één ding.’

Ze pakte een papieren zakdoekje van het stapeltje dat voor haar lag en depte er haar vochtige ogen mee.

‘Dat begrijp ik’, zei Van In. ‘U zou ons echter ongelooflijk kunnen helpen als u die man en die vrouw kon beschrijven.’

De vrouw in de rolstoel stak een sigaret op. Van In volgde haar voorbeeld, al was het maar om de stank te verdrijven die zijn neusgaten prikkelde.

‘Hij was kaal en redelijk corpulent. Zij was slank natuurlijk. En veel jonger dan hij. Maar dat hoef ik u zeker niet meer te vertellen?’

‘Hebt u nog iets speciaals gemerkt?’

‘Ze leek me een buitenlands type.’

‘Wat bedoelt u met buitenlands?’

De vrouw in de rolstoel trok tweemaal kort na elkaar aan haar sigaret. Twintig jaar geleden, toen ze minder dronk dan nu, had ze die vraag onmiddellijk kunnen beantwoorden. De enige reden waarom ze zich de man en de vrouw nog herinnerde, was het gevoel van woede dat bij haar was opgekomen toen ze hen uit de auto had zien stappen. Dat had haar ex-man destijds ook gedaan, terwijl hij wist dat zij hen kon zien. Alleen maar om haar te vernederen. De smeerlap.

‘Ze had zwart haar’, herhaalde ze met haar blik op oneindig.

‘Lang of kort?’

‘Dat heb ik niet goed kunnen zien.’

‘Hebt u ze ergens zien binnengaan?’

‘Waarom zijn ze anders de straat overgestoken? U denkt toch niet dat ze van plan waren ergens een glas te gaan drinken. Nee, commissaris. Ik ken dat soort mannen. Ze willen maar één ding.’

Van In keek naar Versavel. Ze dachten allebei hetzelfde. De vrouw in de rolstoel staarde wezenloos voor zich uit. Er verscheen weer een kinderlijke glimlach op haar gezicht toen ze beelden terugzag uit een ver verleden. Van In schraapte de keel, maar ze reageerde amper.

‘Ik denk dat we beter gaan’, zei Versavel.

Hij ging bij de vrouw staan en stak zijn hand uit.

‘U bent in ieder geval bedankt’, zei hij.

Ze nam de uitgestoken hand aan en knikte afwezig.

Vroeger was de Belgische kust mooier dan nu. Alleen oudere mensen wisten nog hoe de Franchommelaan er destijds uitzag, toen er nog statige villa’s en schattige vissershuisjes stonden in plaats van betonnen blokkendozen. Ze herinnerden zich nog de tijd dat je van de haven door de tuinen van de villa’s naar de Zeedijk kon lopen. Tegenwoordig kon dat nog omdat sommige doorgangen bewaard waren gebleven, smalle gangen die men in de volksmond ‘servitudes’ noemde. Panda ontdekte de doorgang per toeval toen ze zich in het toilet van deur vergiste. Haar jas hing nog in het café, maar ze ging niet terug om hem te halen. Er zat niets in haar zakken dat haar kon identificeren en ze wilde het risico niet lopen dat de politiemensen, die nog altijd massaal aanwezig waren in de Franchommelaan, haar in het oog kregen. Een Chinese in deze buurt viel immers op als een mooie vrouw op een naaktstrand. Iemand had haar zeker in het gezelschap van Bombé zien uitstappen of haar in de bestelwagen zien zitten, waardoor de kans groot was dat ze nu al gezocht werd. Ze kon beter het zekere voor het onzekere nemen, dus volgde ze de smalle gang tot aan een andere deur. Ze had geluk. De deur was open en gaf toegang tot een kleine binnenplaats, de achterkant van een appartementsgebouw aan de Zeedijk. Ze keek omhoog. Op de tweede verdieping stond de schuifdeur open. Nog geen minuut later bevond ze zich in een groezelige slaapkamer. Geen geluid. Niemand had haar gehoord. Ze deed voorzichtig de slaapkamerdeur open en sloop door de gang naar de voordeur.

‘Wa doeje gi ier?’

Ze stond oog in oog met een oude man. Hij keek haar woedend aan.

‘I’m lost’, glimlachte Panda.

‘Ah, je zie van de post?’

‘Yes’, zei ze.

‘Schone facteur’, zei de oude man.

‘I’m sorry.’

De oude man kwam dichterbij. Hij bekeek haar van top tot teen.

‘Magguk è kè ajje tetten kommen?’

Hij stak zijn hand uit. Panda wist niet goed hoe te reageren. Ze besefte pas wat de oude man wilde toen hij haar borsten vastgreep, maar in plaats van hem dood te schieten trok ze zijn broek naar beneden en bracht hem in vijf minuten naar de zevende hemel, terwijl hij haar als een bezetene bleef bepotelen.

Twee andere bewoners van de Franchommelaan vulden de verklaring van de vrouw in de rolstoel aan. Een van hen, een jonge kruidenier, had zelfs Bombé herkend, maar geen van beiden kon zeggen of ze ergens binnen waren gegaan.

‘Dat weten we nu tenminste zeker’, zei Van In.

Hij stak een sigaret op en nam een slok Duvel. Christian, de uitbater van het restaurant waar ze hun voorlopige hoofdkwartier hadden opgeslagen, bracht een bordje met zure haring.

‘Laten we hopen dat het niet te laat is.’

Versavel nam een stukje haring en peuzelde het bedachtzaam op. Hij zag de toekomst niet rooskleurig in. De kans was klein dat Bombé en Louise nog leefden.

‘Willen de heren ook iets eten?’

Van In wierp een blik op zijn horloge. Het was twintig over twaalf.

‘Ik heb wel honger. En jij?’

Er stonden honderdzesendertig appartementen leeg. Het zou nog een tijdje duren voor die allemaal gecontroleerd waren.

‘Mij goed’, zei Versavel.

Ze bestelden ossobuco en een fles Argentijnse wijn. Het verlossende bericht kwam om vijf over twee, toen Van In net een tweede fles wijn had besteld. De inspecteur die het nieuws kwam melden zag er behoorlijk aangeslagen uit.

‘We hebben hem gevonden’, zei hij met een prop in zijn keel.

‘Hem?’

‘Bombé.’

‘Dood of levend?’

Het was een overbodige vraag. Het gezicht van de inspecteur sprak voor zich.

‘Ze hebben zijn pietje afgesneden’, hakkelde hij.

Nog geen uur later stond het parkeerterrein aan de Franchommelaan vol met persauto’s en krioelde het van de journalisten. Het nieuws dat Bombé was vermoord sloeg in als een bom. Er kwam een extra journaal met een opsporingsbericht en een robottekening. De jacht op de Chinese huurmoordenaar was open. Van In nam een slok wijn van de fles die hij om vijf over twee besteld had en stak een sigaret op. Hij dacht aan Louise, die op een of andere manier de dans was ontsprongen. Het was een vreemde zaak. De technische recherche had het appartement waar ze Bombé hadden aangetroffen grondig doorzocht. Ze hadden niets gevonden waaruit kon blijken dat Louise er had verbleven. Het lijkt wel of het appartement onlangs grondig werd schoongemaakt, had een van de mensen van de technische recherche gezegd.

Toen ze de robottekening op de televisie zag, en de oude man haar verbaasd aankeek, had Panda geen keus meer. Ze glimlachte, haalde het mes waarmee ze de penis van Bombé had afgesneden uit haar handtas en stak hem in zijn buik, tot hij reutelend op de bank viel. Daarna smoorde ze hem met een kussen. Het deed haar niets. Ze had haar ouders zien doodmartelen en haar broer een langzame dood sterven. Zelf had ze meer dan twee jaar in een koude cel doorgebracht, waar ze minstens vier of vijf keer per dag door de bewakers werd verkracht. Mensen die een snelle dood stierven, mochten van geluk spreken. Ze stak een sigaret op en liep naar de slaapkamer. In de kleerkast hingen zes overhemden en twee pakken. Ze trok snel haar kleren uit en paste een van de pakken. De broek zat veel te ruim, maar dat was te verhelpen met een riem. Het jasje verdoezelde haar borsten. Een hoed en een sjaal maakten haar bijna onherkenbaar. Het was niet de beste vermomming, maar het was beter dan niets.

‘Nu is het genoeg’, zei Tom. ‘Ik ga naar de politie.’

Louise lag op het bed. Ze rookte een sigaret. Tijdens het vrijen had ze die overweging ook gemaakt, maar ze durfde niet. Ze geloofde niet dat de politie haar kon beschermen. Ze hadden Kira en Bombé vermoord alleen maar om haar te vinden. Niemand kon haar veiligheid garanderen. Vluchten was de enige optie.

‘Dan vermoorden ze jou ook’, zei ze.

‘Waarom zouden ze mij vermoorden?’

Ze gooide de dekens terug zodat hij haar naakte lichaam kon zien. Het werkte. Hij bleef staan.

‘Omdat ze denken dat ik je alles verteld heb.’

‘Je hebt me helemaal niets verteld.’

‘Nog niet’, zei ze. ‘Kom bij me en laat me je nog eens verwennen.’

Ze streelde zichzelf terwijl ze haar benen spreidde.

‘Ik heb een geheim’, zei ze.

Sommige mannen zijn nooit voldaan. Tom was er zo eentje. Hij masturbeerde al toen hij amper acht jaar was. Sindsdien was zijn honger naar seks alleen toegenomen. Hij kon er niet aan weerstaan.

‘Ik spreek Chinees’, zei ze toen hij bij haar kwam liggen.

‘Chinees’, herhaalde hij verwonderd.

Ze vertelde hem dat ze in het Kempinski-hotel een gesprek had afgeluisterd tussen twee Chinezen en dat ze met die informatie de grote baas van de haven van Zeebrugge had gechanteerd.

‘Welke informatie?’ vroeg de kelner.

‘Als ik het je vertel, vermoorden ze je. Zoals ze Kira en Bombé hebben vermoord.’

‘Is Kira dat meisje dat…’

‘Je leest gelukkig kranten’, glimlachte ze terwijl ze de binnenkant van zijn dijen streelde.

‘Wist zij het ook?’

‘Nee, maar ik lijk nogal op haar. Een westerling zal het verschil wellicht zien, maar voor Chinezen lijken wij allemaal op elkaar. Het omgekeerde is trouwens ook waar. De eerste keer hebben ze zich vergist, maar nu weten ze dat ik het ben. Daarom hebben ze haar eerst gemarteld.’

Tom dacht aan Bombé. Zijn erectie nam onmiddellijk af, waardoor ze kon raden waaraan hij aan het denken was.

‘Het kan iedereen overkomen’, zei ze. ‘Daarom vind ik het niet verstandig dat we er de politie bij betrekken. Chinezen zijn koppige jongens. Ze zullen ons niet met rust laten.’

‘Wat moeten we dan doen?’

‘Ons verstoppen tot het contract ondertekend is.’

‘Welk contract?’

‘Laat maar.’

Ze ging met haar hoofd op zijn buik liggen en deed wat mannen het liefst hebben. Het duurde niet lang voor hij zachtjes begon te kreunen. Eigenlijk mocht ze van geluk spreken dat ze niet bij een vrouw was beland.

Zlotkrychbrto bestelde twee Duvels, een perrier en een escalope milanese.

‘Zo’, zei hij. ‘Het werk zit er op.’

Van In stak een sigaret op en nam een slok van de verse Duvel. Het lijk van Bombé was afgevoerd en de meeste persjongens waren op weg naar huis of naar de redactie om hun stuk te schrijven. De kijklustige menigte was gekrompen tot een groepje van een man of tien. De rust in de Franchommelaan was teruggekeerd, maar ze waren geen stap verder gekomen. Zowel de Chinese huurmoordenaar als Louise was spoorloos.

‘Ik vraag me af waarom ze zich niet aangeeft’, zei Van In.

‘Ze moet ondertussen toch weten dat haar leven in gevaar is.’

‘Volgens mij is ze bang’, zei Versavel.

‘Ik zou in haar plaats ook bang zijn’, beaamde Zlotkrychbrto.

Van In had een nationaal politiealarm laten afkondigen en foto’s van Louise laten verspreiden. Iedere flik in België was op zoek naar haar en naar een Chinese vrouw met zwart haar. Meer konden ze voorlopig niet doen.

‘Heb je de eigenaar van het appartement kunnen bereiken?’ vroeg Van In.

Versavel knikte.

‘Het is een vriend van Bombé. Hij verblijft momenteel in het buitenland.’

‘Een liefdesnest?’

‘Dat weet ik niet’, zei Versavel. ‘De eigenaar zei dat het een vriendendienst was. Ze kennen elkaar al van op de schoolbanken. Bombé kwam er geregeld met zijn vrouw. Tenminste, dat beweren de buren.’

Het buurtonderzoek was nog volop aan de gang.

‘Wanneer is hij eigenlijk gestorven?’

‘Rond middernacht.’

Zlotkrychbrto had twee naalden in de testikels van Bombé aangetroffen en brandwonden op zijn voetzolen die waarschijnlijk afkomstig waren van een brandende sigaret.

‘Onze Chinese madam heeft zich in ieder geval geamuseerd.’

Van In kreeg er kippenvel van.

‘Heb je enig idee hoe lang de marteling heeft geduurd?’

Christian serveerde de escalope met tomatensaus en frieten. De wetsdokter tastte onmiddellijk toe. Hij ging bijna dood van de honger.

‘Een tijdje’, zei hij met zijn mond vol.

Hij had elf prikken geteld en negen brandwonden. Als er tussen iedere handeling een paar minuten zat, was ze zeker een uur bezig geweest, waarschijnlijk langer.

‘Zou jij zoiets kunnen verdragen?’

‘Ik denk het niet’, zei de wetsdokter terwijl hij een paar frieten aan zijn vork prikte.

‘Dan zijn er twee mogelijkheden. Bombé heeft Louise verraden of hij heeft niets losgelaten om de eenvoudige reden dat hij niets wist.’

‘Het laatste lijkt me het meest waarschijnlijk’, zei Versavel. ‘Als Bombé had geweten waar Louise was, had hij zich geen uur laten martelen.’

‘Waarom heeft Bombé de Chinese dan naar het appartement geleid? Omdat hij dacht dat Louise er was.’

‘Ze heeft misschien onraad geroken’, zei Versavel. ‘En ergens anders een schuilplaats gezocht.’

‘Dat lijkt aannemelijk. Maar waar?’

‘Misschien is ze wel in de buurt’, zei Zlotkrychbrto.

‘Misschien zijn ze allebei nog in de buurt.’

Van In stak een sigaret op en bestelde twee nieuwe Duvels. De brutale moord op Bombé zou net als de voorgaande voor heel wat opschudding zorgen. De kranten stonden iedere dag vol met commentaren van specialisten, gissingen en speculaties. Over één ding was iedereen het eens: er was een nietsontziende gek aan het werk. Hij haalde de geheimzinnige brief uit zijn binnenzak en las hem opnieuw. Als hij de schrijver kon opsporen, was de zaak opgelost. En wat wist Louise dat zo belangrijk was dat iedereen die erbij betrokken raakte, dood moest? Had het iets te maken met het containervervoer in Zeebrugge? Waarschijnlijk wel. De zakenwereld was keihard en sommige captains of industry gingen over lijken. De groei van de haven van Zeebrugge was een doorn in het oog van andere havens. Toch kon hij moeilijk geloven dat de moorden het werk waren van een concurrerend bedrijf.

‘Ik ga Cosyns nog eens aan de tand voelen’, zei Van In. ‘Volgens mij weet hij meer dan hij kwijt wil.’

‘Zal ik hem bellen?’ vroeg Versavel.

Het duurde een paar minuten voor hij een medewerker van Cosyns aan de lijn kreeg.

‘En?’

‘Meneer Cosyns verblijft in het buitenland’, zei Versavel. ‘Hij kan ons op zijn vroegst morgenmiddag om vier uur ontvangen.’

‘À la guerre comme à la guerre’, zei Van In ontgoocheld.

Louise en Tom lagen nog wat na te genieten in bed. Hij rookte een sigaret, zij dronk een glaasje fruitsap dat hij voor haar had geperst.

‘Je bent best een lieve jongen’, zei ze.

‘En ik vind jou een toffe meid.’

‘Meen je dat?’

‘Ik zou je graag beter leren kennen’, zei hij.

‘Ik ook.’

Ze schurkte zich tegen hem aan en ging met haar vingers door zijn haar. Hij kreunde zachtjes.

‘Hoe komt het dat je geen liefje hebt?’ vroeg ze speels. ‘Een kerel zoals jij heeft de meisjes voor het kiezen. Of vergis ik mij?’

Het compliment streelde zijn ego. Hij had de meisjes wel niet voor het kiezen, maar hij kon niet ontkennen dat hij succes had bij de vrouwen. Hij kreeg de meeste vrij gemakkelijk in bed, maar na een paar keer vrijen was het over.

‘Het is de eerste keer dat ik iemand ontmoet die me een warm gevoel geeft’, zei hij een beetje beschaamd. ‘Ik weet niet waarom, maar je trekt me aan. Ik denk zelfs dat ik verliefd op je ben.’

Ze barstte uit in een schaterlach. Haar kleine borsten gingen op en neer en ze kletste met haar platte hand op zijn dij.

‘Loop je nu niet een beetje te hard van stapel?’

‘Ik ben nu eenmaal een snelle jongen. Of heb je dat nog niet gemerkt?’

Hij begon nu ook te lachen. Ze gaf hem een duw waardoor hij bijna uit het bed rolde. Dertig seconden later lagen ze weer in elkaar verstrengeld.

‘Ik denk dat ik ook een beetje verliefd ben’, zei ze.

‘Een beetje maar?’

‘Alle begin is moeilijk’, zei ze plagerig terwijl ze met haar vinger rondjes maakte om zijn tepel.

‘Vertrouw je me dan niet?’

Ze hield op met rondjes maken. Sinds ze samen waren, was ze bijna vergeten wat hen samen had gebracht. Haar leven was in gevaar, net als dat van hem.

‘Ik kan het je evengoed vertellen’, zei ze. ‘De moordenaar zal toch nooit geloven dat ik het niet heb verteld.’

Ze vertelde hem alles.

‘Is dat alles?’

Ze knikte.

‘Ik heb pas begrepen hoe ernstig de situatie was toen Kira me toevertrouwde dat de Chinees haar in het park had willen vermoorden.’

‘Heb jij het haar dan niet verteld?’

‘Nee’, zei ze. ‘Ik was bang.’

‘Dan is ze voor niets gestorven.’

‘Eigenlijk wel.’

‘Tja’, zei Tom. ‘Het is nu te laat om je daarvoor nog schuldig te voelen. Jij hebt haar niet vermoord.’

‘Ik had het kunnen vermijden.’

Ze dacht weer aan het verslag dat ze in de krant had gelezen. Ze hadden Kira gemarteld tot ze er zeker van waren dat ze niets wist. Daarna hadden ze beseft dat ze de verkeerde te pakken hadden en toen waren ze bij haar terechtgekomen.

‘Ik ga je helpen, Louise.’

‘Laat me hier dan een tijdje blijven.’

‘Is dat wel veilig? We zijn samen buiten geweest. Wie weet heeft iemand ons hier zien binnenkomen.’

‘Dan hadden we de politie al over de vloer gehad’, zei Louise.

‘Ik heb het niet over de politie.’

‘De moordenaar?’

‘Wie anders? Bombé heeft hem naar hier geleid. Hoe zou hij er anders achter zijn gekomen dat jij in Blankenberge was. Als jij het appartement niet was uitgevlucht, was jij nu ook dood. Volgens mij ligt hij op de loer omdat hij vermoedt dat je nog in Blankenberge bent.’

‘Je jaagt me de stuipen op het lijf, schatje.’

Ze klampte zich nog steviger aan hem vast. Het gaf haar een veilig gevoel. Hij was gespierd en de meeste kelners konden hun vuisten gebruiken als het nodig is. Ze had een ridder die haar zou beschermen, wie weet ook een prins op het witte paard. Ze was nog maar één keer in haar leven smoorverliefd geweest, op een jongen van wie ze nooit nog iets had vernomen toen hij een jaar in Singapore was gaan studeren. Het had moeite gekost om er weer bovenop te komen en ze had gezworen dat niemand haar hoofd nog op hol zou brengen, maar nu had ze het weer te pakken. Vlinders in haar buik.

‘Jouw plan is beter’, zei ze. ‘Laten we een paar weken naar het buitenland gaan.’

‘Dat meen je niet.’

‘Verliefde mensen zijn tot alles in staat.’

Ze gaf hem een klapzoen en ging rechtop tegen de achterkant van het bed zitten. Het was lang geleden dat ze zich nog zo gelukkig had gevoeld. Het leek wel of ze elkaar al maanden kenden.

‘Jij mag kiezen waar we naartoe gaan’, zei ze.

‘Momentje.’

Tom sprong van het bed en ging in de woonkamer aan zijn laptop zitten.

‘We kunnen beter eerst op het internet kijken wat er op korte termijn beschikbaar is.’

Hij startte het ding op, wachtte geduldig tot het bureaublad op het scherm aanfloepte en googelde naar de lastminuteaanbiedingen.

De kinderen zaten rustig televisie te kijken terwijl Hannelore de groenten voor het avondmaal schoonmaakte. Ze glimlachte zonder het te beseffen. Wat maakte een mens eigenlijk gelukkig? Ze stak een stukje wortel in haar mond en knabbelde er bedachtzaam op. Het getik van het keukenmes op de houten plank werkte rustgevend. Alles leek perfect.

‘Mama.’

Ze draaide zich om. Het was Simon. Hij keek haar met grote ogen aan.

‘Wat is er, schat?’

‘Papa maakt lawaai.’

Ze legde het keukenmes naast de plank, veegde haar handen schoon aan een handdoek en liep met Simon mee naar de zitkamer. Van In lag languit op de bank. Hij snurkte als een beer. Sarah zat voor de televisie met haar vingers in haar oren. Ze schudde hem zachtjes bij de schouder.

‘Dat hebben we ook al geprobeerd’, fluisterde Simon. ‘Maar hij luistert niet.’

‘Dan proberen we iets anders.’

Ze kneep zijn neus dicht. Het gesnurk verstomde. Hij hapte naar adem als een drenkeling die boven water kwam. De kinderen barstten in lachen uit toen hij molenwiekend wakker schrok.

‘Sorry’, zei ze.

Hij keek haar verdwaasd aan terwijl hij zich de droom probeerde te herinneren die ze had afgebroken. Hij hoorde alleen een geluid, een geluid dat hij kende maar niet direct kon thuisbrengen. Hannelore was hem voor.

‘Telefoon’, zei ze.

‘Wat zeg je?’

‘Er is telefoon.’

Zijn mobieltje lag op de keukentafel. Ze haalde het en nam ondertussen op.

‘Saskia’, zei ze.

Van In wierp een blik op zijn horloge. Het was kwart voor zeven.

‘We hebben Louise kunnen lokaliseren’, klonk het triomfantelijk. ‘Ze is nog in Blankenberge.’

‘Ik kom’, zei Van In.

Het is tegenwoordig eenvoudig om een mobieltje te lokaliseren. Van In had twee dagen geleden beslist het telefoonverkeer van Louise Demeester te volgen. Het had relatief lang geduurd voor ze haar te pakken hadden gekregen, maar nu hadden ze prijs.

‘Zal ik het eten in de oven zetten of gooi ik het meteen weg?’

‘Je mag me geen schuldgevoel geven, Hanne.’

‘Grapje’, zei ze. ‘Ik wacht wel.’

‘Malta is fijn’, zei Louise. ‘Boek maar.’

Ze liep naar de slaapkamer terwijl Tom de formaliteiten afhandelde. Haar koffer stond naast de kleerkast. Ze legde hem op het bed en maakte hem open. Er zaten voldoende kleren in voor een paar dagen. De rest kon ze ter plaatse kopen. De bankcheque die ze van Cosyns had gekregen, zat in een apart vakje aan de zijkant van de koffer. Ze bekeek hem even en stopte hem daarna terug in het zijvakje. Het was allemaal zo onwezenlijk. De moorden, onderduiken, en nu op reis vertrekken met iemand die ze amper kende. Het bezorgde haar een vreemd gevoel, een mengeling van angst en opwinding. Wat stond haar nog te wachten?

Panda duwde de deur van het appartementsgebouw open en glipte naar binnen. Er waren veertien deurbellen, maar er was er maar één waar één naam bij stond: Tom Vantorre. Op de zesde verdieping. Ze liep naar de overkant van de straat en keek naar boven. Er brandde nog licht op de zesde verdieping. Ze ging op een bank zitten vanwaar ze het raam in het oog kon houden.

‘Wat hebben we nu weer?’

Tom trok de schuifdeur open en ging op het balkon staan. Louise ging bij hem staan. Er kwam een politiewagen aangereden en ze hoorden iemand door een megafoon spreken.

‘Ouise…eester’, klonk het van ver.

Er kwamen meer mensen op hun balkon staan. Sommigen dachten dat het een oefening van de brandweer was, anderen associeerden de megafoon met carnaval, maar daar was het nog veel te vroeg voor.

‘Ze roepen jouw naam. Luister.’

Nu verstond ze het beter. Ze hoorde inderdaad haar naam.

‘Dit is de politie. Wil Louise Demeester zo snel mogelijk contact met ons opnemen’, klonk de boodschap voluit.

‘Hoe hebben ze je in hemelsnaam kunnen vinden?’ zei Tom, die behoorlijk onder de indruk was.

Louise hield van politiereeksen op de televisie. Ze hoefde niet lang na te denken voor ze wist wat er aan de hand was.

‘Ze hebben mij niet gevonden. Ze weten alleen dat ik hier ergens in de buurt gebeld heb’, zei ze. ‘Ik had beter moeten weten.’

Tom begreep niet goed waarover ze het had, maar hij durfde het niet toe te geven.

‘Wat ga je doen?’

‘Zo snel mogelijk weg proberen te komen’, zei ze. ‘Ik vertrouw die flikken niet.’

Panda zag de politiewagen voorbijrijden. Ze herkende de naam Louise, maar voor de rest verstond ze niets van wat er omgeroepen werd. Dat was ook niet nodig. Ze wist waarover het ging. Ze keek naar boven, naar de zesde verdieping. Ze stonden nog altijd op het balkon. De politiewagen sloeg links af, en reed de helling op naar de Zeedijk. Tien minuten later waren ze terug.

‘Hoe lang gaan we dit nog volhouden?’ vroeg Versavel toen ze voor de tweede keer de Franchommelaan afreden.

‘Geen idee’, bromde Van In.

‘We weten zelfs niet met zekerheid of ze hier nog is.’

Versavel zeurde zelden of nooit over de manier waarop Van In een onderzoek aanpakte, maar dit keer zag hij het nut van hun actie niet in. Als ze nog lang rondtoerden, kregen ze straks een klacht aan hun broek voor nachtlawaai.

‘Misschien heb je gelijk.’

‘Eindelijk’, zuchtte Versavel.

Van In gooide de megafoon op de achterbank en stak een sigaret op. Er verscheen een duivels lachje op zijn gezicht.

‘Ik heb een ander idee’, zei hij.

‘Ik houd mijn hart vast.’

‘We doen alsof we wegrijden, parkeren de auto in een zijstraat en komen te voet terug. Wie weet komt ze dan naar buiten.’

Panda stak haastig de straat over, liep naar de achterkant van het appartementsgebouw waar Louise haar toevlucht had gezocht, en klom voorzichtig via de brandtrap naar boven.

‘Ze zijn weg’, zei Louise.

‘Wat doen we nu?’

‘Hoe laat is onze vlucht?’

‘Om kwart voor elf.’

‘Heb je een auto?’

‘Nee.’

‘Dan nemen we nog vanavond de trein naar Brussel’, zei ze kordaat. ‘Ik ga snel nog even onder de douche. Pak jij ondertussen je koffers maar.’

‘Waarom slapen we niet hier?’

‘Daarom.’

Ze gaf hem een vluchtige zoen en liep naar de badkamer. Tom deed wat ze gevraagd had en dat was zijn geluk. Toen hij de deur van de slaapkamer opendeed om zijn koffer te pakken, zag hij het silhouet van Panda voor het raam. Ze had een pistool in haar hand.

‘Verdomme.’

Hij sprong naar de overkant van de kamer en liet met een druk op de knop de rolluiken zakken. Panda schopte woedend tegen het glas. Toen het niet wilde begeven, sloeg ze het stuk met de kolf van haar pistool, maar het was te laat. Het rolluik was zo goed als volledig neergelaten. Ze kon er niet meer onderdoor. Louise schrok toen Tom de badkamer binnenstormde en haar bij haar arm naar buiten sleurde.

‘Ben je gek geworden?’

‘De moordenaar’, hijgde hij. ‘De moordenaar staat op het balkon.’





14


Louise kleedde zich razendsnel aan, gooide haar toiletspullen in haar koffer en rende naar de voordeur. Tom had ondertussen de lift besteld. Ze kon zo instappen. De deur gleed dicht.

‘Ik ben bang’, zei ze.

Tom kneep zachtjes in haar hand. Zijn gezicht stond strak. Hij probeerde zich flink te houden, hoewel de zenuwen door zijn lijf gierden. Waarom sloegen ze eigenlijk op de vlucht? De moordenaar stond buiten. Ze hadden beter binnen kunnen blijven en de politie bellen. De verdiepingen gleden traag voorbij. Het leek of ze al minuten in de lift stonden. Wat als de moordenaar sneller was dan zij en hen beneden opwachtte? Hij overwoog om de lift te laten stoppen en op een andere verdieping uit te stappen. Maar hoe deed je zoiets? Te laat. Ze passeerden de eerste verdieping. Hij telde de seconden af. Donk. De lift kwam tot stilstand. Ze keken elkaar bang aan. De deur schoof open.

‘Snel’, fluisterde Tom.

Hij nam haar bij de hand en trok de voordeur open. Het licht in de hal floepte automatisch aan. Verdomme. Nu kon iedereen hen zien.

‘De fietsenberging.’

‘Wat zeg je?’

‘We kunnen weg langs de fietsenberging.’

Hij trok de deur open die naar de kelderverdieping leidde. Het licht ging ook daar automatisch aan. De deur klapte dicht. Ze liepen de trap af. Tom loodste haar door een smalle gang naar een kale ruimte waar wel twintig fietsen aan metalen haken tegen de muur hingen. De meeste waren roestig omdat niemand ze nog gebruikte. Hij haalde een bos sleutels uit zijn broekzak en zocht de loper waarmee hij alle gemene deuren kon openen. Zijn hand trilde. Louise beet zenuwachtig op haar onderlip. Ze kwamen op een kleine binnenplaats.

‘Kom.’

Tom trok haar mee. Ze kwamen in een nauwe steeg, een servitude, die de Franchommelaan met de achterkant van de appartementsgebouwen aan de Zeedijk verbond. Hij probeerde een van de achterdeuren open te krijgen. Dicht. Verdomme. Er waren er vier. Ze waren allemaal dicht.

‘We raken hier nooit meer uit’, kermde Louise.

‘Dan moeten we terug.’

‘Nee. Daarvoor is het te laat’, riep ze gesmoord.

‘Dan blijven we hier.’

‘Toch niet de hele nacht?’

‘Waarom niet? Hier vindt hij ons nooit.’

Misschien had hij wel gelijk. Alleen de bewoners van de Franchommelaan en de Zeedijk kenden de smalle doorgangen tussen de appartementsgebouwen.

‘Heb je sigaretten bij je?’

‘Ik denk het wel’, zei hij.

Van In en Versavel hadden zich verdekt opgesteld aan de oostkant van de Paravang vanwaar ze een heel stuk van de Franchommelaan in het oog konden houden. Er was alleen nog wat beweging in de cafés.

‘Hoe lang ben je van plan om hier te blijven staan?’ vroeg Versavel, die nog steeds het nut van de bizarre operatie niet inzag.

‘Dat zien we wel’, gromde Van In.

De kans was klein dat Louise haar schuilplaats zou verlaten, maar hij zou het zichzelf nooit vergeven dat hij niet alles in het werk had gesteld om haar te redden. Er waren al te veel slachtoffers gevallen.

‘Mooi is dat’, zuchtte Versavel.

‘Sst.’

‘Wat is er?’

‘Zie je die kerel daar?’

Hij wees naar de man die met grote passen langs de gevels liep.

‘Hij gaat een van de gebouwen binnen.’

‘En dan?’

Van In haalde een compacte kijker uit zijn binnenzak en richtte hem op de voordeur van het appartementsgebouw in kwestie. De man stond in de hal. Hij morrelde aan de deur. Van In stopte de kijker weg, gaf Versavel een teken dat hij moest meekomen en zette het op een lopen. Het was jaren geleden dat Versavel Van In nog had zien rennen. Hij rookte te veel en zijn conditie stond op een laag pitje. Toch had Versavel moeite om hem bij te houden. Ze waren op amper vijftig meter van het appartementsgebouw verwijderd toen de man weer naar buiten kwam. Hij had een sjaal om zijn hoofd die bijna de helft van zijn gezicht bedekte, maar nu zag Van In duidelijk dat het een Chinees was. Van In trok zijn wapen en schreeuwde ‘police hands up!’ Het klonk belachelijk. Panda draaide haar hoofd terwijl ze haar pistool tussen haar broekriem uit haalde. Tok, tok. De kogels boorden zich in de carrosserie van een geparkeerde auto. Van liet zich op zijn buik vallen, richtte en haalde de trekker drie keer na elkaar over. Het geknal alarmeerde de hele buurt. Twee cafégangers kwamen buiten kijken wat er aan de hand was. Panda greep een van hen vast en drukte haar pistool tegen zijn slaap. Van In, die het allemaal zag gebeuren, maar niets meer durfde te ondernemen, liet zijn wapen zakken terwijl hij zachtjes vloekte. Panda gebood hem in het Engels om op te staan en zijn pistool weg te gooien. Versavel stak ongevraagd zijn armen op.

‘Zie jij wat ik zie?’ mompelde hij tussen zijn tanden.

De sjaal was naar beneden gegleden. Panda zag er allesbehalve vrouwelijk uit in het pak van de oude man, maar zonder sjaal was er geen twijfel mogelijk: de moordenaar was een vrouw met hoge jukbeenderen en amandelvormige ogen die hen staalhard aankeken. De man die zij gijzelde, durfde zich niet te verroeren. Hij zag lijkbleek en hij was op slag ontnuchterd.

‘Je maakt geen kans’, zei Van In in het Engels.

Ze schudde zachtjes haar hoofd terwijl ze de man met zich meetrok. De witte bestelwagen stond een eindje verderop geparkeerd. Zelfs als ze erin slaagde hem te bereiken en weg te rijden, kon ze geen kant uit. De politie zou een massale klopjacht houden. Het was een kwestie van tijd voor ze haar te pakken kregen.

‘What’s your name?’

Van In keek om zich heen.

‘Yes you.’

Haar stem sneed als een scheermes. Niets wees erop dat haar zelfvertrouwen beschadigd was. Ze had zich in het verleden al menig keer uit een bijna hopeloze situatie weten te redden. En ze was getraind om door te gaan tot het uiterste. Opgeven stond gelijk met mislukken.

‘Ik heet Van In.’

‘Van Ien’, herhaalde ze bedachtzaam. ‘Come here.’

Tientallen bewoners hadden ondertussen de politie gebeld. Ze waren massaal uitgerukt. Het stond vol met politiewagens en het krioelde van de blauwe uniformen. Voorlopig durfde niemand iets te ondernemen, maar het zou niet lang duren voor elitetroepen de zaak kwamen overnemen. Ze had geen tijd te verliezen.

‘Closer.’

Ze duwde de gijzelaar weg en richtte haar pistool op Van In. Ze staken de straat over en liepen naar het parkeerterrein waar de bestelwagen stond. Ze gaf hem de sleutels.

‘Send them away’, beet ze.

Van In knikte, deed het portier open en ging achter het stuur zitten. Panda ging op de bank achter hem zitten. Hij voelde het koude staal van de geluiddemper in zijn nek. Toch maakte hij zich nog geen zorgen omdat hij wist dat ze hem geen haar zou krenken zolang ze hem nodig had. Het was alleen de vraag hoe lang ze hem nodig zou hebben die hem verontrustte. Hij dacht aan Hannelore en aan de kinderen en aan het leven dat ze samen hadden geleid.

‘Now’, snauwde ze.

Van In pakte zijn mobieltje en belde Versavel, die nog altijd voor het appartementsgebouw stond. Hij was omringd door agenten met kogelvrije vesten. De hele buurt was hermetisch afgesloten. Sommige bewoners hadden zichzelf in veiligheid gebracht en keken toe van achter het raam, maar de meeste waren op straat blijven staan.

‘Ze wil vrije doorgang’, zei hij in het Engels.

‘Dat had ik gedacht.’

‘Doe het nodige, Guido.’

‘Kan ik vrijuit spreken?’

‘Ik denk het wel.’

‘Probeer de lijn open te laten. Dan kunnen we meeluisteren.’

Van In deed alsof hij ophing en legde zijn mobieltje op de passagiersstoel. Panda reageerde niet.

‘Volgens mij hebben ze hem opgepakt’, zei Tom.

Ze hadden eerst de schoten gehoord en daarna de sirenes van de politiewagens. Louise keek hem vertwijfeld aan. Het kon best dat hij gelijk had en dat de kust veilig was, maar ze wilde hoe dan ook vermijden dat de politie haar tegenhield.

‘Mij kennen ze niet’, zei Tom, die best begreep waarom ze haar schuilplaats niet wilde verlaten.

‘Wees voorzichtig.’

Ze gaf hem een zoen op zijn mond en liet haar hand vluchtig langs zijn billen glijden. Tom kneep speels in haar borsten en sloop daarna langs de servitude naar de deur die uitkwam op de Franchommelaan. Niemand besteedde enige aandacht aan hem toen hij zich bij de honderden kijklustige toeschouwers voegde. Hij zag Van In en Panda langzaam voorbijrijden. Het leek een scène uit een dure actiefilm: Van In met een pistool in zijn nek, de politiewagens en de tientallen agenten die werkeloos moesten toekijken.

‘We kunnen beter terugkeren naar mijn appartement’, zei hij toen ze vroeg wat er aan de hand was. ‘Dat lijkt me veiliger.’

‘Via de fietsenberging.’

‘Liefst’, zei Tom, die nog altijd niet goed wist of het om een of twee moordenaars ging.

Ze liepen door het steegje naar de binnenplaats en vandaar via de kelder naar de trap. Het vervelende aan mobieltjes is dat ze meestal op een ongepast moment overgaan en ook dat ze tegenwoordig allemaal een ander oproepwijsje hebben, waardoor iedereen wel moet opkijken als er eentje begint te zingen. Dat van Tom zong There are nine million bigycles in Beijng. Hij keek op het schermpje voor hij opnam.

‘Verdorie, mijn baas.’

‘Wat ga je zeggen?’

‘Ik ben niet van plan om op te nemen’, zei hij.

Ze glimlachte. Het toeval had hen samengebracht, maar het zag ernaar uit dat ze de ware had gevonden. Hij hield tenminste woord. De meeste kerels die zij had gekend, hadden haar gouden bergen beloofd en rozen zonder doornen. Onnozelaars. Als het tijd was om hun beloftes in te lossen, leden ze allemaal aan geheugenverlies.

‘Dank je’, zei ze.

‘Waar kan ik je naartoe brengen?’ vroeg Van In toen ze de Brugsesteenweg insloegen.

Hij was benieuwd wat de Chinese van plan was. Het bleef een tijdje stil. Hij kon niet zien wat ze aan het doen was. Hij had haar alleen iets horen openritsen en nu hoorde hij haar tokkelen. Een laptop? Wat deed ze met een laptop? Het getokkel duurde ruim een minuut. Toen zei ze: ‘We gaan voorlopig nergens naartoe.’

‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg hij verbaasd.

‘Maak een rondje’, klonk het stug.

‘Een rondje.’

Van In reed tot aan de eerste rotonde en sloeg dan de richting van Zeebrugge in. Hij begreep er niets meer van. Wilde ze op die manier nagaan of ze gevolgd werden? Versavel zou geen risico nemen zolang hij wist waar ze zich bevonden. Het was natuurlijk de vraag hoe lang hij de operatie zou mogen leiden. Als de federale politie de touwtjes in handen nam, zouden ze zeer zeker een andere strategie volgen. Ze zouden hem proberen klem te rijden, maar dat wist de Chinese waarschijnlijk ook. De manier waarop ze de zaak aanpakte, bewees dat ze niet aan haar proefstuk toe was.

‘We zouden beter een tijdje onderduiken’, zei hij, luid genoeg dat Versavel het kon horen.

Er klonk gelach vanaf de achterbank, een schelle doordringende lach met een macabere ondertoon.

‘Wat stel je voor? Dat we een hotelkamer nemen?’

In andere omstandigheden had hij waarschijnlijk geglimlacht, maar na alles wat er gebeurd was wist hij dat hij de Chinese niet moest onderschatten. Ze was moordlustig, wreedaardig en ze had geen scrupules. In haar ogen was zijn leven minder waard dan dat van een straathond. Wat dreef haar toch? Wat was zo belangrijk dat zoveel mensen het met hun leven hadden moeten bekopen?

‘Ik wilde alleen maar helpen’, zei hij voorzichtig.

‘Waarom zou jij me helpen?’

‘Omdat ik bang ben.’

‘Woon jij alleen?’

‘Ja’, zei hij weer luid genoeg dat Versavel het kon horen.

‘Dan gaan we naar huis.’

‘Oké. Wat doe ik met de wagen?’

‘Ergens parkeren waar je collega’s hem niet onmiddellijk vinden’, zei ze.

‘Dat wordt moeilijk.’

‘Je vindt wel iets.’

De straatlantaarns in de Vette Vispoort wierpen een cirkelvormige lichtvlek op de afgesleten kasseien. Van In liep een meter voor Panda, die hem discreet onder schot hield. Ze had alleen een koffertje bij zich, en een pistool natuurlijk. Het was stil toen ze binnenkwamen. Er hing een merkwaardige rust in de keuken. Alles was netjes. Van In haalde opgelucht adem. Versavel had de boodschap begrepen en Hannelore tijdig kunnen waarschuwen.

‘Ben jij het, schat?’

De stem van Hannelore deed hem verstijven van angst. Hij draaide zich met een ruk om. Panda stond hem aan te grijnzen.

‘Er bestaan apparaatjes waarmee je mobieltjes kunt blokkeren’, zei ze. ‘Je vriend heeft maar een deel van het gesprek kunnen volgen. En terwijl we rondjes reden heb ik op het internet een foto gevonden waarop jij met je vrouw en je kinderen staat. Je hebt trouwens een knappe vrouw en schatten van kinderen. Het zou jammer zijn als hen iets overkomt.’

‘De kinderen logeren bij mijn moeder’, zei Hannelore.

‘Is dat zo?’

Panda gebood hen te gaan zitten, maar ze zei niets meer over de kinderen. Van In dacht koortsachtig na. Wat was de Chinese van plan? Hij achtte het weinig waarschijnlijk dat ze hen eerst zou vermoorden en daarna proberen te ontkomen. Ze konden beter afwachten en luisteren naar wat ze te zeggen had. Het kon bijna niet anders of ze had een plan bedacht.

‘Ga zitten.’ Panda gaf een teken met haar pistool dat ze aan de keukentafel moesten gaan zitten.

‘Wat is er in godsnaam aan de hand?’ Hannelore keek Van In wanhopig aan. Versavel had een halfuur geleden gebeld met de mededeling dat de Chinese Van In had gegijzeld, maar dat ze zich geen zorgen hoefde te maken.

‘Speak English’, klonk het kort.

Ze gingen zitten. Van In probeerde zich rustig te gedragen, terwijl zijn binnenste verscheurd werd door een gevoel van tomeloze onmacht. Hannelore kreeg vochtige ogen. Zij dacht alleen aan de kinderen die boven lagen te slapen.

‘We hebben niet veel tijd voor uw collega’s beseffen dat er een en ander niet klopt’, zei de Chinese. ‘Luister dus goed.’

Ze bleef een paar minuten ononderbroken aan het woord. Van In en Hannelore werden bleker naarmate haar verhaal vorderde.

‘Hebben jullie nog vragen?’

Ze staarden elkaar wezenloos aan terwijl ze zich afvroegen welk verdorven brein zo’n duivels plan kon bedenken.

‘Zoiets mag je niet eisen’, zei Van In met een gebroken stem.

‘Je denkt toch niet dat ik geloof dat je kinderen bij je schoonmoeder logeren?’

Ze wees met de loop van haar pistool naar de zoldering. ‘Zullen we samen een kijkje gaan nemen?’

‘Nee, laat maar.’

Panda glimlachte. Het plan was gewaagd, maar ze durfde er een eed op te doen dat de bleekscheet alles in het werk zou stellen om het te doen slagen. Ze hoefde alleen maar af te wachten. Het kwam allemaal in orde.

Van In keek op zijn horloge. Het was amper twee uur geleden dat de Chinese hem had gegijzeld en dat ze samen via Zeebrugge naar Brugge waren gereden, waar ze haar monsterlijk plan uit de doeken had gedaan. Daarna was hij de bestelwagen gaan ophalen en terug naar Blankenberge gereden, terwijl er in zijn binnenste een vernietigende oorlog woedde. De Chinese had hem voor een vreselijk dilemma geplaatst. Hij hield even halt bij de kerk van Uitkerke om na te denken over de afschuwelijke kwestie, maar na een sigaret hield hij het niet langer vol. Hij belde Versavel.

‘Eindelijk’, reageerde Versavel enthousiast toen hij vertelde dat hij op komst was. ‘Ik dacht al dat we je voorgoed kwijt waren.’

‘Maak je geen zorgen, Guido. Zeg me liever waar ik je kan vinden.’

‘Waar is de Chinese?’

‘Dat vertel ik je straks.’

Versavel drong niet aan omdat hij hoorde dat er iets mis was.

‘Oké’, zei hij. ‘Dan zien we elkaar straks. Ik ben in de Place To Be.’

‘Ik ben er over vijf minuten.’

Er stonden nog vier politiewagens in de buurt van de haven. Het zag er allemaal vredig uit, hoewel Versavel tweehonderd politiemensen van diverse korpsen had weten te mobiliseren. Ze stonden klaar om onmiddellijk tot actie over te gaan. De burgemeesters en de korpschefs van de omliggende gemeenten waren op de hoogte van de gijzelingsactie. Ze waren nu in spoedvergadering bijeen, samen met vertegenwoordigers van het ministerie van Binnenlandse Zaken en een aantal topmensen van de federale politie. Zelfs de premier was op de hoogte van wat zich in Blankenberge afspeelde. Het telefoontje van Van In zorgde bijgevolg voor heel wat opschudding. Iedereen wilde weten wat er gebeurd was.

‘Je ziet er niet uit’, zei Versavel.

Ze gingen aan de bar zitten. Van In bestelde een Duvel en stak een sigaret op. Er waren geen klanten meer, alleen flikken, en procureur Beekman natuurlijk. Hij bekeek Van In met een bezorgde blik.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij ongeduldig.

Hoewel er een massale politiemacht klaarstond om in te grijpen, hadden ze gewacht tot Van In iets van zich had laten horen. Er viel nu geen tijd meer te verliezen. De moorden hadden de buitenlandse pers gehaald. De regering stond onder druk. Niemand wilde dat België weer de risee van Europa werd. Justitie had de voorbije jaren al te vaak geblunderd. Het imago van België in het buitenland was de laatste tijd nog minder waard dan een aandeel van Fortis.

‘Ze heeft een handlanger gebeld’, zei hij. ‘En die is haar komen ophalen.’

‘Waarom heb je de telefoonverbinding verbroken?’ klonk het streng.

‘Dat heeft zij gedaan.’

‘Maar je hebt wel een beschrijving van de vluchtwagen?’

‘Het spijt me’, zei Van In.

Hij liet hen de rode striemen op zijn polsen zien.

‘Ze heeft me vastgebonden en een zak over mijn hoofd getrokken.’

‘Hoe ben je dan hier geraakt?’

‘Ik heb me weten los te maken’, zuchtte Van In.

Procureur Beekman schudde zijn hoofd. Ze waren terug bij af.

‘Hoe lang ben je daarmee bezig geweest?’

‘Een halfuur. Misschien iets langer.’

‘Ik neem aan dat je nog weet waar de wissel heeft plaatsgevonden’, zei Beekman.

‘Op de Brugsesteenweg, een paar kilometer voor Blankenberge.’

Beekman stond op en pakte een wegenkaart van België die op een tafel openlag. Hij trok een denkbeeldige cirkel.

‘Er zijn twee opties’, zei hij. ‘Of ze houden zich in de buurt schuil, of ze zijn het land al uit.’

Een ruwe berekening leerde dat er minstens vijfenveertig minuten verlopen waren sinds de handlanger de Chinese was komen oppikken. Nu nog wegversperringen laten aanbrengen was redelijk zinloos. Maar ze konden ook niet lijdelijk blijven toezien.

‘Het enige wat we kunnen doen is het nationale politie-alarm nog een paar dagen handhaven’, zei Beekman. ‘En Interpol op de hoogte brengen van de stand van zaken.’

Van In nam lusteloos een slok van zijn Duvel, terwijl hij zich afvroeg hoeveel alcohol hij zou nodig hebben om te doen wat steeds onvermijdelijker dreigde te worden. Beekman liet hem niet met rust.

‘Wat kwam die Chinese hier eigenlijk doen?’ vroeg hij scherp.

Het bleef stil. Van In staarde naar zijn glas. Versavel wilde iets zeggen, maar hij hield zich in. Als Van In de vraag van Beekman onbeantwoord liet, had hij daar een reden voor. Nu tussenbeide komen kon hem in de problemen brengen.

‘Maak me niet wijs dat jij niets wist’, vervolgde Beekman argwanend. ‘Anders had je hier niet op de uitkijk gestaan.’

Nu moest Van In wel iets zeggen.

‘We dachten dat het volgende slachtoffer zich in Blankenberge schuilhield’, zei hij. ‘Maar we hebben ons blijkbaar vergist.’

‘Dan heeft de Chinese zich ook vergist.’

‘Blijkbaar wel.’

Versavel sloeg zijn ogen op. Beekman zag ongeloof in zijn blik. Of was het verbijstering? Er klopte iets niet.

‘Ik bezorg u morgen een volledig verslag van de gebeurtenissen’, zei Van In. ‘Dan moet u zelf maar oordelen.’

Hij stak een sigaret op en bestelde een nieuwe Duvel. Zijn hoofd begon een beetje te draaien. Hij was moe en hij had de hele dag nog niets gegeten, maar het ergste was de stress die hem aan het opvreten was. Als hij er niet in slaagde Louise binnen vierentwintig uur te doden, gingen de kinderen en Hannelore eraan. De gedachte dat zoiets kon gebeuren dreef hem langzaam maar zeker tot waanzin. Hij pijnigde zijn hersens op zoek naar oplossingen, maar hij verwierp die een voor een wegens te riskant. Het huis laten bestormen door een antiterreureenheid was geen optie, het meisje doden evenmin. Of toch? Hoe kon hij met zoiets wegkomen? Niemand zou hem verdenken. Dat was een voordeel, en zonder vergelijkend materiaal kon de technische recherche niets bewijzen. Wat dat betrof zat het redelijk goed, maar dan moest hij het wel doen. De haartjes op zijn armen kwamen overeind. Iemand in koelen bloede vermoorden, hij kon zich geen ergere nachtmerrie voorstellen. Eén ding wist hij echter zeker: de Chinese zou niet aarzelen zijn gezin te doden als hij zich niet aan de afspraak hield.

‘Je zou beter naar huis gaan en in je bed kruipen in plaats van hier te blijven zitten en Duvels te hijsen’, zei Beekman.

Hij stond op en bekeek Van In met een meewarige blik. Ze werkten al bijna vijftien jaar samen, hij had hem nog nooit zo moedeloos gezien. Flikken stonden tegenwoordig onder grote druk. Ze mochten geen voet verkeerd zetten of het stond in de krant, en als ze dan toch een crimineel wisten te vatten was de kans groot dat een of andere dikbetaalde advocaat hem vrij kreeg vanwege een of andere stomme procedurefout.

‘Ik heb je misschien te hard aangepakt, Pieter’, zei hij. ‘Maar het zijn harde tijden. Ook voor mij.’

‘Harde tijden’, herhaalde Van In wezenloos. ‘Wat zijn harde tijden?’

‘Ik zorg er wel voor dat hij veilig thuiskomt, meneer de procureur’, zei Versavel.

Hij dacht voor een keer niet aan Luk, die al een paar keer had gebeld met de vraag waar hij in godsnaam bleef. Hij was zelfs bijna vergeten dat ze over een paar dagen gingen trouwen. Van In baarde hem zorgen. Er was iets mis met hem.

‘Zorg er dan ook voor dat hij niet te veel meer drinkt. En wat dat rapport betreft, overmorgen is ook goed.’

Beekman trok zijn jas aan, betaalde de rekening en nam met een knikje afscheid van zijn medewerkers. Het was een lange, bewogen dag geweest en het zou morgen wellicht niet beter worden. Hij had een afspraak met de minister van Binnenlandse Zaken en er was een persconferentie gepland.

‘Hou je haaks, vriend’, zei hij nog in het naar buiten gaan.

Panda was moe, doodmoe. Haar ogen vielen bijna dicht en haar spieren trilden als een aangeslagen snaar. Het pistool lag voor haar op de keukentafel. Doorgeladen, zodat ze het onmiddellijk kon gebruiken. Hannelore stond in de hoek van de kamer met haar handen op haar hoofd en haar gezicht naar de muur. De kinderen sliepen gelukkig nog. Haar kuitspieren en haar rug begonnen pijn te doen van het lange staan, maar dat vond ze niet zo erg. Ze maakte zich zorgen om wat er straks zou gebeuren als de kinderen wakker werden. Die gedachte groeide uit tot een obsessie naarmate de tijd voorbij kroop. Hoe laat was het nu eigenlijk? Ze probeerde in te schatten hoe lang ze hier al stond. Minstens een uur, wellicht twee. Ze hield het niet langer vol.

‘Can I ask you a question?’ vroeg ze met een benepen stemmetje.

Ze hoorde de Chinese ademhalen, maar er kwam geen antwoord op de vraag. Ze wachtte even en probeerde het dan opnieuw.

‘Het gaat over de kinderen’, zei ze zachtjes. ‘Als ze me hier zo zien staan, gaan ze heel lastig doen.’

‘Ik luister’, zei Panda, die ook al over de kwestie had nagedacht.

Hen nu doodschieten terwijl ze nog sliepen was eigenlijk het simpelst. Het nadeel was dat het dan bijzonder moeilijk zou worden de moeder nog onder controle te houden. Of ze moest haar eerst immobiliseren. En wie weet had ze hen nog nodig om de medewerking van de vader af te dwingen.

‘Laat me normaal doen’, zei Hannelore. ‘Dan maak ik hen wijs dat u een oude vriendin bent die me een bezoekje komt brengen.’

‘Een oude vriendin met een pistool’, reageerde Panda cynisch.

‘Daar bedenk ik wel een oplossing voor.’

Het was een redelijk voorstel. Panda wierp een blik op haar horloge. Het was vijf over vier.

‘Hoe laat staan de kinderen op?’

‘Om zeven uur, maar het gebeurt wel vaker dat ze vroeger wakker worden. En als ze dan merken dat het licht brandt in de keuken, komen ze gegarandeerd naar beneden.’

Zo was het niet. Het kostte Hannelore iedere ochtend de grootste moeite om hen wakker te krijgen, en het was nog nooit gebeurd dat ze opstonden als het licht beneden brandde, maar dat kon de Chinese niet weten.

‘We zien wel’, zei Panda.

‘Hoe lang kennen we elkaar nu al?’ vroeg Versavel.

Van In had net weer een Duvel besteld en een sigaret opgestoken. Zijn gezicht was asgrauw, maar zijn handen trilden niet toen hij zijn glas naar zijn mond bracht.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat het niet goed met je gaat.’

‘Je hebt Beekman toch gehoord. Het zijn harde tijden.’

Versavel wenkte de kelner, die met slaperige ogen een glas stond schoon te maken en bestelde twee koffie.

‘We hebben al slechtere tijden meegemaakt’, zei hij. ‘Weet je nog dat…’

Van In onderbrak hem met een wegwerpgebaar. Zijn ogen vonkten, zijn onderlip trilde.

‘Jij misschien, maar ik niet.’

Hij spoog het eruit als een kwak braaksel. Zijn verwilderde blik duldde geen tegenspraak. Het leek of hij plotseling veranderde van Jekyll in Hyde. Hij greep Versavel bij de pols en kneep hem bijna tot moes.

‘Zeg het dan toch, Pieter. Wat is er in godsnaam gebeurd? Je denkt toch niet dat ik je verhaal geloof.’

Van In wilde een slok Duvel nemen. Versavel hield hem tegen. Toen begon hij te huilen als een klein kind. Zijn lichaam schokte. Hij loste zijn greep.

‘Ik mag niets vertellen, Guido’, snotterde hij.

Versavel merkte dat de kelner dichterbij schuifelde. Het was duidelijk dat hij aan het meeluisteren was.

‘Laten we naar huis gaan’, zei hij. ‘Je kunt me alles rustig vertellen in de auto.’

De schuimende branding stak helder af tegen de donkere hemel. Het geruis van de aanrollende golven gaf de nacht een serene toets. Ze gingen op een bank zitten. Van In stak een sigaret op en vertelde wat hem overkomen was. Versavel luisterde zonder hem ook maar één keer te onderbreken, terwijl de onrust als een kankergezwel in een buik groeide. Snel en nietsontziend.

‘Hoeveel tijd hebben we nog?’ vroeg hij.

‘Te weinig, Guido. Ik kan het gewoon niet.’

Hij nam twee trekken en gooide de halfopgerookte sigaret met een boogje in het zand.

‘Toch moeten we een oplossing vinden. We hebben steeds een oplossing gevonden. Voor om het even welk probleem.’

‘Mijn gezin is niet om het even welk probleem.’

‘Er bestaan speciale technieken om dat soort mensen uit te schakelen’, zei Versavel.

‘Alsof ik daar nog niet aan gedacht heb.’

‘Waar is het meisje nu?’

‘In een flat hier in de buurt.’

‘Weet je dat zeker?’

‘De Chinese heeft een zendertje in haar koffer verstopt toen ze zich schuilhield in het appartement dat Bombé voor haar had geritseld.’

Versavel haalde diep adem. Hij had er alles voor over om zijn vriend te helpen. Hannelore en de kinderen lagen hem na aan het hart. Hij kon zich niet voorstellen dat hij hen zou moeten missen.

‘Dan zullen we haar erbij moeten betrekken’, zei hij. ‘Tenzij je natuurlijk…’

Hij maakte de zin niet af omdat hij niet wist hoe hij zou reageren als Van In besliste de opdracht toch uit te voeren. Was hun vriendschap een onschuldig mensenleven waard? Hij liet die realiteit goed tot zich doordringen voor hij een keuze maakte.

‘Ik steun iedere beslissing die jij neemt’, zei hij met een prop in de keel. ‘Maar laten we eerst nog eens diep nadenken voor we iets doen dat onomkeerbaar is.’

Van In sloeg zijn arm om zijn schouder. Zijn ogen werden weer vochtig.

‘Wat er ook gebeurt, dit vergeet ik nooit, Guido.’

Versavel kon zich niet langer beheersen. Hij liet zijn tranen de vrije loop. Ondertussen tikte de tijd gestaag door.





15


Het frêle stemmetje van Katie Melua haalde Tom uit een diepe slaap. Hij reikte half versuft naar zijn nachttafeltje, waar zijn mobieltje There are nine million bicycles in Beijng zong, en drukte uit pure gewoonte op het groene hoorntje.

‘Hallo.’

‘U spreekt met commissaris Van In’, klonk het droog. ‘Mag ik even met Louise Demeester spreken?’

Tom vroeg zich niet af hoe de politie erachter was gekomen dat Louise bij hem was. Hij knipte het nachtlampje aan en porde haar zachtjes aan. Ze realiseerde zich eerst niet goed wat er aan de hand was. Het leek een boze droom waaruit ze langzaam ontwaakte. Ze knipperde met haar ogen tegen het striemende licht en keek hem daarna verdwaasd aan.

‘Heb je weer zin?’ vroeg ze met een scheve glimlach.

‘Het is de politie.’

‘De wat?’

Ze veerde overeind als een mummie in een griezelfilm. Met opengesperde ogen. Stokstijf. Terwijl de woorden tot haar doordrongen. Politie. Waar was ze? Ze draaide haar hoofd. Tom keek haar met enige verbazing aan.

‘Een zekere commissaris Van In’, zei hij.

Ze nam het mobieltje aan dat hij haar aanreikte. Haar hart klopte in haar keel. In haar hoofd zag ze beelden van een kale cel en de geschoren koppen van sadistische lesbische bewakers die haar wellustig begluurden. Ze sloeg de donsdeken om zich heen.

‘Spreek ik met Louise Demeester?’

De stem klonk niet onvriendelijk, meer wanhopig en hulpeloos. In ieder geval niet zoals ze zich de stem van een commissaris had voorgesteld. Nu zag ze hem weer voor zich. Een morsige man met een gekreukt overhemd en een melancholische blik.

‘Commissaris Van In’, zei ze onnozel. ‘We hebben elkaar al eens ontmoet.’

‘Ik wil je dringend spreken, Louise. Het is een kwestie van leven of dood. En probeer alsjeblieft niet te vluchten. Het gebouw is omsingeld. Voor je eigen veiligheid. Niemand zal je kwaad doen.’

Zijn stem kalmeerde haar. Een commissaris deelde normaal bevelen uit of hij snauwde. Van In had iets vaderlijks. Ze glimlachte. Tot grote verbazing van Tom.

‘Mogen we naar boven komen?’

‘Ze willen naar boven komen’, zei ze tegen Tom.

Hij ging op de rand van het bed zitten, trok een spijkerbroek en een T-shirt aan en liep gehoorzaam naar de hal waar de deurtelefoon hing.

‘Kom maar’, zei ze. ‘Mijn vriend laat u zo binnen.’

Ze kleedde zich haastig aan in de badkamer. Het was dus toch geen droom. Ze zag zichzelf in de spiegel. Een beetje make-up en ze was klaar. Van In en Versavel zaten op de bank toen ze vijf minuten later de woonkamer binnenkwam. Ze keek door het raam naar buiten. Het was nog nacht.

‘We hebben je hulp nodig, Louise’, zei Van In.

‘Hulp. Ik dacht dat jullie me kwamen arresteren.’

Tom zette een thermoskan met koffie en vier kopjes op het salontafeltje en stak een sigaret op. Van In volgde zijn voorbeeld. De eerste trek deed hem hoesten. Zijn longen deden pijn, maar hij slaagde er nog in te glimlachen.

‘Ik zal je eerst vertellen wat er aan de hand is’, zei hij. ‘Dan begrijp je waarom ik jouw hulp nodig heb.’

Ze ging met opgetrokken knieën tegenover hem zitten, terwijl Tom koffie inschonk. Iedereen keek bijzonder ernstig. Toen stak Van In van wal. Hij vertelde het hele verhaal vanaf het begin. De aanranding in het park, de mysterieuze dood van Yang Yunxiang, de moord op Kira en op meneer Deng, het contract tussen Wulong Zhang en Johan Cosyns, de moord op meneer en mevrouw Bombé, de geheimzinnige brief waarin stond dat het allemaal om haar draaide en ten slotte de Chinese vrouw die zijn gezin dreigde om te brengen als hij er niet in slaagde haar te doden. In het begin luisterde ze met ingehouden adem, maar ze werd steeds banger naarmate het verhaal vorderde. Toen het eindelijk afgelopen was, zag ze behoorlijk bleek.

‘Hoe kan ik jou in godsnaam helpen?’ vroeg ze verschrikt.

‘Ik vraag je niet om te sterven’, suste Van In.

‘Natuurlijk’, reageerde ze geschrokken. ‘Maar wat kunnen we doen?’

‘Meewerken. Ik wil weten waarom ze jou beslist dood willen.’

Ze nam een slok van de koffie die ondertussen lauw was geworden. Vluchten kon niet meer, ze kon alleen de schade proberen te beperken. Ze wierp een steelse blik naar haar nieuwe vriend, met wie ze de rest van haar leven wilde delen. Hij gaf haar een goedkeurende blik.

‘We kunnen beter met een schone lei beginnen’, zei hij.

‘Dan moet de commissaris beloven dat hij me niet zal vervolgen.’

‘Waarom zou ik je vervolgen?’

Ze aarzelde. Tom haalde haar over de streep met het argument dat hij met haar wilde trouwen als alles achter de rug was. Toen biechtte ze alles op.

‘Chinezen kunnen niet tegen gezichtsverlies’, zei ze. ‘Dat heb ik geleerd toen ik de eerste keer in China verbleef. En ze zijn tot alles bereid om te vermijden dat hun naam door het slijk wordt gehaald. Wulong Zhang en Yang Yunxiang waren minnaars en dat mocht niemand weten. Ik heb hen toevallig bezig gehoord in de lobby van het Dukes’ Palacehotel. Eerst hadden ze het over het contract en daarna over hun verboden liefde. Toen ze daarna samen naar boven gingen, heb ik alles opgenomen met mijn mobieltje.

‘Daar heb je munt uit proberen te slaan.’

Ze glimlachte ietwat verlegen.

‘Ik wilde Miss Flanders worden’, zei ze.

‘En dat kost geld?’

‘Inderdaad, commissaris. Bombé heeft me zelfs aangemoedigd om hen te chanteren. Hij zei dat ik met een bijdrage van vijftigduizend euro heel hoog zou scoren, maar dat is zoals u weet anders afgelopen.’

‘Omdat Bombé met Kira rotzooide?’

Ze knikte.

‘Maar de Chinezen hebben wel betaald?’

‘Yunxiang wilde eerst wel betalen, maar Zhang weigerde. Daarom heb ik me tot meneer Cosyns gewend.’

‘Ach zo.’

Het werd Van In allemaal duidelijk. Wulong betekende ‘strijdlustige draak’ en stond op de rug van Yang Yunxiang geen draak met een hartje in zijn klauwen getatoeëerd? Alle stukken vielen netjes op hun plaats. Louise had Wulong Zhang en Yang Yunxiang proberen te chanteren, maar daar waren ze niet op ingegaan. Yang Yunxiang had de schande proberen uit te wissen. Hij had zich vergist doordat Kira, die toevallig ook in het hotel was, en Louise heel erg op elkaar geleken. Cosyns, die als de dood was dat hij het contract met de Chinezen zou missen, had wel betaald. Yang Yunxiang had de schande nu proberen uit te wissen door zelfmoord te plegen. Pas toen had Wulong Zhang een professionele huurmoordenaar in de arm genomen, een Chinese vrouw die er nu mee dreigde zijn gezin uit te moorden.

‘Nu weten we ook wie de geheimzinnige briefschrijver was’, zei Van In.

‘Cosyns’, zei Versavel, die dezelfde gedachtegang had gevolgd.

‘Arme Kira’, zuchtte Van In. ‘Zij heeft haar gelijkenis met jou duur moeten betalen.’

‘Ik weet het.’

De Chinese huurmoordenaar had zich eerst laten leiden door de informatie die ze van Wulong Zhang had gekregen en dezelfde vergissing gemaakt als Yang Yunxiang. Ze had haar fout pas ingezien nadat ze Kira had gemarteld en bleek dat ze niets van de hele zaak afwist. Louise sloeg haar ogen neer.

‘Het spijt me’, zei ze. ‘Indien ik had geweten dat ze zo ver zouden gaan, had ik contact met jullie opgenomen.’

‘Daarvoor is het nu te laat’, zei Van In. ‘Ik wil mijn gezin redden.’

‘Op mij kun je in ieder geval rekenen, commissaris.’

Ze sloeg haar ogen op en keek hem recht in de ogen. Ze besefte hoeveel ellende ze had aangericht.

‘Oké’, zei Van In.

Hij hoefde niets meer te zeggen. Versavel wist wat hem te doen stond. Ze hadden alles vooraf besproken. Luk wachtte beneden in de auto. Hij had alles bij zich om de moord in scène te zetten.

‘Maakt uw vriend echt films?’ vroeg de kelner.

‘Hij doet de make-up’, zei Versavel.

Hij noemde een resem titels op van producties waaraan Luk had meegewerkt. Het was een indrukwekkende lijst. Zelfs Van In was onder de indruk.

‘Ik wist wel dat hij bij een paar buitenlandse producties betrokken was geweest, maar je hebt me nooit verteld dat hij nog voor Scorsese heeft gewerkt.’

‘Dat komt omdat wij twee bescheiden jongens zijn’, zei Versavel met een uitgestreken gezicht.

‘Laten we hopen dat het lukt.’

Van In stak zenuwachtig een sigaret op. De moord in scène zetten was riskant, maar het was de enige manier om het dilemma op te lossen. Ze hadden bovendien maar één kans om het te proberen, want Luk beschikte maar over voldoende materiaal voor één poging.

‘Daar is hij.’

Versavel begroette zijn vriend met een zoen en een schouderklopje. Het lot van Hannelore en de kinderen lag nu in zijn handen.

Luk zette zijn koffertje op tafel en klapte het open. Er zat een soort harnas in dat Louise straks onder haar kleren zou moeten dragen en dat haar zou beschermen tegen de impact van de kleine ontploffingen.

‘Kunt u uw bloes even uittrekken, juffrouw?’ vroeg hij.

Louise wierp een wanhopige blik naar haar vriend. Ze had al vaak topless gestaan met mannen in de buurt, maar toen had ze nog geen vriend.

‘Momentje. Ik ga eerst een beha aantrekken.’

Dat hoeft niet, wilde Van In zeggen, maar hij slikte zijn woorden net op tijd in. Het was niet het moment om grapjes te maken. Hij had ook wroeging dat hij aan de borsten van een andere vrouw had gedacht terwijl Hannelore en de kinderen door een meedogenloze moordenaar werden gegijzeld.

‘Kunt u ook nog een paar andere bloezen meebrengen?’ riep Luk haar na. ‘Liefst loszittende modellen. Zo valt het harnas minder op.’

Het duurde een halfuur voor hij de kleine springladingen, de zakjes met nepbloed en de ontstekingen op het harnas had bevestigd. Louise deed het om en paste een felgekleurde bloes.

‘Heb je niets effen?’

‘Is die niet goed dan?’

‘Te druk’, zei Luk. ‘Op een effen stof valt het nepbloed beter op.’

‘Heb je de camera getest?’

‘De camera werkt’, zei Versavel.

‘Oké. Eerste repetitie.’

Van In haalde diep adem. Louise stond voor hem. Met grote ogen. Hij richtte zijn pistool op haar borst en haalde de trekker drie keer over. Klik, klik, klik. Louise zette een stap achteruit, wankelde en zakte door haar knieën terwijl ze naar haar borst greep.

‘Niet slecht’, zei Luk. ‘Laten we het nog een keer proberen.’

Ze moesten het vier keer overdoen voor hij tevreden was. Toen ze zich opstelden voor de definitieve opname was de spanning te snijden. De drie schoten klonken oorverdovend in de krappe ruimte. Louise speelde haar rol met verve. De springladingen deden hun werk voortreffelijk. Het bloed gulpte eruit. De camera zoemde in toen ze op de grond lag. Het leek een perfecte opname, maar toen ze hem later bekeken op het televisiescherm, zagen ze dat het toch was misgelopen.

‘Verdomme’, vloekte Van In.

‘Het is mijn schuld’, zei Luk.

Hij had de tweede springlading te vroeg laten ontploffen. De zogenaamde impact van de kogel was er eerder dan het schot.

‘Misschien merkt ze het niet’, probeerde Versavel hen te troosten.

‘Dat risico kunnen we niet nemen’, zei Van In hoofdschuddend.

‘Kunnen we het echt niet meer overdoen?’ vroeg Louise.

‘Nee’, zei Luk. ‘Het waren de laatste ontstekingen.’

‘We kunnen toch andere kopen?’

‘Die dingen worden in Spanje gemaakt. Het duurt minstens twee dagen voor ik ze toegestuurd krijg.’

‘Misschien bij collega’s’, opperde Versavel.

‘Die kans is klein’, zei Luk. ‘Maar ik wil het proberen.’

Er lag een rode loper op de oprit van het gebouw van de mbz en de hal was opgefleurd met groene planten. Johan Cosyns droeg een donkergrijs pak en een oranje das. Hij stond naast de minister van Verkeer. Burgemeester Moens was in een druk gesprek gewikkeld met de gouverneur. Ze waren alle vier duidelijk opgewonden. Dit was een historische dag voor Brugge en voor de haven van Zeebrugge. Een legertje persfotografen stond klaar bij de ingang. Iedereen wachtte op het moment dat de wagen van Wulong Zhang het terrein zou oprijden. Alles was klaar voor het grote feest.

‘Daar is hij’, zei Cosyns tegen de minister. ‘Precies op tijd.’

De smaragdgroene Rolls Royce reed geluidloos voor en stopte voor de rode loper. Een man met een pet op sprong uit de wagen en deed het achterportier open zodat meneer Wulong Zhang kon uitstappen. De Chinees droeg een zijden pak en blinkende gelakte schoenen. Een medewerker die bij hem in de auto zat, reikte hem een aktetas aan. De minister liep de hoge gast tegemoet. Ze drukten elkaar de hand en liepen lachend naar de rest van de delegatie. Alles verliep vlekkeloos. In de conferentiezaal hingen Chinese en Belgische vlaggen en er stonden fraaie bloemstukken op de tafels. Er werden toespraken gehouden en toosten uitgebracht. De koks van het cateringbedrijf haastten zich om alles op tijd klaar krijgen. Om tien voor zes werd het contract ondertekend. De ceremonie duurde amper vier minuten. Vier minuten. Het had Cosyns bloed, zweet en tranen gekost om de zaak rond te krijgen. Het was zijn levenswerk. Een miljoen containers per jaar, dat waren er bijna drieduizend per dag. Hij kon het zich nog niet goed voorstellen.

‘Jo De Ryck van Het Nieuwsblad. Mag ik u een paar vragen stellen?’

Cosyns keek op.

‘Natuurlijk’, glimlachte hij.

‘Wat betekent zo’n contract voor de haven van Zeebrugge?’

‘Hoe zou uw hoofdredacteur reageren als uw krant morgen het dubbele aantal lezers zou hebben?’

‘Ik zou waarschijnlijk een loonsverhoging krijgen’, zei De Ryck. ‘Het is dus werkelijk zo groots?’

‘Dat kunt u zeggen’, glunderde Cosyns. ‘En het is nog niet alles. Meneer Wulong Zhang en ik hebben nog grote plannen.’

‘Nog meer containers of nog meer doden?’ vroeg De Ryck. ‘Of houdt niemand zich daar nog mee bezig?’

Cosyns verkilde. Hoe was de pers in hemelsnaam aan de weet gekomen dat er een verband was tussen het contract en de moorden? Hoeveel wist De Ryck?

‘Zegt de naam Louise Demeester u dan niets?’

‘Zou die naam me iets moeten zeggen?’

‘Ik denk het wel’, zei De Ryck, die nu zeker wist dat hij het bij het rechte eind had.

‘Kunnen we daar niet een andere keer over spreken? Onder vier ogen. Als u begrijpt wat ik bedoel.’

‘U probeert me toch niet om te kopen, meneer Cosyns?’

‘Omkopen is een groot woord, meneer De Ryck, maar ik weet zeker dat ik over overtuigende argumenten beschik om u van mening te doen veranderen. Wanneer kunnen we afspreken?’

Er ontstond plotseling commotie bij de andere persjongens toen het bericht binnenkwam dat commissaris Van In zich twintig minuten geleden te pletter had gereden tegen een boom op de weg van Blankenberge naar Brugge. Volgens de ene bron was hij op slag dood geweest, een andere beweerde dat hij met zware verwondingen was overgebracht naar het az Sint-Jan. Het nieuws sloeg in als een bom. Burgemeester Moens belde onmiddellijk de hoofdcommissaris, die het bericht bevestigde. Een cameraploeg van de regionale zender vertrok in allerijl naar de plek van het ongeluk.

Simon en Sarah zaten al sinds vanochtend in de salon televisie te kijken. Hannelore had ze een uitstapje naar Disneyland beloofd als ze braaf bleven zitten tot papa thuiskwam. Zij en Panda hadden de hele dag in de keuken doorgebracht. Ze hadden amper een paar woorden met elkaar gewisseld. Om twaalf minuten over vijf werd er gebeld. Hannelore keek naar Panda en fluisterde dat de kinderen het vreemd zouden vinden als ze niet opendeed. De Chinese stak haar pistool in een papieren zak en ging in de salon bij de kinderen zitten.

‘Je krijgt twee minuten om ze weg te sturen’, siste ze.

Hannelore schrok toen ze de voordeur opendeed en een collega van Van In herkende, een jonge kerel die net tot hoofdinspecteur was gepromoveerd.

‘U zult een andere keer moeten terugkomen’, zei ze. ‘Van In is er niet.’

‘Dat weet ik’, klonk het triest. ‘Mag ik even binnenkomen?’

Ze schudde hevig haar hoofd.

‘Sorry, maar ik heb echt geen tijd.’

‘U weet het dus nog niet.’

‘Wat weet ik nog niet?’

‘Dat Pieter dood is.’

‘Pieter wie?’

‘Pieter Van In, mevrouw. Uw man. Hij heeft een auto-ongeluk gehad.’

Hannelore zocht steun aan de deurknop. Haar spieren verslapten. Ze zag alleen nog de muur voor haar. Schimmig wit. Ze moest aan de kinderen denken. Hoeveel tijd had ze nog? Twee minuten. Straks waren de kinderen ook dood. Ze zette een stap achteruit en gooide de deur dicht. De televisie stond nog aan.

‘Mama.’

Ze herkende de stem van Simon. Hij leefde nog. Ze wankelde naar binnen. Panda stond in de deuropening. Met gefronste wenkbrauwen.

‘My husband is dead’, zei Hannelore.

‘Wat zeg je, mama?’

‘Ik zeg aan mevrouw dat papa later thuiskomt.’

Ze probeerde opgewekt te klinken, maar haar stem trilde. Er kwam een waas voor haar ogen en ze moest weer steun zoeken. Ze pakte de rand van de tafel vast. Panda kwam bij haar staan.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze.

Hannelore liet zich neerzakken op een stoel. Ze moest flink blijven. De kinderen mochten niets vermoeden. Nu nog niet.

‘Zeg dan toch iets.’

‘My husband is dead’, herhaalde Hannelore wezenloos. ‘He crashed with his car.’

‘Are you sure?’

Hannelore keek op. Waarom zou een collega komen melden dat Van In dood was? Welke ziekelijke geest kon een dergelijke flauwe grap bedenken? Waar was Versavel? Van In reed nooit alleen met de auto. Was hij ook dood? Of gewond? Ze had het moeten vragen.

‘Can I make a call?’

Panda beantwoordde de vraag niet onmiddellijk. Als Van In dood was, zou de situatie onhoudbaar worden. Hannelore zou gebeld worden en bezoek krijgen van familie en vrienden. Wat moest ze doen? Zich met de kinderen opsluiten in een van de slaapkamers en Hannelore dwingen iedereen weg te sturen? Nee. Ze moest zo snel mogelijk Antwerpen zien te bereiken, waar een containerschip van Shanghai Shipping op haar lag te wachten.

‘Wie wil je bellen?’ vroeg ze.

‘De vriend van mijn man.’

‘Wat wil je hem vragen?’

‘Ik wil weten of het waar is dat mijn man dood is.’

Panda dacht even na.

‘Oké’, zei ze. ‘Maar ik wil dat je eerst opschrijft wat je gaat zeggen en je mag alleen zeggen wat je opgeschreven hebt.’

‘Ik zal mijn best doen’, zei Hannelore.

Ze liep naar de keukenkast en pakte pen en papier. Hallo, schreef ze. Ik ben het, Guido. Vertel me alsjeblieft wat er gebeurd is en ook: Wil je me nu even alleen laten, voor het geval hij zou vragen om langs te komen.

‘En nu in het Engels’, zei Panda.

Hannelore vertaalde de tekst letterlijk. Panda las het. Het klonk logisch.

‘Denk aan de kinderen’, zei ze.

Hannelore pakte haar mobieltje en tikte Guido V. in.

‘Hallo. Ik ben het, Guido. Vertel me alsjeblieft wat er gebeurd is’, snikte ze.

‘Ik wilde je net bellen’, zei Versavel.

Het bleef stil. Hij hoorde haar alleen ademen.

‘Ik weet zelf niet wat er gebeurd is. Pieter is zonder iets te zeggen weggereden. Een halfuur later kreeg ik het bericht dat hij tegen een boom was gereden. Het spijt me, Hanne.’

Zijn stem stokte.

‘Wil je dat ik even langskom?’

‘Nee’, zei ze. ‘Ik wil nu even alleen zijn.’

‘Dat begrijp ik’, zei Versavel. ‘Ik wil je alleen nog zeggen dat de regionale omroep beelden heeft gemaakt van het ongeval. Het is beter dat je het op voorhand weet.’

Ze zei niets.

De nieuwslezer keek haar door het scherm aan terwijl hij verslag uitbracht van het tragische ongeluk. De Golf was zwaar beschadigd. De neus was volledig in de prak en de brandweer had het zij portier moeten weghalen om Van In uit het wrak te halen. De telefoon had het voorbije uur niet stilgestaan, maar ze had geen toestemming gekregen om op te nemen. Toen had ze hem uitgeschakeld.

‘Komt papa nog terug?’ vroeg Sarah.

‘Ik denk het niet’, zei Hannelore.

‘Waarom niet?’

‘Omdat hij dood is’, zei Simon.

‘Is dat zo erg dan?’ wilde Sarah weten.

Kinderen associeerden de dood met niet meer bewegen of met iets ergs dat misschien nog goed kwam. Ze zouden pas veel later beseffen dat papa echt dood was. Een reclamespotje over Disneyland deed hen het slechte nieuws even vergeten. Ze maakten volop plannen.

‘Laat de kinderen gaan’, zei Hannelore toen ze met Panda weer in de keuken was. ‘Zij kunnen u niet verraden.’

‘Nee, dat is waar.’

Na wat er gebeurd was, kon ze Hannelore en de kinderen niet langer van de buitenwereld afschermen. Er zat niets anders op dan hen te doden. Hannelore leek haar gedachten te raden.

‘Ik kan u helpen’, zei ze.

Ze legde uit dat ze onderzoeksrechter was en door haar functie over heel wat macht beschikte.

‘Niemand zal ons een strobreed in de weg leggen.’

Panda wierp een blik op haar horloge. Het was tien over zes. Het contract was ondertekend, dat hadden ze ook op de televisie laten zien. Wulong Zhang was op weg naar de luchthaven. Zijn vliegtuig vertrok om halftien. De dood van Hannelore en de kinderen hadden bijgevolg nog weinig zin.

‘Wat stel je voor?’ vroeg ze.

Hannelore kreeg een warm gevoel vanbinnen, ondanks het verdriet dat haar verscheurde.

‘Ik kan u een andere identiteit geven’, zei ze. ‘En met u meereizen naar een land waar u zich veilig voelt.’

‘Beschikt u over die bevoegdheid?’

‘In België is de macht van een onderzoeksrechter in functie bijna onbeperkt’, zei Hannelore hoopvol.

‘Wat doen we met de kinderen?’

‘Ik kan mijn moeder bellen en vragen dat ze naar hier komt.’

‘Dan moet u haar ook vertellen wat er aan de hand is’, zei Panda. ‘Uw moeder moet weten dat haar dochter sterft als ze haar mond voorbijpraat.’

‘Mijn moeder is een verstandige vrouw.’

Hannelore stond op. Het duizelde haar. Haar spieren leken verzuurd en haar nek was verkrampt. Er lag nog een pakje sigaretten op de koelkast, een reservepakje voor het geval hij ’s avonds zonder viel. Ze scheurde het open en stak er een op. Als een soort van eerbetoon. De rook prikte in haar ogen. Ze traanden.

‘We kunnen beter iets eten voor we vertrekken’, zei ze.

Panda keek haar wantrouwig aan. Ze voelde zich niet prettig in het gezelschap van een sterke vrouw.

‘Waarom ook niet’, reageerde ze een beetje plompverloren.

‘Ik bel eerst mijn moeder. Zo hebben we rustig de tijd om iets te eten. Wilt u dat ik het eerst opschrijf?’

‘Nee’, zei Panda. ‘Ik geloof je.’

Versavel trok het rubberbootje tegen de kademuur en maakte het vast met een touw. Hij droeg een zwarte overall en zijn gezicht was zwart gemaakt, net als dat van de drie mannen die hem vergezelden. Het water in de gracht werd weer rimpelloos. Hij keek naar boven. Er brandde licht in de keuken, maar gelukkig waren de gordijnen dicht. Niemand sprak een woord. Versavel trok zich op en klauterde over de kaaimuur. De mannen in de boot volgden zijn voorbeeld. Ze slopen naar de achterdeur. Versavel wist bijna zeker dat die niet gesloten was. Waarom zouden ze de achterdeur afsluiten? De tuin liep evenwijdig met de gracht. Zonder boot kwam je er niet in. Klik. De deur zwaaide open. Ze glipten naar binnen en wachtten. Buiten had een speciaal interventieteam postgevat met een infraroodcamera en zij hadden er ook een meegebracht. De camera’s registreerden temperatuurverschillen, waarmee ze door de muren heen beelden van levende wezens konden maken. Hannelore was een stuk groter dan de Chinese en Versavel kende haar silhouet. Ze zouden pas tot actie overgaan als ze er zeker van waren dat Hannelore en de kinderen zich in een andere ruimte bevonden dan Panda. Niemand kon echter voorspellen hoe lang het zou duren voor ze hen even alleen liet, ze wisten zelfs niet of het überhaupt zou gebeuren. Ze konden alleen afwachten en hopen dat de aandacht van de Chinese in de loop van de nacht een ogenblik verslapte.





16


‘Mevrouw Martens heeft haar moeder gebeld’, zei Dirk Bruynzeel.

Bruynzeel leidde een speciale antiterreureenheid van de federale politie. Hij beschikte over tweeëndertig manschappen die een opleiding hadden gevolgd bij de sas, het elitekorps van de Britse commando’s. Ze hadden de modernste communicatieapparatuur en waren tot de tanden gewapend. Het had moeite gekost om het team te mobiliseren en Van In had lang geaarzeld voor hij de knoop had doorgehakt, maar zoals de zaken ervoor stonden had hij geen andere keus. Hij wist alleen nog niet hoe ze de zaak zouden aanpakken. Het huis bestormen was een risicovolle operatie. Bruynzeel had hem verzekerd dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, maar het ging verdomme wel over zijn vrouw en over zijn kinderen.

‘En?’

‘Ik heb haar nu aan de lijn, commissaris.’

Van In drukte zenuwachtig zijn sigaret uit en nam met een bezorgd gezicht de telefoon aan.

‘Hallo, Thérèse.’

Zijn schoonmoeder was een lieve vrouw met wie hij goed kon opschieten. Ze was ook de enige van de familie die wist dat hij zijn dood zelf in scène had gezet. Na de mislukte opname die als bewijsmateriaal had moeten dienen dat hij Louise vermoord had, was het de enige oplossing die hij had weten te bedenken. Als de Chinese dacht dat hij dood was, had ze geen enkele reden meer om zijn gezin uit te moorden. Het was een gok, maar hij had niets beters kunnen verzinnen. Nu leek het erop dat hij de juiste beslissing had genomen. Dat Hannelore toestemming had gekregen om haar moeder te bellen bewees dat de zaak een andere wending aan het nemen was. Dat hoopte hij tenminste.

‘Hanne vraagt of ik op de kinderen wil komen passen.’

‘Heeft ze ook gezegd waarom?’

‘Nee. Ze zei alleen dat het dringend was.’

‘Hoe klonk ze?’

‘Dat wil je niet weten, jongen.’

Thérèse had van haar hart een steen moeten maken om haar dochter in het ongewisse te laten en niet te laten doorschemeren dat Van In nog leefde.

‘Probeer de kinderen af te zonderen’, zei hij.

‘Ik zal mijn best doen.’

‘Dank je, mama.’

Ze schrok, omdat hij nog nooit mama tegen haar had gezegd.

Thérèse stapte met een bang hart door de Vette Vispoort, die er akelig verlaten uitzag, maar dat was schijn. Op de omliggende daken hielden vier scherpschutters de steeg met nachtkijkers in de gaten. Bel me als je aan de voordeur staat, had Hannelore gezegd. Ze had niet gevraagd waarom ze eerst moest telefoneren en pas daarna mocht aanbellen. Ze deed het gewoon.

‘Kom binnen. En doe exact wat ik je vraag.’

Het klonk brutaal, maar Hannelore durfde geen risico’s te nemen. Ze had heel precieze instructies gekregen.

‘Trek je kleren uit.’

Thérèse keek haar dochter verbaasd aan.

‘Do it’, klonk het bars.

‘Mijn moeder verstaat geen Engels.’

Panda richtte haar pistool op Hannelore. Haar vinger kromde zich om de trekker. Had ze wel de juiste beslissing genomen? Was de moeder wel te vertrouwen?

Thérèse mocht dan geen Engels verstaan, de gevoelloze blik in de ogen van de Chinese zei haar genoeg. Ze schopte haar schoenen uit en trok haastig haar kleren uit. Het was jaren geleden dat Hannelore haar moeder nog in haar ondergoed had gezien en ze moest toegeven dat ze er nog best appetijtelijk uitzag. Panda bekeek haar met een professionele blik en controleerde vervolgens haar kleding en haar handtas op verborgen wapens.

‘De kinderen zijn in de salon’, zei Hannelore.

‘Oma.’

Simon sprong van de bank op toen hij zijn grootmoeder zag binnenkomen. Sarah rende hem achterna. Thérèse drukte haar kleinkinderen stevig tegen zich aan en begon te vertellen alsof er niets aan de hand was.

‘Zeg haar dat ik je onmiddellijk doodschiet als ze het waagt om met iemand contact op te nemen’, zei Panda.

‘Dat weet ze.’

De Chinese zou haar hoe dan ook vermoorden, maar nu Van In dood was kon het haar allemaal niet veel meer schelen. Ze vond het alleen hartverscheurend voor de kinderen en voor de foetus in haar buik die nooit geboren zou worden. Arme Julien, dacht ze. Jij zult nooit weten dat je hebt geleefd.

‘Do it.’

‘Oké.’

‘Ze zijn nu met vier in de salon’, zei de man die de infraroodcamera bediende. ‘De kinderen en de twee vrouwen.’

‘Waar is de Chinese?’

‘In de keuken.’

Gijzelaars ontzetten was een kwestie van snel handelen en zoveel mogelijk profiteren van het verrassingselement. Dat wisten ze allemaal, maar er moest iemand het initiatief nemen. Iedere seconde was kostbaar. Het verrassingselement was hun voornaamste troef.

‘Go’, klonk het gedempt.

Twee mannen van de speciale interventie-eenheid stormden de trap op. Ze dachten maar aan één ding: de actie zo vlug mogelijk tot een goed einde brengen. De rode stipjes van hun lasergestuurde geweren dansten op de muren als nijdige vuurvliegjes. Ze bewogen zich als roofdieren. Lenig en bijna geluidloos. Het was nog een kwestie van seconden voor de eerste man de deur opentrapte.

‘Nee, wacht. Ze loopt naar de salon’, klonk het gesmoord.

De eerste man hield zich in alsof iemand op een knopje had gedrukt. De andere reageerde nog sneller. Hij haastte zich terug naar beneden. Versavel gaf hen een teken dat ze hem naar de kelder moesten volgen.

Panda draaide zich om. Ze had iets gehoord, een geluid dat ze niet kon duiden. Ze richtte haar pistool op de deur die toegang gaf tot het trappenhuis. Het werd muisstil. Te stil. Er klopte iets niet. Ze voelde de aanwezigheid van andere mensen en haar instinct had haar nog nooit bedrogen.

Ze had de auto vakkundig gedumpt. Van In was dood. Niemand kon weten dat zij hier was. Of toch?

‘Kan er iemand binnen via de achterkant?’ vroeg ze.

‘Nee’, zei Hannelore. ‘Ons huis grenst aan de gracht.’

‘Dan kun je er met een boot bij.’

‘Een boot’, herhaalde Hannelore ongelovig. ‘Niemand heeft hier een boot.’

Ze loog niet. Op de grachten voeren alleen boten met toeristen, maar dat bedoelde de Chinese natuurlijk niet.

‘Ik wil dat je beneden gaat kijken’, zei ze. ‘Als je iets verdachts merkt en je verzwijgt het, gaat een van de kinderen eraan. Begrepen.’

Hannelore knikte en liep met loden voeten naar de deur, trok die open en zette een stap naar beneden. Ze stak het licht aan. Twaalf houten treden leidden naar de tuin en naar de kelder die op het niveau van de gracht lagen. Ze ging voorzichtig de trap af. Er gebeurde niets.

Beneden was een kleine ruimte met twee deuren. De ene gaf toegang tot de kelder, de andere leidde naar buiten. Eerst de kelder, dacht ze. Ze stak het licht aan. Eén man had er zich kunnen verstoppen, maar er was geen plaats voor vier. Versavel knipperde met zijn ogen in het licht van de kale gloeilamp.

‘Sorry, Hanne’, zei hij.

De schrik sloeg haar om het hart. Wat moest ze doen? Ze kon onmogelijk inschatten hoe de Chinese zou reageren als ze haar de waarheid vertelde, maar ook niet wat er zou gebeuren als ze niets zei.

‘De kinderen’, fluisterde ze schor.

Ze deed iemand met een pistool na en haalde een denkbeeldige trekker over. Versavel maakte een gebaar met zijn hoofd dat ze beter terug konden gaan. Hannelore wees naar boven.

‘Het raam.’

Het raam in de keuken keek uit op de tuin. De Chinese was niet achterlijk. Als ze de gordijnen openschoof, kon ze zien wat er beneden gebeurde.

‘Dan blijven we hier.’

Hannelore draaide zich om. Straks werd de Chinese argwanend omdat ze te lang wegbleef. De kans was echter klein dat ze zelf poolshoogte zou komen nemen. Ze kon zich immers niet permitteren mama en de kinderen te lang alleen te laten.

‘Denk aan de kinderen’, zei ze.

Versavel wilde nog zeggen dat Van In niet dood was en ze alles in scène hadden gezet om de Chinese te misleiden, maar hij kreeg de kans niet meer.

‘Je bent lang weggeweest’, zei Panda toen ze de keuken binnenkwam.

‘Het is donker buiten en de tuin is behoorlijk groot.’

Hannelore probeerde haar stem rustig te laten klinken, hoewel ze bijna doodging van de angst dat de Chinese haar op een leugen zou betrappen. Misschien kon ze beter eerlijk zijn en alles opbiechten.

‘Kijk zelf als u me niet gelooft.’

Ze liep naar het raam en maakte aanstalten om de gordijnen open te schuiven, maar de Chinese hield haar tegen. Met de gordijnen open vormde ze een perfect doelwit.

‘Het wordt tijd dat we vertrekken’, zei ze nors.

Het nieuws dat het interventieteam bijna was ontdekt deed Van In geen goed. De machteloosheid dreigde hem te verstikken. Ze beschikten over slaapgas, flitsgranaten, sluipschutters, nachtkijkers, infraroodcamera’s en de best getrainde commando’s van het land, maar na de mislukte poging om Hannelore en de kinderen te ontzetten durfde hij geen beslissing meer te nemen. Zolang de Chinese in de buurt van de kinderen rondhing, was een aanval te riskant.

‘Mevrouw Martens heeft een politiewagen gevorderd’, zei Bruynzeel.

Van In stak zenuwachtig een sigaret op.

‘Met of zonder chauffeur?’

‘Zonder.’

‘Dan wil ze ervandoor’, zei Van In.

‘Met mevrouw Martens als menselijk schild.’

‘Dat lijkt me logisch.’

Het lag voor de hand dat de Chinese Hannelore als gijzelaar zou meenemen in de politiewagen en dat maakte de situatie nog moeilijker. Het was al een stuk na middernacht en er was bijna geen verkeer, waardoor het zo goed als onmogelijk was om hen ongemerkt te volgen. Het enige voordeel was dat de Chinese niet wist dat ze gevolgd zou worden omdat ze ervan uitging dat niemand wist waar ze was, maar dat wilde natuurlijk niet zeggen dat ze niet op haar hoede zou zijn.

‘Roep je mannen maar terug’, zei hij. ‘Ik heb Versavel nodig.’

Hannelore trok de voordeur achter zich dicht en keek nog één keer achterom. Ze had afscheid genomen van de kinderen en van haar moeder, met de belofte dat ze gauw weer thuis zou zijn. De kinderen geloofden haar natuurlijk, mama had haar heel diep in de ogen gekeken en zachtjes haar hoofd geschud. Ze was niet achterlijk. Panda had een jas van Hannelore aan die tot aan haar enkels reikte en ze had een muts opgezet en een sjaal omgeslagen, zodat ze bijna onherkenbaar was.

‘De wagen staat op het plein bij de kerk’, zei Hannelore toen ze de Moerstraat insloegen.

De straat was leeg. De straatlantaarns verspreidden een zacht, gelig licht dat in normale omstandigheden voor een romantisch sfeertje zorgde, maar nu onheilspellend scheen. Een scherpschutter die op het dak van de Sint-Jakobskerk had postgevat kreeg Panda welgeteld twee seconden in het vizier, te kort voor een trefzeker schot. De Chinese veranderde voortdurend van positie, alsof ze aanvoelde dat ze belaagd werd. Ze mochten ook niet te lang richten anders zou ze het rode lichtvlekje van de laser opmerken. Wie weet kregen ze straks een betere kans. Ze hadden pech. De twee vrouwen bereikten de auto zonder dat het hen nog lukte de Chinese in het vizier te krijgen. Hun taak zat erop.

De sleutel zat in het contact. Hannelore ging achter het stuur zitten. Panda nam plaats op de achterbank.

‘U zegt het maar’, zei ze.

‘Beschikt de wagen over een gps?’

Hannelore trok de klep van het handschoenenkastje open en haalde er een compacte Tom-Tom uit die ze met een zuignap op de voorruit plaatste.

‘We gaan naar Antwerpen’, zei ze. ‘Het Deurganckdok.’

De gps accepteerde de locatie en berekende de snelste route. Hannelore draaide rond het plein en sloeg de Leeuwstraat in. Nog geen tien minuten later reden ze de autosnelweg op. Tijdens de rit van de Moerstraat naar de autosnelweg liet Panda Hannelore twee keer vertragen om de auto’s die achter hen reden te laten passeren, zodat ze er zeker van was dat ze niet gevolgd werden. Bij een wegblokkade net voor de autosnelweg liet de politie hen ongemoeid. Ze hadden zelfs niet hoeven te stoppen, wat eigenlijk logisch was, ze reden zelf met een politiewagen.

‘Zo ziet u maar’, zei Hannelore. ‘Zelfs als ze ons hadden tegengehouden, had ik me er kunnen uit praten.’

‘U zou toch niet willen dat ik “dank u” zeg’, klonk het bits op de achterbank.

Net voor Beernem moest Hannelore van de Chinese de autosnelweg af rijden en vijf minuten wachten voor ze er weer op mocht rijden. Geen auto die hen volgde. Ze had gehoopt dat Versavel nog iets zou ondernemen, maar die hoop slonk met de minuut.

‘Verder rijden’, klonk het scherp.

Er verstreken minuten voor Hannelore de lichten van een auto in haar achteruitkijkspiegel zag opdoemen. De schaarse auto’s die op dit uur nog onderweg waren reden hen met hoge snelheid voorbij. Hoe dichter ze Antwerpen naderden, hoe schrijnender Hannelore zich realiseerde dat ze niet lang meer te leven had. Nu het haar duidelijk was hoe de Chinese zou ontsnappen, wist ze dat zij nooit het risico zou nemen haar te laten gaan. Haar enige troost was dat de kinderen veilig waren.

De kapitein van The Pride of Shanghai stond op de brug met een kop hete thee voor zich. Hij keek over de kaai en over de haven, die dag en nacht in beweging was. Alle voorbereidingen waren getroffen. Hij was klaar om uit te varen. Het was alleen nog wachten op een clandestiene passagier die in aantocht was. In zijn binnenzak zat een envelop met tienduizend dollar. Een koerier had hem het geld in de vooravond bezorgd. Tienduizend dollar was een pak geld, zelfs voor de kapitein van een mastodont als The Pride of Shanghai, die meer dan zesduizend containers aan boord had. Hij maakte zich geen zorgen. Het risico was klein dat hij betrapt werd en zodra de passagier aan boord was konden de autoriteiten hem niets meer doen. Hij was tenslotte kapitein. Niemand zou hem een strobreed in de weg leggen. Hij was heer en meester op zijn schip. Hij wierp een blik op zijn horloge. Als het een beetje meezat, konden ze over een uur uitvaren. Het tij was perfect.

‘Parkeer hier maar’, zei Panda.

Ze wees naar een opening tussen twee containers. Het was een verlaten plek. Sommige containers zaten onder de roestvlekken, wat een bewijs was dat ze er al een tijdje onaangeroerd stonden. Het was er ook heel donker.

Hannelore haalde diep adem terwijl ze aan haar kinderjaren dacht. Ze zag haar eerste vriendinnetjes terug, haar hondje Trottie. Ze rook de geur van zijn natte vacht en ze proefde de smaak van een warme appel met kaneel. Ze zag mama in de keuken staan terwijl ze jurkjes naaide voor haar poppen en ze zag papa binnenkomen, zijn jas aan de kapstok hangen en de krant opslaan. Ze herinnerde zich de eerste keer dat Van In haar voeten had gemasseerd, ze voelde de warmte van zijn lichaam, de strelingen over haar rug. Het ergste waren de lachende gezichten van de kinderen. Wat zouden zij zonder haar beginnen? Ze besefte dat er geen hulp meer te verwachten viel. Niemand was hen gevolgd. Ze hadden het waarschijnlijk geprobeerd, maar het was niet gelukt hen ongezien te blijven volgen. Of ze waren hen kwijtgeraakt.

‘Stap maar uit’, klonk het koud.

Ze voelde zich als in een trance. Geluiden verstomden, de duisternis omhulde haar als een warme deken.

‘Kom mee.’

Ze keek op.

Aan het eind van de rij containers stond een kleine loods. Panda schopte met een welgemikte trap de deur open. Ze gingen naar binnen. Het stonk er naar teer en natte touwen.

‘Hebt u kinderen?’

‘Nee’, zei Panda. ‘Ga op je knieën zitten.’

‘Moet dat echt?’

Hannelore begon zachtjes te snikken. Ze herinnerde zich beelden uit een documentaire over de Tweede Wereldoorlog. Het waren schokkende beelden, waarop te zien was hoe Joodse gevangenen met een nekschot werden afgemaakt. Waarom waren mensen zo wreed voor elkaar?

Panda stond in de deuropening. Met gespreide benen en een gestrekte rechterarm, het pistool stevig in de hand. Het maakte allang niet meer uit wie ze moest vermoorden. Mensen lieten haar koud. Ze had zelf te veel afgezien om nog voor iemand medelijden te voelen.

‘Doe wat ik zeg. Of ik schiet je knieschijven kapot.’

Hannelore ging langzaam door haar knieën. De vloer voelde kil en glibberig aan. Ze begon te trillen en ze wilde het uitschreeuwen.

‘Ik wil niet dood’, murmelde ze. ‘Alsjeblieft. Ik heb u toch niets misdaan.’

Ze sloeg haar ogen op. De kille ogen van Panda keken haar gevoelloos aan.

De Chinese stond met haar rug naar de deuropening. Het rode lichtpuntje op haar achterhoofd bewoog niet meer. Er klonk een schot. Hannelore viel voorover. Ze voelde niets meer. Ze hoorde alleen de stem van Van In.

‘Hanne.’

Ze lag in zijn armen. Hij keek haar aan. Met tranen in zijn ogen. Waren ze in het hiernamaals? Panda lag op haar rug. Er vloeide bloed uit haar achterhoofd.

‘Je bent niet dood’, zei ze.

‘En jij ook niet’, suste Van In.

Twee scherpschutters van Bruynzeel kwamen de loods binnen. Ze hielden allebei een lasergeleid geweer vast.

‘Vertel’, smeekte ze.

Van In vertelde haar in een paar woorden wat er gebeurd was. Ze schudde verbaasd het hoofd.

‘Dat begrijp ik allemaal. Maar hoe heb je me in godsnaam gevonden?’

‘Simpel’, glimlachte Van In. ‘Wat die Chinezen kunnen, kunnen wij ook. Ik heb gewoon een zendertje in je wagen laten plaatsen. Zo konden we jullie op een behoorlijke afstand volgen zonder gezien te worden en stoppen wanneer jij moest stoppen.’

‘Ik had het moeten weten. Jij bent mijn ridder op het witte paard en dat zul je altijd blijven.’

Ze krabbelde overeind en liep arm in arm met hem naar de politiewagen.

‘Ik moet eerst mama bellen’, zei ze. ‘Voor ze een beroerte krijgt.’

Ze haalde haar mobieltje uit haar handtas en wierp een vluchtige blik op het schermpje.

‘Tiens’, zei ze. ‘Ik heb gisteren een berichtje ontvangen.’

‘Toch niets belangrijks?’ vroeg Van In terwijl ze het opende.

Haar gezicht verstrakte.

‘Van mijn gynaecoloog.’

‘En?’

Het duurde een paar seconden voor ze antwoordde, maar ze hoefde eigenlijk niets te zeggen. Haar ogen schitterden van geluk. De resultaten van de tests waren negatief. Ze hoefden zich geen zorgen te maken. Julien was gezond.